ECLI:NL:RBDHA:2026:20053

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4102
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8.22 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens actuele bedreiging openbare orde

Eiser, een Poolse burger die sinds 2023 officieel in Nederland staat geregistreerd, is veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens poging tot doodslag en mishandeling. De minister van Asiel en Migratie heeft op grond hiervan het verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem tot ongewenst vreemdeling verklaard. Eiser betwist dit besluit en voert aan dat zijn gedrag geen actuele bedreiging vormt en dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank overweegt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, mede gelet op zijn strafrechtelijke veroordelingen in Nederland en Polen, het patroon van geweldsdelicten en recente gedragingen tijdens detentie. De minister heeft ook terecht afgezien van het horen van eiser in bezwaar, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander besluit zouden kunnen leiden.

De rechtbank wijst de beroepsgronden van eiser af, waaronder zijn betwisting van de actualiteit van de bedreiging, zijn persoonlijke en familiale banden met Nederland en het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter C.M. Dijksterhuis op 8 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht en de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4102

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht en zijn ongewenstverklaring. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht het verblijfrecht van eiser heeft beëindigd en hem tot ongewenst vreemdeling heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. De minister heeft op 3 juli 2024 (het primaire besluit) vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht, hem ongewenst verklaard en bepaald dat hij Nederland moet verlaten. Met het besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer: NL26.4105), op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: M. Wasewicz.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
7. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Inleiding
8. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Poolse nationaliteit. Eiser is op een onbekende datum naar Nederland gekomen zonder zich in de Basisregistratie Personen op een woonadres te laten inschrijven. Sinds 13 maart 2023 staat eiser officieel geregistreerd als burger van de Europese Unie. Sinds zijn aankomst in Nederland is eiser veroordeeld tot onherroepelijke gevangenisstraffen. Eiser is op 29 december 2023 door de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden voor poging tot doodslag. Daarop heeft de minister het voornemen tot het beëindigen van het verblijfsrecht van eiser en het ongewenst verklaren van eiser genomen. Op 23 juni 2025 heeft de Politierechter van de rechtbank Gelderland eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken wegens mishandeling.
Het bestreden besluit
9. Met het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (het Unierechtelijk openbare orde-criterium). De minister is daarom bij zijn besluit gebleven om het verblijfsrecht van eiser te beëindigen, te bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en hem ongewenst te verklaren. [1] Daarbij heeft de minister de voornoemde veroordelingen tot gevangenisstraffen betrokken en het herhaaldelijk criminele gedrag van eiser in Polen. In de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft de minister geen reden gezien om af te zien van het besluit. Het bestreden besluit is volgens de minister ook niet in strijd met het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De minister vindt tot slot dat hij niet in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld door eiser niet te horen in bezwaar, omdat er geen twijfel bestaat dat het bezwaar van eiser ongegrond is.
Verwijzing naar bezwaar
10. In zijn eerste, algemene beroepsgrond heeft eiser verwezen naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd en de rechtbank verzocht dit als herhaald en ingelast te beschouwen.
11. De rechtbank stelt vast, voor de specifieke gronden van beroep te bespreken, dat eiser in het beroepsschrift (deels) heeft verwezen naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd, met het verzoek dat als geheel herhaald en ingelast te beschouwen. Omdat de minister hierop in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan en omdat in beroep verder niet is aangegeven in hoeverre de motivering van de minister in het bestreden besluit tekortschiet, is de rechtbank van oordeel dat deze algemene beroepsgrond niet kan worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit.
Het Unierechtelijk openbare-ordecriterium
12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser stelt allereerst dat de door hem in bezwaar genoemde uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) voor hem relevant zijn, omdat een burger van de Unie niet slechter behandeld mag worden dan een niet-burger van de Unie. Op de tweede plaats stelt eiser dat ook op grond van het Unierecht niet kan worden geconcludeerd dat zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bedreiging nog actueel is. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat dit blijkt uit de omstandigheid dat hij zijn gevangenisstraf van zesendertig maanden heeft uitgezeten en er geen recidive gevaar is. Eiser voert verder aan dat de minister zijn criminele antecedenten in Polen niet kan gebruiken ter onderbouwing van de actualiteit van de bedreiging, omdat deze feiten minimaal vijf jaar oud zijn, niet vergelijkbaar zijn en de straffen tussen landen verschillen. Daarnaast trekt de minister volgens eiser ten onrechte negatieve conclusies over zijn proceshouding.
13. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 20 november 2015 [2] uit het arrest Z.H. en I.O [3] van het Hof van 11 juni 2015, heeft afgeleid dat de minister bij zijn beoordeling of het persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit, de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of (een) vermoeden volstaat daarom niet.
14. De rechtbank overweegt verder dat hoe de minister invulling geeft aan het Unierechtelijk openbare orde-criterium door de minister nader is uitgewerkt in Werkinstructie (WI) 2022/12. In deze WI is – voor zover hier van belang – te lezen dat wat exact wordt verstaan onder ‘actueel’ niet valt aan te geven. Op het moment dat er een besluit wordt genomen moet van de vreemdeling nog een bedreiging uitgaan voor de openbare orde door de aanwezigheid van de vreemdeling. In de regel staat daarbij het risico op nieuwe inbreuken op de openbare orde centraal. De WI benoemt een aantal elementen die kunnen worden betrokken, waaronder het tijdsverloop sinds het laatste gepleegde delict en de gedragingen van de vreemdeling sindsdien; als er sprake is (geweest) van recidive, weegt dat mee bij de beoordeling of er nog sprake is van een actuele bedreiging. Ook verdenkingen en nog niet onherroepelijke veroordelingen zijn relevant voor de beoordeling van de actualiteit. Verder volgt uit de WI dat de ‘ernst’ van de bedreiging niet enkel wordt gebaseerd op het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de duur van die straf. Ook de aard van het strafbare feit speelt een rol. Zo zullen strafbare feiten als overtredingen en lichte misdrijven in de regel niet als voldoende ernstig worden beschouwd. Indien de vreemdeling veelvuldig is veroordeeld voor licht strafbare feiten en hij om die reden onveiligheid, overlast en maatschappelijke schade teweegbrengt, dan kan er overeenkomstig het arrest Polat [4] en de Richtsnoeren van de Commissie bij de Verblijfsrichtlijn [5] aanleiding bestaan om een gevaar voor de openbare orde aan te nemen. Van belang is echter wel dat aangetoond wordt dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling wijst op een concreet en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde.
15. De rechtbank stelt voorop dat eiser op de zitting niet heeft betwist dat de veroordeling van 29 december 2023 door de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens poging tot doodslag ernstig genoeg is voor een ongewenst verklaring, maar wel de actuele bedreiging van het gedrag van eiser.
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele bedreiging vormt. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit wordt ingegaan op elementen die volgens de WI 2022/12 kunnen worden gebruikt bij de beoordeling of er sprake is van een actuele bedreiging. In het bestreden besluit is de minister onder meer ingegaan op de aard van de delicten, de hoogte van de opgelegde straf en het feit dat eiser meermalen is veroordeeld. In zoverre heeft de minister van belang mogen vinden dat eiser meerdere strafbare feiten heeft gepleegd in Polen, waarbij een patroon van geweldsdelicten zichtbaar is. Zo is eiser tussen 2017 en 2021 vijfmaal onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld in Polen. Bovendien heeft de minister uit de strafrechtelijke veroordelingen in Nederland mogen afleiden dat eiser dit delictspatroon heeft voortgezet. De minister heeft hierbij bijzonder belang mogen hechten aan het feit dat eiser op 29 december 2023 in Nederland is veroordeeld voor een gevangenisstraf van zesendertig maanden wegens poging tot doodslag. De minister heeft mogen betrekken dat dit één van de zwaarste delicten is binnen het Nederlandse strafrecht, en dat de gevangenisstraf bovendien geheel onvoorwaardelijk is. Ook heeft de minister bij de beoordeling van de actuele bedreiging terecht het misdrijf betrokken dat eiser op 7 november 2024 heeft gepleegd en waarvoor hij op 23 juni 2025 door de politierechter onherroepelijk is veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens mishandeling van een ambtenaar.
17. Verder acht de rechtbank van belang dat de minister op 4 maart 2026 heeft verzocht om een versnelde behandeling van het beroep vanwege het gevaar voor de openbare orde. De minister heeft daarbij onder meer gewezen op verschillende rapporten waaruit blijkt dat eiser onveilige situaties voor gedetineerden en bewaarders veroorzaakt, en op het verslag van het vertrekgesprek van 1 december 2025, waaruit blijkt dat eiser bedreigende uitspraken heeft gedaan richting de regievoerder van Dienst Terugkeer en Vertrek. De enkele stelling van eiser op de zitting dat de verschillende rapporten niet gebruikt mogen worden ter onderbouwing van de actuele bedreiging omdat deze niet zijn onderbouwd met gedragsrapportages, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich in dit verband op het standpunt kunnen stellen dat hij – gelet op de veroordelingen zoals overwogen onder 16 en het verslag van het vertrekgesprek van 1 december 2025 – reeds kon uitgaan van een actuele dreiging van eiser, omdat hieruit kan worden afgeleid dat eiser zijn delictspatroon ook in Nederland, en ook tijdens detentie, heeft voortgezet.
18. De rechtbank overweegt verder dat eiser ook geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van positieve gedragsverandering. In zoverre heeft de minister ook kunnen concluderen dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden of het normbesef van eiser zijn gewijzigd, noch dat hij significante stappen tot verbetering heeft gezet, waardoor hij geen actuele bedreiging meer vormt voor de Nederlandse samenleving. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser dan ook niet in zijn stelling dat de minister ten onrechte negatieve conclusies over zijn proceshouding heeft getrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
19. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft en werkt, over inkomen beschikte in 2022 en 2023, en een goede band heeft met zijn zus en haar partner. Het ontbreken van een bijzondere afhankelijkheid betekent niet dat aan deze banden geen waarde kan worden toegekend.
20. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond een herhaling van zetten is ten opzichte van het bezwaarschrift. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op de bezwaargronden gereageerd. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk overwogen dat eiser vanaf 2022 tot aan het delict in maart 2023 in Nederland heeft gewerkt en inkomen heeft genoten, maar dat daarmee geen sterke banden met Nederland zijn gegroeid. De minister heeft ook de relatie tussen eiser en zijn zus betrokken en daarbij overwogen dat een hechte band tussen hen eiser niet aan Nederland bindt, omdat van een bijzondere afhankelijkheid niet is gebleken. De rechtbank overweegt dat eiser de band met zijn zus en met de partner van zijn zus bovendien op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Omdat eiser niet concreet heeft toegelicht – ook niet op de zitting – waarom de reactie van de minister in het bestreden besluit op zijn bezwaargronden de rechterlijke toets niet kan doorstaan, kan deze beroepsgrond niet tot enig resultaat leiden.
De hoorplicht
21. Eiser voert ten slotte aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 [6] en stelt dat er in gevallen van ingrijpende beslissingen met grote impact altijd gelegenheid tot horen moet zijn. Eiser wijst ter vergelijking ook naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 mei 2025. [7]
22. De rechtbank stelt voorop dat horen tijdens de bezwaarfase het uitgangspunt is. De minister mag hier onder omstandigheden echter van afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [8]
23. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser in bezwaar geen persoonlijke omstandigheden of documenten heeft aangedragen waarvan de bespreking mogelijkerwijs tot een ander besluit zou kunnen leiden. De minister heeft in het verweer terecht gesteld dat eiser geen nieuwe stukken heeft overgelegd, noch heeft aangegeven deze te willen overleggen. Gelet hierop kan de rechtbank de minister volgen in het standpunt dat het feit dat eiser in detentie zat en daardoor moeilijker documenten kon overleggen niet tot een andere conclusie leidt, temeer daar eiser werd bijgestaan door een gemachtigde. Het is aan eiser om in bezwaar alle feiten en omstandigheden die van belang zijn aan te voeren en deze te onderbouwen. Eiser heeft niet nader toegelicht welk concreet belang hij bij een hoorzitting zou hebben gehad en welke (persoonlijke) feiten of omstandigheden de minister nog bij de besluitvorming had moeten betrekken. Het beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag leidt om die reden dan ook niet tot een ander oordeel, omdat in die zaak wél nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht, zodat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is. Gelet op het voorgaande heeft de minister mogen afzien van horen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 8 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.ECLI:EU:C:2015:377.
4.ECLI:EU:C:2007:581.
5.Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004.