Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Geschil6.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9&g=2025-07-15&z=2025-07-15)blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
artikel 22 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22&g=2025-07-15&z=2025-07-15), dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
artikel 26 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26&g=2025-07-15&z=2025-07-15);
In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiser verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiser gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU Pro ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
De grief van eiser dat uit de koerslijst X-Ray volgt dat de heffing kennelijk begrensd is met een uitstoot van 156 gram voor een soortgelijk binnenlands voertuig, waardoor verweerder het risico op schending van artikel 110 VWEU Pro kennelijk aanvaardt, omdat voor de auto uitgegaan wordt van de werkelijke uitstoot van het voertuig zonder de waarde van het importvoertuig te vergelijken met de waarden van soortgelijke binnenlandse voertuigen, leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. Op geen enkele wijze is immers gebleken dat verweerder in de praktijk voorrang geeft aan hetgeen eiser heeft gesteld met betrekking tot de betreffende koerslijst boven de wettelijke bepalingen inzake de uitstoot van CO² en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond, en
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op