Eiser, een Ierse staatsburger, is in Nederland veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag en het wegmaken van een lijk. Verweerder beëindigde op grond van het Unierecht zijn verblijfsrecht en verklaarde hem ongewenst vanwege een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde.
Eiser betwist dit en voert onder meer aan dat zijn veroordeling niet definitief is vanwege een lopende procedure bij het EHRM en dat hij zich in detentie positief heeft ontwikkeld. Ook stelt hij dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en dat zijn detentieplaatsing in Ter Apel zijn gezinsleven schaadt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van de onherroepelijkheid van de strafrechtelijke veroordeling en dat het gedrag van eiser een actuele bedreiging vormt. De belangenafweging door verweerder is niet onredelijk, ook al had hij de hoorplicht moeten naleven. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat het niet tot een andere uitkomst had geleid. Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de ontzegging van het EU-verblijfsrecht niet-ontvankelijk. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan eiser.