ECLI:NL:RBDHA:2026:20110

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
24/23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 6 Wet bpmArt. 7:2 AwbArt. 3:2 AwbArt. 20 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag bpm en toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag bpm opgelegd door de Belastingdienst voor een gebruikte Audi Q3 uit Frankrijk. De naheffingsaanslag werd deels verminderd in bezwaar, maar eiser vorderde verdere vermindering en vergoeding van proceskosten, griffierecht en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat eiser in de bezwaarfase voldoende is gehoord en dat het recht op een eerlijk proces niet is geschonden. De rechtbank wijst erop dat het opleggen van een naheffingsaanslag na het belastbare feit niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. Wel acht de rechtbank het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage te laag en vermindert de naheffingsaanslag dienovereenkomstig.

Verder oordeelt de rechtbank dat de proceskostenvergoeding in bezwaar te laag is vastgesteld en wijst een hogere vergoeding toe. Ook wordt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim 16 maanden. De rechtbank draagt verweerder op de belastingrente en griffierecht te verminderen en te vergoeden. Het beroep wordt gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 11.213.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag bpm verminderd tot € 11.213 en immateriële schadevergoeding en proceskosten toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/23

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 20 januari 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 11.969. Er is daarbij een bedrag van € 59 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2023 het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd met € 50. De belastingrente is overeenkomstig verminderd, met € 1. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 592 aan proceskosten vergoed.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 7 december 2021, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Audi Q3 uit Frankrijk met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De registratie is op
15 december 2021 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] . De auto is op 6 december 2021 gekeurd door de Dienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
18-05-2021
CO2-uitstoot
228 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 69.984
Bruto bpm
€ 35.630
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 115.989
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 30.000
Verschuldigde bpm
€ 9.213
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van Leitex Auto Taxaties, door [naam 4] ondertekend. Daarin is vermeld dat auto fysiek is opgenomen op 6 december 2021 tussen 15:35 en 15:55 uur te Leiden. Verder is daarin vermeld dat auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 70.404 (waarde herleid aan de hand van vijf referentievoertuigen) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 9.077,37 inclusief btw. Bij het taxatierapport is geen inkoopfactuur of inkoopverklaring van de auto gevoegd.
4. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 21 december 2021 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ naar aanleiding van de schouw zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Datum eerste toelating
18-05-2021
CO2-uitstoot
228 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 77.765
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 125.404
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 74.564 (koerslijst Autotelex Pro )
Bruto schadecalculatie
€ 254
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 183
Handelsinkoopwaarde
€ 74.381
5. Bij brief van 16 november 2022 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor de auto. Uitgaande van de gegevens van DRZ, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 21.182. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 9.213), resteert een te betalen bedrag van € 11.969. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 21 december 2022 heeft verweerder eiser medegedeeld een naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd en daarbij € 59 aan belastingrente opgeteld.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
De naheffingsaanslag dient te worden verminderd wegens discriminatie van soortgelijke voertuigen;
De belastingrente die eiser in rekening is gebracht is in strijd met artikel 110 VWEU Pro;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
De bij de uitspraak op bezwaar toegekende proceskostenvergoeding is te laag.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert eiser tot vermindering van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief a)
10. Verweerder heeft (de gemachtigde) van eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek, waarna een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Op 8 november 2023 vond er een telefonisch hoorgesprek plaats. Het hoorverslag is als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser in de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van het recht gehoord te worden, wat ertoe leidt dat de hoorplicht derhalve niet is geschonden. Het enkele feit dat eiser ten tijde van het hoorgesprek in bezwaar een andere gemachtigde had, doet aan het voorgaande niet af. De grief faalt.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief b)
11. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
12. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 16 november 2022, respectievelijk 21 december 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van Pro de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder om een naheffingsaanslag op te leggen (grief c)
13. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste – omzetbelasting wordt gebruikt brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief d)
14. Eiser heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
15. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 40,69% in het onderhavige geval ontleend aan de koerslijst Autotelex Pro. Eiser verdedigt een afschrijvingspercentage van 42,67% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de onjuiste historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 125.404 toe. Dit had het bedrag van € 129.725 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiser.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder stelt in zijn nadere stuk van
4 februari 2026 dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden met € 706 tot een bedrag van € 11.213 en dat de belastingrente overeenkomstig verminderd dient te worden met € 3 tot een bedrag van € 55. De rechtbank acht deze berekening juist en neemt deze over. De grief van eiser slaagt.
Bewijslast en soortgelijke voertuigen (grief e)
17. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder dient te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan nog rust op soortgelijke, reeds in het binnenland geregistreerde, soortgelijke voertuigen. De rechtbank overweegt als volgt. De belasting voor de bpm dient op aangifte te worden voldaan (artikel 6 van Pro de Wet bpm). Bij het doen van aangifte voor de bpm dient eiser de daartoe van belang zijnde gegevens aan te leveren voor de bepaling van de verschuldigde bpm. Indien belanghebbende wil afwijken van de door hem gehanteerde afschrijving, rust op hem in beginsel de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken waaruit volgt dat en in hoeverre de afschrijving te laag is (ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.4). Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling (ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3). De grief slaagt niet.
18. Eiser heeft ook aangevoerd dat er een beroep wordt gedaan op de zogeheten herleidingsmethode. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134 gezegd dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden om de vermindering van de bpm te berekenen. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel.
Belastingrente en artikel 110 VWEU Pro (grief f)
19. Verweerder heeft eiser belastingrente in rekening gebracht. Dat is, zo heeft eiser gesteld, in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu belastingrente onder het bereik van artikel 110 VWEU Pro valt (Hof van Justitie, 27 april 2022, AirBNB Ierland/ Brussels Hoofdstedelijk Gewest, EU:C:2022:303, r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Eiser heeft in dit kader gewezen op het hiervoor vermelde arrest van het Hof van Justitie. Daarin wordt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, in punt 27 overwogen dat het begrip “fiscale bepalingen” van artikel 114, tweede lid, VWEU zowel ziet op materiële regels als op procedureregels en dat de wijze van invordering niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort. Derhalve valt de heffing van belastingrente onder de reikwijdte van 110 VWEU. Verweerder heeft dat gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.
20. De rechtbank stelt voorop dat het Airbnb-arrest geen betrekking heeft op artikel 110 VWEU Pro, maar antwoord geeft op vragen over Richtlijn 2000/31/EG en het dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro. In onderhavige zaak is noch die Richtlijn van toepassing noch is sprake van dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro.
21. In artikel 6 van Pro de Wet Bpm is bepaald dat tot 1 januari 2022 de belasting op aangifte moet worden voldaan voordat een personenauto op naam is gesteld in het kentekenregister. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat ook bij de registratie van binnenlandse personenauto’s geen kenteken wordt afgegeven zolang de ter zake van die registratie verschuldigde belasting niet is voldaan. Zo de nadere invulling van artikel 114, tweede lid, VWEU uit het Aribnb-arrest al onverkort heeft te gelden voor artikel 110 VWEU Pro, is in het voorliggend geval dan ook geen sprake van een met artikel 110 VWEU Pro strijdig verschil in heffingsmodaliteiten. Dat er wellicht bij de registratie van een ingevoerde gebruikte auto een langere periode kan zijn gelegen tussen de betaling van de verschuldigde belasting en de registratie van die auto dan bij de registratie van een binnenlandse auto en daardoor wellicht rentenadeel wordt ondervonden, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de heffingssystematiek maar van de keuze om het voertuig pas op een latere datum te laten registreren (zie ook Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.).
22. Het in rekening brengen van belastingrente is gebaseerd op het niet tijdig hebben voldaan van het wettelijk verschuldigde bedrag aan belasting. Dat geldt voor zowel binnenlandse voertuigen als voor voertuigen welke hier te lande worden ingevoerd. Een onderscheid wordt daarbij derhalve niet gemaakt. Van strijd met artikel 110 VWEU Pro kan dan ook niet worden gesproken. Het vorenstaande geldt, zo oordeelt de rechtbank, onverkort voor het voldoen van bpm na 1 januari 2022 waarbij het belastbare feit is verlegd naar het doen van aangifte en goedkeuring door de RDW. De rechtbank verwerpt derhalve deze stelling.
De belastingcontrole door verweerder (grief g)
23. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
24. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
25. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiser dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
De toegekende proceskostenvergoeding in de bezwaarfase (grief h)
26. Verweerder heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft eiser volgens het Bpb een proceskostenvergoeding toegekend gekregen van € 592. De rechtbank stelt vast dat eiser een bezwaarschrift heeft ingediend en is verschenen op de hoorzitting van 8 november 2023. Verweerder heeft voor beide proceshandelingen 1 punt toegekend en een wegingsfactor van 1 bij een bedrag per punt van € 296 toegekend.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het Bpb geldt het bedrag van € 666 als de waarde per punt. Verweerder heeft het Bpb niet in acht genomen door klaarblijkelijk een waarde van slechts € 296 per punt te hanteren. Hierdoor is de toegekende vergoeding van de proceskosten in bezwaar te laag uitgevallen. Een juiste toepassing leidt in het onderhavige geval tot een proceskostenvergoeding van € 1.332 (1 punt voor het indienen van het verzoek en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting en een wegingsfactor van 1 bij een bedrag per punt van € 647). Verweerder heeft derhalve € 740 te weinig aan proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep is gegrond.
Conclusie28. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding
29. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de lange afhandelingsduur van de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de opgelegde naheffingsaanslag.
30. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is
overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
31. Het bezwaarschrift is binnengekomen op 9 februari 2023, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 10 november 2023 en de rechtbank doet uitspraak op 14 juli 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met afgerond 16 maanden waarvan 6 maanden zijn toe te rekenen aan de bezwaarfase en 12 maanden aan de beroepsfase.
32. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd moet worden dan wel dat de termijn op een later moment dan het indienen van het bezwaar aanvangt.
33. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 1.500 waarvan € 333 door verweerder en € 1.167 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) vergoed dient te worden.
34. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiser geregistreerd onder nummers SGR 24/23, SGR 24/3724 en SGR 24/4747 die vrijwel identieke geschillen betreffen en die op dezelfde zitting zijn behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat eiser slechts in dit beroep in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade en proceskosten.
Proceskosten en griffierecht
35. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten.
36. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die hij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat aan artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Bpb niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.
37. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op het hoorgesprek met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1.
38. Verweerder moet ook het door eiser betaalde griffierecht van € 187 vergoeden. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 11.213;
  • draagt verweerder op de in rekening gebrachte belastingrente overeenkomstig te verminderen;
  • draagt verweerder op het te weinig betaalde bedrag aan proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, oftewel een bedrag van € 740, aan eiser te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 333, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.167, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 aan eiser te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • neemt voor wat betreft de vergoeding van de immateriële schade en proceskosten bij de zaken met zaaknummers SGR 24/23, SGR 24/3724 en SGR 24/4747 samenhang aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).