ECLI:NL:RBDHA:2026:20065

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.61995
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het KindArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 45, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Afghanistan wegens ontbreken reëel risico op ernstige schade

Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende man, diende op 29 augustus 2024 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 12 december 2025 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 5 juni 2026 en oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt.

Eiser baseerde zijn asielverzoek op incidenten met de taliban, waaronder een gewelddadig incident in 2010 waarbij hij een talib verwondde, een meningsverschil in 2021 over werkzaamheden en een discussie over grondtoe-eigening. De rechtbank stelt dat deze incidenten onvoldoende onderbouwd zijn om een reëel risico aan te nemen, mede vanwege het tijdsverloop en het ontbreken van actuele bedreigingen.

Daarnaast betoogde eiser dat hij op grond van artikel 8 EVRM Pro een verblijfsvergunning had moeten krijgen vanwege zijn gezinsleven in Nederland. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij een gehuwd gezinsleven heeft met zijn partner en dat hij de familierechtelijke relatie met zijn kind niet heeft onderbouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag omdat geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61995

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Taha),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van de problemen die hij met de taliban heeft ondervonden. Verder had de minister eiser geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM moeten verlenen. Daarom was de minister gehouden om tegen eiser een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 december 2025 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026, samen met de zaak NL25.61996, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1982. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft problemen met de taliban als gevolg van verschillende gebeurtenissen. Het gaat om een incident uit 2010 waarbij hij als medewerker voor het landbouwministerie van de voormalige Afghaanse overheid hout van de taliban in beslag nam en een talib [2] gewond raakte aan zijn arm (die later moest worden geamputeerd), een meningsverschil uit 2021 over werk dat eiser in opdracht van het landbouwministerie had laten uitvoeren en een discussie uit 2021 over de toe-eigening van grond van eiser door een andere man. Eiser vreest, nadat de taliban hem in 2023 thuis zochten, als gevolg van deze gebeurtenissen te worden vervolgd en de doodstraf te krijgen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Problemen met de taliban.
4.1.
De minister vindt beide asielmotieven geloofwaardig. De minister heeft daarom aan de hand van beide asielmotieven beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat de minister echter tot de conclusie komt dat eiser vanwege deze asielmotieven geen verdragsvluchteling is en bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
De beroepsgronden
Hoorplicht en correcties en aanvullingen
5. Eiser heeft zijn beroepsgronden dat de minister hem opnieuw had moeten horen en dat de minister de correcties en aanvullingen onvoldoende (kenbaar) in de besluitvorming heeft betrokken op zitting laten vallen. De rechtbank zal daarom geen oordeel meer over die beroepsgronden geven.
Loopt eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade?
6. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt.
Werkzaamheden voor de Afghaanse overheid in het algemeen
7. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Afghaanse overheid in het algemeen – dus nog los van de door hem ondervonden problemen met de taliban – een reëel risico op ernstige schade loopt op zitting laten vallen. De rechtbank zal daarom ook over deze beroepsgrond geen oordeel meer geven en hierna alleen ingaan op de vraag of eiser als gevolg van zijn problemen met de taliban een reëel risico op ernstige schade loopt.
Incident in 2010 vanwege inbeslagname van hout
8. Eiser betoogt dat hij vanwege het incident dat voortkwam uit de inbeslagname van hout in 2010 een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister reduceert dit incident ten onrechte tot een (afgesloten) gebeurtenis uit het verleden waarbij tijdsverloop het risico op ernstige schade heeft laten afnemen. Daarmee lijkt de minister ook een asielrechtelijke verjaringstermijn te hanteren waarvoor geen grondslag bestaat. In Afghanistan hebben conflicten vaak een langdurig en cumulatief karakter, en kunnen zij na verloop van tijd weer oplaaien. Vanwege de machtsovername door de taliban zijn oude conflicten weer relevant geworden. Daar komt nog bij dat het ging om een incident als gevolg waarvan een talib ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen door het handelen van eiser. Dit incident kan daarom, anders dan de minister stelt, aanleiding zijn tot langdurige wraakmotieven. Dat eiser sinds 2013 niet meer is bedreigd, maakt niet dat het risico is verdwenen, temeer omdat de taliban in deze periode niet de volledige macht over Afghanistan uitoefenden. Bovendien is van belang dat het risico op ernstige schade zich pas materialiseert als eiser terugkeert, omdat hij dan voor de taliban zichtbaar wordt.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 2010 betrokken is geweest bij een incident over illegale houtkap, en dat hierbij een talib ernstig gewond is geraakt. In zoverre zijn de documenten die eiser in beroep heeft overgelegd en waarmee hij die werkzaamheden kennelijk wil onderbouwen, niet van belang. Het gaat juist om de vraag of aannemelijk is dat eiser als gevolg van dit incident een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit, mede gelet op het tijdsverloop, niet het geval is. Anders dan eiser betoogt, is in het kader van de vraag of een vreemdeling een reëel risico op ernstige schade loopt wel degelijk van belang of sprake is van een tijdsverloop tussen de gebeurtenissen die aanleiding vormden voor vertrek en het daadwerkelijk vertrek van de vreemdeling. [3] Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij in 2013 voor het laatst is bedreigd door de taliban, [4] terwijl hij – gelet op zijn asielrelaas – nadien nog enkele keren contact met de taliban heeft gehad (en dus bij hen in beeld was). Daarom valt niet in te zien waarom de taliban nu, ruim zestien jaar later, nog op zoek zouden zijn naar eiser als gevolg van dit incident en wraak zou willen nemen. Dat conflicten in Afghanistan een langdurig karakter hebben en dat de machtsovername door de taliban oude conflicten heeft doen oplaaien, heeft eiser niet onderbouwd. Met deze enkele stelling maakt eiser niet aannemelijk dat en, zo ja, waarom de taliban nog een wraakmotief jegens hem zouden hebben. De rechtbank ziet daarin dan ook geen reden voor een ander oordeel.
Meningsverschil in 2021 over uitgevoerd werk in opdracht van het landbouwministerie
9. Eiser betoogt dat hij vanwege het meningsverschil over uitgevoerd werk in opdracht van het landbouwministerie in 2021 een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister reduceert dit meningsverschil tot een civiel geschil, maar gaat daarmee voorbij aan het feit dat eiser optrad als vertegenwoordiger van de voormalige Afghaanse overheid en het feit dat het conflict is geëscaleerd toen een talibancommandant bij de zaak is betrokken om druk op eiser uit te oefenen. De achtergrond van deze druk was ook het arbeidsverleden van eiser bij de voormalige Afghaanse overheid. Hierdoor was sprake van machtsasymmetrie en raakte eiser in een kwetsbare positie. Het meningsverschil heeft dus – anders dan de minister stelt – niet alleen een civiel karakter, maar ook een politieke en repressieve dimensie en is daarom asielrechtelijk relevant. Dat het uiteindelijk is gelukt om de talibancommandant te kalmeren, maakt niet dat het risico voor eiser is geweken. Talibancommandanten beschikken immers over een ruime mate van discretie, waardoor ze ook op een later moment nog tot bestraffing of vergelding over kunnen gaan. Evenmin kan eiser worden tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een schadeclaim tegen hem loopt, omdat claims en vergeldingen zich in de context van Afghanistan en de taliban niet alleen manifesteren in formele vorderingen, maar ook in informele en gewelddadige handhaving.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege het meningsverschil in 2021 een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij – in opdracht van het landbouwministerie – bij een bedrijf werk heeft laten uitvoeren door een aannemer, maar dat deze aannemer zijn werk niet goed heeft uitgevoerd. De directeur van dit bedrijf (een talib) stelt eiser daarvoor aansprakelijk en eist een schadevergoeding. Eiser werd daarom meegenomen naar de werklocatie, waar een talibancommandant probeerde om verhaal te halen en eiser vernederde en beledigde. [5] Afgezien nog van de vraag of uit deze verklaringen van eiser kan worden afgeleid dat de talibancommandant druk op hem zette vanwege zijn werkzaamheden voor de (voormalige) Afghaanse overheid en dit incident de door hem gestelde politieke en repressieve dimensie heeft, wijst de minister er terecht op dat eiser ook heeft verklaard dat de directeur van het bedrijf de betrokken talibancommandant heeft weten te kalmeren, waarna eiser slechts met zijn werk is gestopt. [6] De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit impliceert dat met de taliban te ‘bemiddelen’ valt. Dat talibancommandanten over een ruime mate van discretie beschikken en daarom ook later nog tot bestraffing kunnen overgaan, heeft eiser niet onderbouwd en geeft daarom geen reden voor een ander oordeel. Verder heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft onderbouwd dat tegen hem een schadeclaim loopt. Het is aan eiser om zijn asielrelaas zo veel mogelijk te onderbouwen. [7] De enkele stelling dat schadeclaims in Afghanistan ook informeel kunnen zijn – wat daar overigens ook van zij – ontslaat eiser niet van die verplichting.
Discussie over toe-eigening van grond in 2021
10. Eiser betoogt dat hij als gevolg van een discussie over de toe-eigening van grond in 2021 een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister reduceert ook dit incident ten onrechte tot een civiele kwestie zonder asielrechtelijke relevantie. De man die zich deze grond heeft toegeëigend, houdt eiser verantwoordelijk voor de dood van zijn twee zoons die als talibanstrijders op het perceel zijn omgekomen. Het dorpshoofd heeft vervolgens informatie over de verblijfplaats van eiser aan de taliban doorgespeeld. Het ogenschijnlijk civiele conflict is daarmee verworden tot een kwestie waarbij de taliban betrokken zijn. Dat eiser dit niet expliciet heeft verklaard tijdens het nader gehoor, doet daar niet aan af en mag hem niet worden tegengeworpen. Eiser heeft zijn vrees verwoord als angst om te worden opgepakt en vermoord door de huidige eigenaar van de grond, maar dat sluit niet uit dat de drijfveer van deze man is gelegen in wraakmotieven vanwege de dood van zijn twee zoons. Bovendien heeft de minister niet onderkend dat Afghaanse grondgeschillen vaak nauw zijn verweven met lokale machtsstructuren, eerkwesties en gewapende groeperingen, waarbij de taliban als (partijdige) informele geschilbeslechters optreden.
10.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser als gevolg van de discussie over de toe-eigening van grond in 2021 een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft zich in de eerste plaats onbetwist op het standpunt gesteld dat eiser uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij de toegeëigende grond niet (meer) wil en ook niet wil terugeisen, [8] zodat niet valt in te zien waarom de nieuwe bezitter van de grond de taliban zou willen aanzetten om eiser te vermoorden, met als doel er zeker van te zijn dat de grond nu van hem is. Verder is het op zichzelf genomen juist dat eiser tijdens het nader gehoor (ook) heeft verklaard dat hij door de nieuwe bezitter van de grond wordt beschuldigd van de dood van zijn twee zoons. Maar de minister wijst er terecht op dat eiser op de uitdrukkelijke vraag waarvoor hij nu concreet vreest slechts heeft geantwoord dat de nieuwe bezitter van de grond de taliban zal aanzetten om hem op te pakken en te vermoorden, zodat de nieuwe bezitter er zeker van is dat de grond helemaal van hem is. [9] Eiser heeft op dat moment dus niet verklaard dat de nieuwe bezitter wraak op hem zou willen nemen als gevolg van de dood van zijn twee zoons (en dat hij als gevolg daarvan vreest te worden vermoord), noch dat deze zoons talib zouden zijn. Dat heeft hij pas in de correcties en aanvullingen gedaan. Aangezien dit gaat om de kern van het asielrelaas, verwacht de minister terecht van eiser dat hij deugdelijk uitlegt waarom hij zijn verklaringen op dit punt aanvult en hierover niet al tijdens het nader gehoor heeft verklaard. [10] Die uitleg heeft eiser niet gegeven, zodat de minister ook niet van die aanvulling had hoeven uitgaan. Dat Afghaanse grondgeschillen vaak nauw zijn verweven met lokale machtsstructuren en dat de taliban als (partijdige) informele geschilbeslechters optreden, leidt tot slot niet tot een ander oordeel, nu eiser heeft aangegeven de grond niet terug te willen eisen. Eiser heeft die stelling ook niet onderbouwd.
Legale uitreis
11. Eiser betoogt dat de minister niet in het nadeel van eiser had mogen meewegen dat hij Afghanistan op legale wijze heeft verlaten. De minister erkent in het bestreden besluit aan de ene kant dat de controles van de taliban willekeurig en inconsistent zijn, maar stelt aan de andere kant dat de taliban beschikken over een efficiënt inlichtingenstelsel en databases van gezochte personen. Dat is tegenstrijdig. Daarnaast maakt de minister niet inzichtelijk waarom eiser herkend of tegengehouden had moeten worden als hij daadwerkelijk risico liep. Tot slot onderkent de minister niet dat uitreis en terugkeer verschillend zijn. De terugkeer is het moment waarop de controle, ondervraging en bestraffing plaatsvinden – in het bijzonder voor voormalig overheidsfunctionarissen of personen die lange tijd in het Westen hebben verbleven. Dat eiser in het verleden zonder problemen kon vertrekken (bijvoorbeeld omdat de taliban zijn vertrek gedoogden of faciliteerden), sluit niet uit dat hij bij terugkeer alsnog met repressieve maatregelen wordt geconfronteerd. Eiser verwijst in dat verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. [11]
11.1.
Dit betoog slaagt niet. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij Afghanistan op legale wijze heeft verlaten en dat hij bij het uitreizen geen problemen heeft ondervonden. [12] De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit afbreuk doet aan het risico op ernstige schade dat eiser stelt te lopen en heeft dit ook terecht in het nadeel van eiser meegewogen. Eiser vreest dat de taliban hem als gevolg van de incidenten in 2010 en 2021 wil doden. Met het oog daarop zijn leden van de taliban zelfs bij eiser thuis geweest om hem te zoeken. [13] De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister zo dat tegen de achtergrond van die vrees niet valt te begrijpen waarom de taliban – gegeven het feit dat zij over de personeelsbestanden van de voormalige Afghaanse overheid en een efficiënt inlichtingenstelsel beschikken [14] – eiser zouden laten gaan als hij Afghanistan wil verlaten (en hem pas bij terugkeer zouden willen straffen), ook als daarin wordt betrokken dat controles van de taliban soms willekeurig kunnen zijn en niet elke talib over dezelfde informatie beschikt. De rechtbank kan dat standpunt volgen en ziet daarin, anders dan eiser, geen tegenstrijdigheid. In zoverre is ook de door eiser aangehaalde uitspraak van zittingsplaats Haarlem van deze rechtbank niet vergelijkbaar met de zaak van eiser. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om nader te onderbouwen waarom hij bij terugkeer te maken zal krijgen met repressieve maatregelen door de taliban, en dat heeft hij niet gedaan.
Terugkeer uit het Westen
12. Voor zover eiser op zitting nog, onder verwijzing naar rechtspraak, [15] heeft betoogd dat hij alleen al een reëel risico op ernstige schade loopt omdat hij terugkeert uit het Westen, slaagt dat betoog niet. De minister wijst er terecht op dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een terugkeer naar Afghanistan vanuit het Westen op zichzelf nog niet betekent dat een reëel risico op ernstige schade bestaat, en dat dit risico afhangt van de individuele omstandigheden van de vreemdeling. [16] Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 8.1, 9.1 en 10.1 heeft overwogen, volgt dat het niet aannemelijk is dat eiser als gevolg van zijn eerdere problemen met de taliban een reëel risico op ernstige schade loopt. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser om de enkele reden dat hij terugkeert vanuit het Westen wél een reëel risico op ernstige schade zou lopen.
Conclusie over deze beroepsgrond
13. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt.
Had de minister eiser een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM moeten verstrekken?
14. Eiser betoogt dat de minister hem op grond van artikel 8 van Pro het EVRM een verblijfsvergunning had moeten verstrekken, omdat hij familie- en gezinsleven heeft met zijn echtgenote en zijn minderjarige kind. De toepassing van artikel 8 van Pro het EVRM is niet beperkt tot relaties die uitsluitend met documenten worden aangetoond, maar is afhankelijk van de feitelijke invulling van het familie- en gezinsleven. Documenten zijn daarvoor niet doorslaggevend, en bovendien is het voor eiser – vanwege de culturele en praktische realiteit – niet mogelijk om aan documenten te komen. Eiser heeft vanaf het begin van de procedure echter consequent verklaard dat hij een echtgenote in Nederland heeft en dat hij met haar en de kinderen feitelijk gezinsleven onderhoudt. Eiser heeft een affectieve band met zijn gezin en verricht dagelijkse zorg- en opvoedingstaken. Het gezin is ook kwetsbaar: de kinderen kampen met medische en psychische problemen en de echtgenote van eiser draagt (mede daardoor) een zware zorglast, waar eiser bij ondersteunt. De minister heeft dat niet onderkend en heeft de verklaringen van eiser en de overgelegde foto’s ten onrechte terzijde geschoven. Daarnaast heeft de minister het belang van de kinderen niet voorop gesteld en heeft hij geen afweging van de belangen van de kinderen gemaakt, terwijl hij daartoe wel gehouden is. [17]
14.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft eiser niet in het bezit hoeven stellen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. In de eerste plaats stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser familie- en gezinsleven met zijn gestelde partner heeft. Eiser kan familie- of gezinsleven met zijn partner hebben als zij zijn getrouwd of als zij een reële relatie hebben die op een lijn te stellen is met een huwelijk. [18] Eiser heeft echter niet onderbouwd dat hij met zijn partner is getrouwd, en het valt niet in te zien waarom het om culturele of praktische redenen niet mogelijk zou zijn om dit huwelijk te onderbouwen. Daarnaast wijst de minister er niet ten onrechte op dat eiser tijdens het nader gehoor summier heeft verklaard over de feitelijke invulling van de relatie met zijn partner, omdat hij slechts over huishoudelijke taken heeft verklaard en heeft verklaard dat zij tijd spenderen door “man en vrouw te zijn.” [19] In de tweede plaats stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser familie- en gezinsleven met zijn gestelde minderjarige kind heeft, omdat hij niet heeft onderbouwd dat hij de vader van dit kind is. Het valt ook hier niet in te zien waarom eiser de familierechtelijke relatie met zijn gestelde kind om culturele of praktische redenen niet zou kunnen onderbouwen. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat de minister onvoldoende waarde heeft gehecht aan de overgelegde verklaringen en foto’s. Nog daargelaten dat eiser deze pas in beroep heeft overgelegd, wijst de minister er terecht op dat niet altijd duidelijk is van wie die verklaringen precies afkomstig zijn en dat het maar de vraag is in hoeverre daaruit volgt welke rol eiser precies in het leven van het kind speelt. De minister hoeft daarom aan die verklaringen en foto’s niet de waarde toe te kennen die eiser daaraan gehecht wenst te zien. In het verlengde hiervan ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat de minister het belang van het kind onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken.
Mocht de minister eiser een terugkeerbesluit opleggen?
15. Eiser betoogt dat de minister hem geen terugkeerbesluit mocht opleggen. Een terugkeerbesluit is volgens eiser een zelfstandig besluit dat moet voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid, proportionaliteit en een individuele beoordeling. De minister heeft echter slechts gewezen op de afwijzing van de asielaanvraag, waarbinnen de minister geen deugdelijke beoordeling heeft gemaakt van het risico op reële schade dat eiser bij terugkeer stelt te lopen en waarbinnen de minister het familie- en gezinsleven van eiser onjuist heeft beoordeeld.
15.1.
Dit betoog slaagt niet. De afwijzing van een asielaanvraag heeft van rechtswege tot gevolg dat aan eiser een terugkeerbesluit wordt opgelegd. [20] Het terugkeerbesluit is daarmee onderdeel van het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, zodat de minister het terugkeerbesluit niet apart had moeten motiveren.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser daarom niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Een talib is een lid van de taliban.
3.Zie paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals deze gold tot 12 juni 2026.
4.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 december 2025, p. 21.
5.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 december 2025, p. 9-10 en 15-16.
6.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 december 2025, p. 16.
7.Vergelijk artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.
8.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 december 2025, p. 10.
9.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 december 2025, p. 9-10.
10.Vergelijk ABRvS 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3460, r.o. 8.3.
11.Rb. Den Haag (zp Haarlem) 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5841.
12.Zie het verslag van het aanmeldgehoor van 16 september 2024, p. 11.
13.Vergelijk het verslag van het nader gehoor van 8 december 2025, p. 12.
14.De minister heeft in dit verband verwezen naar het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023, p. 44 en 71.
15.Rb. Den Haag (zp Haarlem) 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17419, r.o. 7.1 en 7.5; Rb. Den Haag (zp Haarlem) 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5841.
16.ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, r.o. 12.2.
17.Eiser wijst op artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
18.Vergelijk paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000.
19.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 december 2025, p. 23-24.
20.Dat staat in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.