AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring wegens risico op refoulement bij overdracht aan Kroatië
Eiser, van Syrische nationaliteit, werd een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op het onttrekken aan toezicht.
Eiser voerde aan dat recente jurisprudentie van het EHRM en andere bronnen aantonen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië niet langer geldt, waardoor overdracht tot schending van het refoulementverbod zou leiden.
De rechtbank oordeelt dat de aangevoerde feiten en jurisprudentie geen concrete aanwijzingen bevatten dat overdracht aan Kroatië in strijd is met artikel 3 EVRMPro. Ook is geen sprake van structurele tekortkomingen in de Kroatische asielprocedure die een schending van het refoulementverbod rechtvaardigen.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G. Ahmed. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Risico op refoulement bij overdracht aan Kroatië
4. Eiser doet een beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 1 oktober 2025.1 Hierin heeft de rechtbank het arrest Adrar2 dat ziet op de Terugkeerrichtlijn, analoog toegepast op een maatregel van bewaring waarop de Dublinverordening van toepassing is, onder verwijzing naar het absolute karakter van het refoulementverbod. Volgens deze uitspraak moet de bewaringsrechter, in het kader van de uitvoerbaarheid van het overdrachtsbesluit, nagaan of sprake is van een zodanige wijziging van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de refoulementbeoordeling in het laatste overdrachtsbesluit achterhaald is op het moment dat de rechterlijke controle van de bewaringsmaatregel plaatsvindt. Eiser stelt dat hier in zijn geval sprake van is, waarbij hij verwijst naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) van 17 juli 20253, dat dateert van na de ongegrondverklaring van zijn beroep in januari 2025 tegen het eerdere overdrachtsbesluit. Uit dit arrest volgt volgens eiser dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder wijst eiser op het document “Veelgestelde Vragen – Dublinterugkeerders Kroatië” van Vluchtelingenwerk.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover het oordeel van het Hof van Justitie in het arrest Adrar al volledig kan worden toegepast op een bewaring die onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt, is de rechtbank van oordeel dat in wat eiser heeft aangevoerd geen concrete aanwijzingen zijn gelegen dat zijn overdracht aan Kroatië in strijd is met het refoulementverbod. In een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 14 januari 2025 is in het kader van het beroep tegen het eerdere overdrachtsbesluit geoordeeld dat overdracht naar Kroatië van eiser niet in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM. Het aangehaalde arrest van het EHRM van 17 juli 2025 vormt geen aanwijzing voor een andere conclusie, nu het geen gelijksoortige situatie betreft. In die zaak ging het over een vreemdeling die Kroatië illegaal was binnengekomen en geen “effective remedy” had om zijn uitzetting aan te vechten. Eiser zal, indien de door hem recentelijk ingediende asielaanvraag ertoe leidt dat de minister de asielaanvraag niet in behandeling neemt, in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen en daarmee toegang hebben tot de asielprocedure in Kroatië. Verder kan uit de omstandigheid dat in deze individuele zaak geen sprake was van een “effective remedy”, niet worden afgeleid dat sprake is van structurele tekortkomingen in de algehele asielprocedure
in Kroatië. Uit de overige door eiser ingebrachte informatie kan dit naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid. Hierbij wijst de rechtbank erop dat de Afdeling op 21
november 20254 nog heeft geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.