ECLI:NL:RBDHA:2026:20038

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArtikel 4 EU HandvestArtikel 20 OpvangrichtlijnArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk volgens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 behandeld en beoordeelt of de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Eiser stelde dat Frankrijk onvoldoende opvang bood en dat zijn medische situatie onvoldoende is meegewogen, verwijzend naar het AIDA-updaterapport, een arrest van het Hof van Justitie en een uitspraak van het Tribunal Administratif de Lyon.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het vertrouwensbeginsel en dat de problemen in de Franse asielopvang niet zodanig structureel en ernstig zijn dat er een reëel risico op onmenselijke behandeling bestaat. Ook is onvoldoende gebleken dat eiser bijzonder ernstige medische problemen heeft die een overdracht naar Frankrijk uitsluiten. De minister hoefde geen toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32135

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Sahin),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening nam de minister een asielaanvraag niet in behandeling als werd vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Frankrijk ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Hij verwijst hierbij naar het AIDA-updaterapport van 2 juni 2026. [3] Ook verwijst hij naar het arrest Jawo van het Hof van Justitie. [4] De minister heeft onvoldoende betrokken dat eiser gedurende zijn verblijf in Frankrijk geen opvang en geen voedsel heeft ontvangen, waardoor hij ongeveer één jaar en twee maanden op straat heeft moeten leven. Deze ervaringen sluiten aan bij het updaterapport. Eiser heeft ook een uitspraak van het Tribunal Administratif de Lyon van 4 juni 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat hij een procedure heeft gevoerd tegen de weigering van opvang en dat hij dakloos was. Die uitspraak vormt een objectieve bevestiging van zijn verklaringen. De minister stelt ten onrechte dat deze uitspraak onvoldoende betekenis heeft. Het enkele bestaan van een hoger beroepsmogelijkheid is onvoldoende om de inhoud en betekenis van de uitspraak terzijde te schuiven. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht of dit rechtsmiddel voor eiser, gelet op zijn dakloosheid, daadwerkelijk toegankelijk en effectief was. Ten slotte heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de vrees van eiser voor uitzetting naar Nigeria geen rol speelt bij de beoordeling van zijn overdracht aan Frankrijk. Het enkele feit dat Frankrijk het terugnameverzoek heeft geaccepteerd betekent niet dat daarmee ieder risico op indirect refoulement is uitgesloten.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij voor Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit nog bevestigd in recente uitspraken waar de minister ook terecht op heeft gewezen. [5] Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. Weliswaar is het nieuwe updaterapport waar eiser naar verwijst niet bij die uitspraken betrokken, maar de rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het updaterapport geen aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. De door eiser aangehaalde passages uit het updaterapport staan ook in de eerdere AIDA-rapporten en laten geen wezenlijk ander beeld zien van de Franse asielopvang dan de eerdere AIDA-rapporten die wél in de uitspraken van de Afdeling zijn meegenomen. Ook wordt de minister erin gevolgd dat het gegeven dat eiser geen opvang kreeg en die beslissing door een Franse rechtbank in stand is gelaten ook niet tot een andere conclusie leidt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voor eiser mogelijk was om tegen de uitspraak van de Tribunal Administratif de Lyon van 4 juni 2025 in beroep te gaan. Het is niet gebleken dat eiser van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Eiser wordt er niet in gevolgd dat het aan de minister was om te onderzoeken of hij hiertegen daadwerkelijk beroep in had kunnen stellen, nu het aan eiser is om gemotiveerd te stellen dat hij niet de mogelijkheid heeft om te klagen bij de Franse autoriteiten als internationale verplichtingen niet worden nageleefd. Los daarvan heeft de minister er tijdens de zitting ook terecht op gewezen dat uit de overgelegde Franse uitspraak blijkt dat eiser opvang is geweigerd omdat hij een opvolgende asielaanvraag had ingediend en niet had onderbouwd bijzonder kwetsbaar te zijn. Aangezien de Opvangrichtlijn lidstaten toestaat materiële opvangvoorzieningen in te beperken of in te trekken bij opvolgende asielaanvragen, [6] blijkt uit die uitspraak dan ook niet dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet naleeft.
4.2.
Omdat eiser, gelet op wat onder 4.1 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de Franse asielprocedure en opvang, moet ervan uit worden gegaan dat de Franse autoriteiten het risico op refoulement in eisers land van herkomst naar behoren beoordelen en vaststellen, en dat eiser in Frankrijk over daadwerkelijke rechtsmiddelen beschikt om een beslissing van de autoriteiten aan te vechten. Dit volgt uit rechtspraak van de Afdeling. [7] De minister heeft zich onder verwijzing naar die rechtspraak dan ook terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vrees van eiser voor indirect refoulement geen rol speelt bij de beoordeling van zijn overdracht aan Frankrijk.
Moest de minister van een overdracht aan Frankrijk afzien vanwege eisers gezondheid?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn medische situatie onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld. Een overdracht naar Frankrijk brengt namelijk een reëel risico mee op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van eisers gezondheidstoestand. Eiser doet een beroep het arrest C.K. [8] Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij kampt met maagproblemen en maagpijn. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij in Frankrijk een operatie aan zijn maag heeft ondergaan. Na deze operatie ontving hij medicatie, waarna van hem werd verwacht dat hij verdere medicatie zelf zou aanschaffen. Verder heeft eiser verklaard dat hij klachten heeft aan zijn linkerbeen, waarvoor in Frankrijk wel een scan is gemaakt, maar geen verdere behandeling heeft plaatsgevonden. Ook uit het overgelegde GZA-patiëntendossier blijkt dat sprake is van buikklachten, slaapproblemen, problemen met de ontlasting en suïcidale gedachten. De minister stelt ten onrechte dat Frankrijk dezelfde medische zorg biedt als Nederland.
5.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van Pro het EU Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het EU Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt.
5.2
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat hij niet van een overdracht aan Frankrijk af heeft moeten zien. Uit eisers GZA-patiëntendossier blijkt dat eiser last heeft van een kies, moeite heeft met naar het toilet gaan en dat hij slaapproblemen heeft. Ook wordt in het patiëntendossier zeer kort melding gemaakt van suïcidale gedachten die eiser zou hebben, en tijdens de zitting heeft eisers gemachtigde naar voren gebracht dat eiser dit ook tegen hem heeft verklaard. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee niet met objectieve documenten heeft onderbouwd dat hij bijzonder ernstige lichamelijk of psychische problemen heeft die tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bij overdracht zouden kunnen leiden. Gelet hierop wordt eiser er ook niet in gevolgd dat de minister zijn medische situatie onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld. Bovendien heeft de minister terecht gesteld dat hij erop mag vertrouwen dat Frankrijk zijn medische problemen net zo goed kan behandelen. Eiser heeft niet onderbouwd dat hier niet van uit zou kunnen worden gegaan. Ook heeft de minister tijdens de zitting voldoende toegelicht dat eiser in Frankrijk toegang kreeg tot medische voorzieningen. Het is niet gebleken dat dit na een overdracht niet meer het geval zal zijn.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening [9] onverplicht in behandeling moet nemen. Tijdens de zitting heeft eiser nader toegelicht dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de minister die bevoegdheid moet toepassen, nu eiser al eerder vanuit Finland naar Frankrijk is teruggestuurd en telkens op straat is beland, en dat hij heeft geprobeerd hiertegen beroep in te stellen maar dit tot niets leidde.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden al betrokken in het kader van de vraag of Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt. De rechtbank heeft onder 4.1 en 4.2 geoordeeld dat die omstandigheden er niet aan afdoen dat de minister hiervan uit mag gaan. De minister hoeft daarom die omstandigheden redelijkerwijs niet van betekenis te achten bij de beoordeling of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 augustus 2014, [10] 25 februari 2025, [11] en 26 maart 2026. [12] Verder heeft eiser geen overige bijzondere, individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat een overdracht leidt tot onevenredige hardheid.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
3.AIDA Country Report: France (Update on 2025), pagina’s 20, 129, 131-132, 140 en 178.
4.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218
5.ABRvS 13 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:786, ABRvS 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1443.
6.Dit staat in artikel 20 van Pro de Opvangrichtlijn.
7.Dit volgt uit ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, rechtsoverweging 5.2.2 tot en met 5.3.1.
8.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127
9.Zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
10.ECLI:NL:RVS:2014:3164, rechtsoverweging (r.o.) 4.