ECLI:NL:RBDHA:2026:20064

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL24.11944
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 5 Richtlijn 2008/115/ECArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming en non-refoulement toetsing

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het terugkeerbesluit dat de minister van Asiel en Migratie op 28 juli 2025 aan eiser heeft opgelegd na beëindiging van zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Eiser, een Algerijnse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland kwam, betwistte het besluit en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat het besluit prematuur was, dat zijn privéleven in Nederland in de weg stond en dat het terugkeerbesluit in strijd zou zijn met het verbod op refoulement.

De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit niet prematuur is, omdat de tijdelijke bescherming van eiser rechtsgeldig is beëindigd op 4 maart 2024. De lopende beroepsprocedure en de voorlopige voorziening die rechtmatig verblijf toestond, verhinderen het opleggen van het terugkeerbesluit niet. De rechtbank verwijst naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ten aanzien van het privéleven overweegt de rechtbank dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het privéleven van eiser, maar dat dit niet leidt tot het nietig verklaren van het terugkeerbesluit. De RTB is tijdelijk van aard en het recht op verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro moet via een aparte verblijfsaanvraag worden beoordeeld.

Wat betreft het verbod op refoulement stelt de rechtbank vast dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schendingen van mensenrechten. De minister heeft terecht gewezen op de mogelijkheid om een asielprocedure te doorlopen. De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk vanwege intrekking en wijst het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 af. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het prematuur genomen besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11944

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.S.M. Oudijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Jacobs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 28 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT) [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. [2]
4. Op 21 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter toen ook verzocht om een voorlopige voorziening, die bij uitspraak van 5 april 2024 is toegewezen. [3]
5. Op 28 juli 2025 heeft de minister eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken [4] en vervangen met het bestreden besluit van 28 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister. De tolk heeft telefonisch deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
7. Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 vervangt het besluit van 21 februari
2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op het terugkeerbesluit van 28 juli 2025.
8. Omdat de minister het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser
geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. De rechtbank zal het
beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op
vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 21 februari 2024, omdat het besluit prematuur was genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 21.
Het oordeel van de rechtbank
Prematuur terugkeerbesluit
9. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 prematuur is, omdat zijn verblijf in Nederland nog legaal is. Eiser heeft namelijk door de lopende beroepsprocedure en de toegewezen voorlopige voorziening nog rechtmatig verblijf in Nederland. Daarnaast stelt eiser dat hij nog tot 4 september 2025 procedureel rechtmatig verblijf had op grond van de bevriezingsmaatregel.
10. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 [5] volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming geacht moet worden te zijn beëindigd op 4 maart 2024. Het bestreden besluit is ná die datum opgelegd, waardoor het niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn [6] is genomen. De rechtbank oordeelt verder dat de lopende beroepsprocedure en de toegewezen voorlopige voorziening waarop eiser zich beroept, niet aan het opleggen van het terugkeerbesluit in de weg staan. De rechtbank merkt op dat de getroffen voorlopige voorzieningen weliswaar betekent dat eiser gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van die procedure af te kunnen wachten, maar dat de getroffen voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Nu de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege is beëindigd, voldoet eiser niet aan die voorwaarden. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. [7] Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank overweegt verder dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maar dat dit niet betekent dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting. De beroepsgrond slaagt niet.
Privéleven
12. Eiser stelt dat de minister moet toetsen aan artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat eiser gedurende zijn verblijf privéleven heeft opgebouwd. Het nieuwe terugkeerbesluit vormt volgens eiser een inmenging op dat privéleven. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij een baan heeft in Nederland en in april 2026 een aanvraag heeft ingediend voor een gecombineerde vergunning verblijf en arbeid (GVVA).
13. De rechtbank overweegt dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof6 volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
14. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten.7 Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
15. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met onder meer het privéleven van de derdelander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Eiser heeft in beroep alleen aangevoerd dat hij zijn leven in Nederland heeft opgebouwd en hier op basis van de RTB heeft gewerkt, wat hij heeft onderbouwd met een arbeidsovereenkomst. Deze omstandigheden maken niet dat het privéleven, dat eiser gedurende zijn verblijfsperiode hier heeft opgebouwd, in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. Dit geldt ook voor de GVVA-aanvraag. Uit wat hiervoor is overwogen volgt bovendien dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen. Verder is van belang dat het niet gaat om langdurig verblijf en dat de aan eiser gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard waren en dit voor hem ook duidelijk moet zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
Non-refoulement
16. Eiser voert verder aan dat hij niet kan terugkeren naar Algerije omdat hij van Berberse afkomst is en aanhanger van de Kabylische onafhankelijkheidsbeweging (MAK). De MAK wordt volgens eiser door de Algerijnse regering gezien als een terroristische organisatie. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een nieuwsartikel. [8] Eiser stelt verder dat hij in zijn land van herkomst tegen de Algerijnse regering heeft gedemonstreerd omdat hij het niet eens is met hun gedachtegoed en de onafhankelijkheidsbeweging steunt. Bovendien is eiser atheïstisch, en worden zijn opvattingen in Algerije, een religieus land, niet geaccepteerd. Zo kreeg eiser tijdens zijn studie regelmatig beledigingen, ook via sociale media. Eiser is verder dienstplichtig in Algerije, maar negeert de oproepen omdat hij niet wil dienen onder een regering waarvan hij de ideeën afwijst. Hierdoor staat hij geregistreerd in het signaleringssysteem. Door deze omstandigheden vreest hij bij terugkeer opgepakt of vervolgd te worden, of gedwongen te worden de dienstplicht te verrichten vanwege zijn politieke overtuigingen.
17. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat [9] heeft geoordeeld dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2025. [10] Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
18. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod op refoulement. De rechtbank kan de minister volgen in zijn standpunt dat de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden nader onderzoek vragen dat enkel kan worden uitgevoerd in het kader van een asielprocedure. Aan eiser is de gelegenheid geboden om deze procedure te doorlopen, maar hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt. Eiser heeft genoemde omstandigheden verder op geen enkele manier onderbouwd en heeft deze enkel gesteld. De minister heeft onder deze omstandigheden kunnen verwijzen naar de mogelijkheid om asiel aan te vragen. Ook omdat niet van andere omstandigheden is gebleken die er op wijzen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Ook de rechtbank is los van de gestelde omstandigheden in het dossier geen elementen tegengekomen die hierop wijzen. Het beginsel van non-refoulement staat dus niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
De hoorplicht
19. Dat de minister eiser voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit had moeten horen, volgt de rechtbank niet. Eiser is met het indienen van de zienswijze immers in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep
tegen het besluit van 28 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk
krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
21. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van
21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank aanleiding
om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser in die zaak heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
22. Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.11945 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op
23 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom
deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de
indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft,
dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
3.NL24.11945.
4.Naar aanleiding van het arrest van het Hof van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
5.ECLI:EU:C:2024:1038.
6.Richtlijn 2008/115/EC.
7.ECLI:EU:C:2018:465.
8.Nieuwsartikel ‘Kabylia verklaart zich onafhankelijk van Algerije’ van 22 april 2024 op [internetsite]
9.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.