ECLI:NL:RBDHA:2026:20092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/20442, AWB 25/20443, AWB 25/23517 en AWB 25/25318
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:2 AwbArt. 6:15 AwbArt. 5 Wet COAArt. 7 Rvavan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt onzorgvuldige beëindiging opvang vergunninghouder door COA

Eiser, een vergunninghouder met een verblijfsvergunning asiel, verbleef sinds juli 2025 in een AZC en verzocht om overplaatsing naar Amsterdam vanwege zijn partner. Het COA beëindigde op 29 augustus 2025 de opvang en verstrekkingen, omdat passende huisvesting bij de partner was vastgesteld. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank oordeelt dat de mondelinge aanzegging van het COA niet als een besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt, maar dat deze aanzegging wel een rechtens relevante handeling is waartegen beroep openstaat vanwege de onzorgvuldige wijze waarop het COA zijn bevoegdheid heeft uitgeoefend. Het COA had eiser en zijn partner niet de gelegenheid gegeven om bezwaren te uiten, terwijl de indruk werd gewekt dat de tijdelijke regeling geen invloed had op de opvang.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en de aanzegging, waardoor eiser recht houdt op opvang en verstrekkingen. Het beroep tegen de weigering tot heropname in de opvang wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het COA wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de onzorgvuldige beëindiging van de opvang door het COA en herstelt het recht van eiser op opvang en verstrekkingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 25/20442 (beroep)
AWB 25/20443 (voorlopige voorziening)
AWB 25/23517 (beroep)
AWB 25/23518 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1983, van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COA

(gemachtigde: mr. A.D. Röell).

Procesverloop

AWB 25/20442 en AWB 25/20443
Het COA heeft op 29 augustus 2025 eiser aangezegd dat zijn opvang en verstrekkingen zouden worden beëindigd.
Eiser heeft hier op 19 september 2025 bezwaar tegen gemaakt.
Het COA heeft bij besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit I) het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het COA heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
AWB 25/23517 en AWB 25/23518
Bij besluit van 28 november 2025 (het bestreden besluit II) heeft het COA het verzoek van eiser om opnieuw te worden toegelaten tot de COA-opvang afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het COA heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
Alle zaken
De enkelvoudige kamer van de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de bovengenoemde beroepen en verzoeken om een voorlopige voorziening van eiser op 30 januari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, H. Abdullah als tolk in de Engelse taal, de gemachtigde van eiser, mr. J.S.W. Boorsma en mr. L.A. van Els als gemachtigden van het COA.
De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de heer J. Ankomah als tolk in de Engelse taal, de gemachtigde van het COA en mr. A. van Beurden, werkzaam bij het COA.

Overwegingen

De griffierechten
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de griffierechten. De rechtbank wijst dat verzoek toe. Eiser hoeft dus geen griffierechten te betalen.
AWB 25/20442 en AWB 25/20443
Wat is aan deze zaak voorafgegaan?
2. Eiser heeft op 9 augustus 2018 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 5 augustus 2025 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel verleend.
2.1.
Eiser heeft sinds juli 2025 verbleven in het AZC [1] in [plaats] . Eiser heeft na aankomst in [plaats] aan het COA verzocht hem over te plaatsen naar een AZC in Amsterdam in afwachting van het verkrijgen van een eigen woning. Hij heeft op 13 augustus 2025 een huisvestingsgesprek gevoerd met een programmabegeleider van het COA. Tijdens dit gesprek is een formulier ‘B06 Huisvesting vergunninghouders’ ingevuld, waarin plaatsingscriteria staan vermeld waar het COA rekening mee houdt bij de bemiddeling naar een passende woonruimte. Op dit formulier is ingevuld dat eiser een partner heeft die in Amsterdam woont ( [persoon] ) en dat eiser verzoekt om plaatsing in de regio Amsterdam.
2.2.
Eiser heeft op dezelfde datum ook via Whatsapp contact gehad met de programmabegeleider. In dit gesprek heeft de programmabegeleider aan eiser voorgesteld om deel te nemen aan de zogeheten ‘grijze bedden-regeling’. Op grond van deze regeling zou eiser buiten het AZC mogen verblijven en zou hij zich enkel wekelijks telefonisch en één keer per maand hoeven te melden bij het AZC in [plaats] . Eiser heeft ingestemd met deelname aan deze regeling en heeft van 14 tot 29 augustus 2025 gebruik gemaakt van de regeling. Eiser heeft in deze periode naar eigen zeggen zo’n tien dagen bij [persoon] overnacht en de overige dagen bij kennissen in Amsterdam verbleven.
2.3.
Een regievoerder van het COA heeft op onbekende datum aan de gemeente Amsterdam gevraagd of de woning van [persoon] als passende huisvesting kan worden aangemerkt. Door de gemeente is bevestigd dat deze woning als passend voor twee personen kan worden aangemerkt. Eiser is op basis hiervan op 27 augustus 2025 gekoppeld aan de gemeente Amsterdam.
2.4.
Op 29 augustus 2025 heeft de programmabegeleider telefonisch aan eiser meegedeeld dat de woning van [persoon] door de gemeente als passende huisvesting is aangemerkt en dat zijn recht op verstrekkingen en opvang in het AZC daarom zou eindigen. Het COA heeft eiser tot 9 september 2025 de tijd gegeven om zich bij de gemeente op het adres van zijn partner in te schrijven en al het noodzakelijke met betrekking tot zijn huisvesting te regelen.
2.5.
De partner van eiser heeft de relatie met eiser op 29 augustus 2025 verbroken en eiser verzocht diens woning te verlaten. Vanaf deze datum is eiser dakloos. Op 10 september 2025 is eiser door het COA uitgeschreven. Eiser heeft zich op 11 september 2025 in [plaats] gemeld om weer toegang te krijgen tot de opvang. Het COA heeft eiser daarop laten weten dat hij niet meer in aanmerking kwam voor opvang.
2.6.
Eiser heeft op 19 september 2025 bezwaar gemaakt tegen de mondelinge aanzegging van het COA van 29 augustus 2025 tot beëindiging van zijn opvang en verstrekkingen. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, inhoudende hem weer terug te plaatsen in een AZC.
2.7.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft dit verzoek bij uitspraak van 23 september 2025 [2] niet-ontvankelijk verklaard.
Het bestreden besluit I
3. In het bestreden besluit I heeft het COA het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het COA is de mondelinge aanzegging tot beëindiging van de opvang van 29 augustus 2025 namelijk geen besluit waartegen bezwaar en/of beroep openstaat. Het COA legt hieraan – samenvattend – ten grondslag dat het recht op opvang van een vergunninghouder gelet op artikel 44 van Pro de Vw [3] en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva [4] van rechtswege eindigt in het geval naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorzieningen kan worden gerealiseerd. In het geval een vergunninghouder een partner heeft, wordt hij geacht bij zijn partner in te trekken, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het COA heeft daarom de gemeente Amsterdam gevraagd of de woning van eisers partner, [persoon] , geschikt was voor de huisvesting van twee personen. De gemeente heeft dit bevestigd. Het COA heeft daarop geconcludeerd dat de woning van [persoon] voor eiser als passende huisvesting kon worden aangemerkt. Het COA heeft dit op 29 augustus 2025 aan eiser meegedeeld. Deze aanzegging kan niet als appellabel besluit worden gezien, omdat de beëindiging van de verstrekkingen al van rechtswege uit het besluit tot vergunningverlening voortvloeit. Eiser heeft volgens het COA verder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat het COA hem toch buiten de Rva om opvang had moeten bieden.
Appellabel besluit of daarmee gelijk te stellen handeling?
Standpunt eiser
4. Eiser meent dat de feitelijke aanzegging van 29 augustus 2025 wel degelijk een appellabel besluit is. De beoordeling of passende huisvesting kan worden gerealiseerd is namelijk geen van rechtswege intredend gevolg. De vaststelling of daarvan sprake is volgt immers op een beoordeling door het COA van de feitelijke situatie. Daarmee wordt een nieuw rechtsgevolg gecreëerd: vóór die beoordeling heeft eiser recht op verstrekkingen en bemiddelingen naar opvang en daarna niet meer. De beëindiging van de verstrekkingen treedt dus niet van rechtswege in, maar pas na inmenging door het COA. Dit betreft dan ook een publiekrechtelijke rechtshandeling. Eiser stelt dat de uitspraken van de Afdeling [5] van 28 oktober 2005 [6] en 22 maart 2018 [7] niet meer als richtinggevend kunnen worden beschouwd. Op grond van artikel 26 van Pro de Opvangrichtlijn [8] moet tegen beslissingen met betrekking tot de intrekking of beperking van voorzieningen beroep openstaan. Dit volgt ook uit artikel 13 van Pro het EVRM [9] en artikel 47 van Pro het Handvest [10] . Omdat de bestuursrechtelijke procedure de enige manier is om het oordeel over passende huisvesting door een rechter te laten toetsen, moet de feitelijke aanzegging van 29 augustus 2025 dan ook als een appellabel besluit worden aangemerkt.
4.1.
Voor zover wel nog steeds van de uitspraken van de Afdeling dient te worden uitgegaan, meent eiser dat de memorie van toelichting desondanks ruimte biedt om een beroep tegen een besluit als de onderhavige inhoudelijk te beoordelen. Eiser meent dat in zijn geval een rechterlijke beoordeling van de beëindiging van de opvangvoorzieningen noodzakelijk was, gelet op de onrechtmatige wijze waarop het COA van zijn bevoegdheid tot beëindiging van de opvang gebruik heeft gemaakt. Hij meent dan ook dat op grond van artikel 5 van Pro de Wet COA tegen de aanzegging rechtstreeks beroep openstaat bij de bestuursrechter. Het COA had het bezwaar tegen de aanzegging daarom door moeten zenden naar de rechtbank en heeft ten onrechte zelf op het bezwaar beslist. Het bestreden besluit moet om die reden aangemerkt worden als een onverplicht genomen besluit.
Het oordeel van de rechtbank
4.2.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de feitelijke aanzegging van 29 augustus 2025 dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb [11] , dan wel op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA als handeling van het COA met een beschikking dient te worden gelijkgesteld.
4.3.
Omdat de feitelijke aanzegging mondeling aan eiser is meegedeeld, kan deze niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb worden aangemerkt. Daarvoor is namelijk vereist dat het gaat om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan.
4.4.
Ten aanzien van de vraag of de aanzegging op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA dient te worden aangemerkt als een rechtens relevante handeling die met een beschikking moet worden gelijkgesteld, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 28 oktober 2005 [12] en 22 maart 2018 [13] overwogen dat het besluit tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gelet op artikel 44, eerste lid, van de Vw van rechtswege het beëindigen van de verstrekkingen tot gevolg heeft. Dit rechtsgevolg treedt gelet op die bepaling, in samenhang gelezen met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva in op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. Een feitelijke aanzegging om de opvanglocatie te verlaten is uitsluitend een mededeling van het COA van de uit het besluit tot vergunningverlening van rechtswege ingetreden of intredende gevolgen en roept zelf geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven. De aanzegging is naar het oordeel van de Afdeling daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb of een rechtens relevante handeling als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet COA.
4.5.
In de memorie van toelichting [14] bij de Wet COA – die in de voornoemde Afdelingsuitspraak van 28 oktober 2005 wordt aangehaald – staat dat uit het systeem van de Vw 2000 volgt dat niet snel sprake is van een afzonderlijk besluit tot beëindiging van de verstrekkingen waartegen beroep kan worden ingesteld. Doorgaans zal afzonderlijk beroep tegen de van rechtswege intredende gevolgen ook niet nodig zijn. Het kan volgens de memorie van toelichting vanuit een oogpunt van rechtsbescherming echter toch noodzakelijk zijn om een nieuw besluit of nieuwe handeling aan te nemen waartegen beroep bij de bestuursrechter openstaat. Een afzonderlijke, hernieuwde beoordeling kan noodzakelijk zijn indien het beroep betrekking heeft op de wijze waarop van de bevoegdheid tot beëindiging van de opvang gebruik is gemaakt. Ook is denkbaar dat bij wijze van uitzondering door tijdsverloop opnieuw een oordeel nodig is over bijvoorbeeld de beëindiging van de verstrekkingen vanwege een relevante wijziging in de omstandigheden.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat deze passage uit de memorie van toelichting betrekking heeft op artikel 3a van de Wet COA, zoals in werking getreden op 1 april 2001. Deze bepaling is op 1 januari 2011 vernummerd naar artikel 5 van Pro de Wet COA. Nu deze bepaling tekstueel gelijk is aan het destijds geldende artikel 3a van de Wet COA en ook uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat met de vernummering inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd, acht de rechtbank de inhoud van de memorie van toelichting voor de uitleg van artikel 5a van de Wet COA nog steeds relevant. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het vanuit een oogpunt van rechtsbescherming noodzakelijk kan zijn om een handeling ten aanzien van de beëindiging van de door het COA geboden verstrekkingen aan de bestuursrechter voor te leggen. Zoals uit de memorie van toelichting blijkt, bestaat daartoe met name aanleiding als de wijze waarop het COA van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt noopt tot rechterlijke toetsing, dan wel in het geval er gelet op het tijdsverloop sprake is van een dusdanige wijziging in de omstandigheden dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling noodzakelijk is. Nu er bij wijze van uitzondering tegen handelingen tot beëindiging van verstrekkingen beroep bij de bestuursrechter openstaat en tegen dergelijke handelingen in de overige gevallen bij de civiele rechter geprocedeerd kan worden, acht de rechtbank dit stelsel, anders dan eiser stelt, niet in strijd met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zoals bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM en artikel 47 van Pro het Handvest. Het COA heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat artikel 26 van Pro de Opvangrichtlijn niet van toepassing is, omdat deze richtlijn alleen van toepassing is op asielzoekers en niet op vreemdelingen die reeds een asielvergunning hebben verkregen. [15]
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval bij wijze van uitzondering een rechterlijke beoordeling noodzakelijk is om de wijze waarop het COA van zijn bevoegdheid tot beëindiging van de verstrekkingen gebruik heeft gemaakt te beoordelen. De rechtbank acht hiervoor van belang dat eiser in beroep uitdrukkelijk de wijze waarop het COA deze bevoegdheid heeft aangewend heeft bestreden. Eiser heeft in dit kader terecht aangevoerd dat niet is gebleken dat het COA eiser en/of [persoon] voorafgaand aan de aanzegging van 29 augustus 2025 te kennen heeft gegeven dat eiser (mogelijk) zou worden geacht definitief bij [persoon] in te trekken en dat zijn verstrekkingen om die reden zouden worden beëindigd. Uit de overgelegde stukken blijkt juist dat het COA bij eiser steeds de indruk heeft gewekt dat hij op grond van de ‘grijze bedden-regeling’ enkel tijdelijk buiten het AZC zou kunnen verblijven en dat dit geen invloed zou hebben op het verkrijgen van eigen woonruimte. Zo heeft de programmabegeleider van het COA in het Whatsappgesprek over de ‘grijze bedden-regeling’ aan eiser meegedeeld dat zijn deelname geen gevolgen zou hebben voor het verkrijgen van een eigen woning (‘
you will just wait there for your own house’). Daarnaast zijn door eiser formulieren [16] overgelegd, waarin wordt vermeld dat de deelname aan de regeling tijdelijk was en eiser en/of [persoon] hun deelname aan de regeling vroegtijdig kunnen beëindigen. In dat geval zou eiser opnieuw opvang door het COA worden geboden. Ook nadat de gemeente aan het COA had bevestigd dat de woning van [persoon] als passende huisvesting kon worden aangemerkt, heeft het COA eiser en/of [persoon] niet geïnformeerd over de mogelijkheid dat hij bij [persoon] moest intrekken en hen de gelegenheid gegeven eventuele bezwaren hiertegen naar voren te brengen. Het COA heeft – zoals het wel doet in het geval een vreemdeling een aanbod van passende huisvesting weigert – geen woningweigeringsgesprek met eiser gevoerd, waarin eiser dergelijke bezwaren aan had kunnen voeren. Omdat eiser al niet meer verbleef in het AZC in [plaats] en hem na zijn uitschrijving uit het COA de toegang tot het AZC is ontzegd, is het voor eiser ook niet mogelijk geweest om in een eventuele civiele ontruimingsprocedure de rechtmatigheid van de beëindiging van de verstrekkingen aan de orde te stellen.
4.7.1.
Het COA heeft naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt waarom het eiser en/of [persoon] geen gelegenheid heeft geboden zich over de aanwijzing als passende huisvesting uit te laten en licht dat als volgt toe. Het COA heeft naar voren gebracht dat het niet nodig was om [persoon] te vragen of hij ermee instemde dat eiser (definitief) bij hem zou intrekken, omdat eiser al vóór de deelname aan de logeerregeling [17] feitelijk bij [persoon] verbleef. De deelname aan de logeerregeling is volgens het COA abusievelijk aan eiser geopperd, omdat eiser geruime tijd en voortdurend aan het COA heeft bevestigd dat hij uitsluitend dan wel hoofdzakelijk bij [persoon] verbleef. In het (niet-gepubliceerde) ‘Beleidskader Huisvesting en uitstroom van vergunninghouders’ staat dat het uitgangspunt is dat een asielzoeker (de rechtbank begrijpt: de vergunninghouder) bij de partner intrekt, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke aantoonbare omstandigheden. Dit beleid ziet op vreemdelingen die administratief zijn geplaatst bij hun echtgenoot of partner en vervolgens een verblijfsvergunning hebben gekregen. Hoewel eiser niet administratief was geplaatst bij zijn partner, volgt volgens het COA uit zijn verklaringen dat hij feitelijk (veelal) bij zijn partner verbleef en hij al een aantal jaar met [persoon] een duurzame en stabiele relatie had. Daarom is na het bericht van de gemeente dat de woning van [persoon] geschikt was voor twee personen, geconcludeerd dat deze woning voor eiser als passende huisvesting kon worden aangemerkt.
4.7.2.
De rechtbank overweegt echter dat uit de overgelegde stukken niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser geruime tijd feitelijk bij [persoon] heeft verbleven. In het huisvestingsgesprek van 13 augustus 2025 heeft eiser verklaard een partner te hebben die in Amsterdam woont, maar uit het gespreksverslag blijkt niet dat met eiser is besproken waar hij op dat moment feitelijk verbleef en of hij bereid was (voor een langere periode) bij zijn partner in te trekken. Weliswaar wordt in het verslag van het ‘Begeleidingsgesprek participatie’ van 14 augustus 2025 vermeld dat eiser heeft verklaard dat hij nu bij zijn partner in Amsterdam verblijft, maar eiser wijst erop dat hij dit heeft gezegd omdat hij diezelfde dag toestemming had gekregen om deel te nemen aan de logeerregeling en hiervoor een verklaring heeft ondertekend. Daarbij acht de rechtbank relevant dat verweerder heeft erkend dat de logeerregeling ten onrechte werd aangeboden en dat deze niet bedoeld is voor partners, maar voor kort verblijf bij vrienden, familie of een gastgezin. Gelet op het woord ‘nu’ kan de verklaring van eiser aldus worden opgevat dat eiser heeft verklaard dat hij vanaf die dag op grond van de logeerregeling bij zijn partner verbleef. Eiser heeft zelf naar voren gebracht dat hij nooit zijn hoofdverblijf heeft gehad bij [persoon] en hoogstens drie tot vier keer per maand bij [persoon] verbleef. Hij heeft ter onderbouwing van deze stelling een brief van de gemeente van 14 april 2025 overgelegd waarin staat dat voor zijn partner woonruimte in Amsterdam is gevonden en een overzicht van de door hem gemaakte treinreizen in de periode van 1 mei 2025 tot en met 30 september 2025. Volgens eiser kan hieruit worden opgemaakt dat hij vanaf mei 2025 nauwelijks in Amsterdam heeft overnacht en die dagen dus niet bij zijn partner heeft verbleven. Hoewel uit dit overzicht niet zonder meer kan worden afgeleid waar eiser in deze periode feitelijk heeft verbleven, heeft eiser hiermee wel twijfel gezaaid over de aanname van het COA dat hij al voordat hij een asielvergunning kreeg geruime tijd feitelijk bij zijn partner heeft verbleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het COA zijn standpunt dat om deze reden de instemming van [persoon] niet meer hoefde te worden gevraagd, onvoldoende heeft onderbouwd. Daar komt bij dat volgens het ‘Beleidskader Huisvesting en uitstroom van vergunninghouders’ in zeer uitzonderlijke aantoonbare omstandigheden kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat een vergunninghouder bij zijn partner intrekt. Het COA heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom er geen aanleiding bestond in dit kader bij eiser en/of [persoon] navraag te doen of hiervan sprake is.
4.8.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande reden om de aanzegging tot beëindiging van de opvang van 29 augustus 2026 toch als rechtens relevante handeling in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA aan te merken. Tegen een dergelijke handeling staat geen bezwaar, maar beroep bij de rechtbank open. [18] Het COA had het bezwaarschrift van 19 september 2025 tegen de aanzegging op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb dan ook als beroepschrift door moeten zenden naar de rechtbank. In plaats daarvan heeft het COA onbevoegd het bestreden besluit van 20 oktober 2025 genomen. De rechtbank zal het bestreden besluit I daarom vernietigen en het bezwaarschrift tegen de feitelijke aanzegging alsnog als beroepschrift tegen de feitelijke aanzegging van 29 augustus 2026 in behandeling nemen.
Heeft het COA onzorgvuldig gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot beëindiging van de verstrekkingen van eiser?
5. De rechtbank is in het licht van het onder 4.7. tot en met 4.7.2 geschetste feitenverloop van oordeel dat het COA onzorgvuldig heeft gehandeld door bij eiser de indruk te wekken dat hij op grond van de ‘grijze bedden-regeling’ enkel tijdelijk bij zijn partner zou verblijven, om vervolgens de opvang van eiser te beëindigen op de grond dat sprake is van passende huisvesting, zonder dat eiser en/of diens partner op enig moment in de gelegenheid zijn gesteld om hun eventuele bezwaren hiertegen naar voren te brengen. De feitelijke aanzegging van 29 augustus 2025 kan alleen al daarom geen stand houden. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en de aanzegging vernietigen. De overige gronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer.
AWB 25/23517 en AWB 25/23518
6. Omdat de rechtbank de aanzegging van 29 augustus 2025 zal vernietigen, moeten de verstrekkingen die eiser op grond van de Rva werden geboden worden geacht nooit te zijn beëindigd. Eiser heeft zodoende nog steeds recht op opvang en de overige hem toekomende verstrekkingen op grond van de Rva. Eiser heeft daardoor al bereikt wat hij met deze procedure beoogde te bereiken, te weten het herkrijgen van het recht op opvang en verstrekkingen door het COA. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de weigering van het COA om hem (opnieuw) toegang tot de opvang te verlenen. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit II daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Het verzoek om schadevergoeding
7. Eiser meent dat hij recht heeft op een schadevergoeding omdat hij vanaf 29 augustus 2025 ten onrechte geen aanspraak heeft kunnen maken op Rva-verstrekkingen. Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van geleden immateriële schade, maar heeft dit verzoek op de zitting van 20 mei 2026 laten vallen. Met de vernietiging van de aanzegging van 29 augustus 2025 heeft eiser recht op de verstrekkingen. Eiser heeft niet onderbouwd welke materiele schade hij verder heeft geleden. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit I onbevoegd is genomen en zal dit besluit daarom vernietigen. De rechtbank merkt het bezwaarschrift tegen de feitelijke aanzegging van 29 augustus 2025 aan als beroepschrift en verklaart het beroep gegrond omdat het COA in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb onzorgvuldig van zijn bevoegdheid tot beëindiging van de verstrekkingen gebruik heeft gemaakt. De rechtbank vernietigt daarom deze feitelijke aanzegging. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
9. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk.
10. Omdat de rechtbank met deze uitspraken op de beroepen met zaaknummers AWB 25/20442 en AWB 25/23517 beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen. De rechtbank zal de verzoeken hiertoe daarom afwijzen.
11. De rechtbank veroordeelt het COA in de door eiser voor de procedures AWB 25/20442 en AWB 25/20443 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de meervoudige kamer van 20 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). Voor een proceskostenvergoeding voor de procedures AWB 25/23517 en AWB 25/23518 bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer AWB 25/20442:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 20 oktober 2025 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2025;
- verklaart het beroep tegen de aanzegging van 29 augustus 2025 gegrond;
- vernietigt de aanzegging van 29 augustus 2025;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer AWB 25/23517:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd met de zaaknummers AWB 25/20443 en AWB 25/23518:
- wijst de verzoeken af;
De rechtbank/voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd met de zaaknummers AWB 25/20442 en AWB 25/20443:
- veroordeelt het COA in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. V.F.J. Bernt en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Asielzoekerscentrum.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.JV 2005/468.
8.Richtlijn 2013/33/EU tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.Algemene wet bestuursrecht.
12.Zie voetnoot 6.
13.Zie voetnoot 7.
14.Kamerstukken II 1999-2000, 26 975, nr. 3.
15.Zie artikel 3, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.
16.Het gaat om het aan eiser verstrekte Engelstalige formulier ‘Lodging Agreement’ en een door [persoon] ondertekend Nederlandstalig formulier.
17.Het COA maakt in zijn correspondentie wisselend gebruik van de termen ‘grijze bedden-regeling’ en ‘logeerregeling’.
18.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:139, onder 4.1.