ECLI:NL:RBDHA:2026:20119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
23/6796 en 23/6797
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 20 AWRArt. 7 Wet bpmArt. 6a Uitvoeringsregeling bpmArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag bpm voor gebruikte geïmporteerde voertuigen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen naheffingsaanslagen bpm opgelegd door de Belastingdienst voor twee gebruikte motorvoertuigen geïmporteerd uit Noorwegen en Duitsland. De aanslagen betreffen een bedrag van in totaal €13.419, waarbij eiseres onder meer bezwaar maakt tegen de gehanteerde taxatierapporten, de waarderingsmethoden, de heffingsmodaliteiten, en de toepassing van het Unierecht.

De rechtbank overweegt uitgebreid de toepasselijkheid van het Europees recht, met name artikel 110 VWEU Pro, en verwijst naar relevante jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslagen niet in strijd zijn met het Unierecht en dat de Belastingdienst bevoegd is de aanslagen op te leggen, ook na het belastbare feit van registratie in het kentekenregister.

Verder wijst de rechtbank de grieven van eiseres af die zien op de hoorplicht, het verdedigingsbeginsel, de heffing van griffierecht, en de toepassing van de Scandinavische rekenmethode voor CO2-uitstoot. De rechtbank acht de gebruikte forfaitaire afschrijvingstabel en de toegepaste CO2-uitstootbepaling passend en sluit aan bij de jurisprudentie. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslagen bpm wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/6796 en SGR 23/6797

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 23 september 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 13.419. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag 14 september 2023 gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend..
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Namens eiseres is haar directeur [naam 1] verschenen, tot bijstand vergezeld van haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen

Feiten
Auto 1
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 19 april 2022, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Dodge Grand Caravan uit Noorwegen met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer 1] (hierna: auto 1). De registratie is op 30 december 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken 1]. Auto 1 is op 31 maart 2022 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende auto 1 vermeld:
Datum eerste toelating
31-10-2015
CO2-uitstoot
272 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 31.066
Bruto bpm
€ 52.467
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 50.130
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 2.250
Verschuldigde bpm
€ 2.350
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijfsnaam], door [naam 2] ondertekend. Daarin is vermeld dat auto fysiek is opgenomen op 1 april 2022 tussen 10:20 en 10:50 uur te [plaats]. Verder is daarin vermeld dat auto 1 in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 12.715 (waarde herleid op basis van de koerslijst X-Ray) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 13.152,92 inclusief btw. Bij het taxatierapport is geen inkoopfactuur of inkoopverklaring van auto 1 gevoegd.
4. Verweerder stelt dat het taxatierapport niet kan dienen, aangezien auto 1 fysiek is opgenomen na de goedkeuringsdatum door de RDW. Verweerder verwerpt het door eiseres gehanteerde taxatierapport en heft na op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.
5. Bij brief van 3 augustus 2022 heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor auto 1. Uitgaande van de herberekeningen van verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 9.968. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 2.350), resteert een te betalen bedrag van € 7.618. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 31 augustus 2022 heeft verweerder eiseres medegedeeld een naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Auto 2
6. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 21 april 2022, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Chevrolet Corvette 6.2 uit Duitsland met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer 2] (hierna: auto 2). De registratie is op 31 mei 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse [kenteken 2]. Auto 2 is op 30 maart 2022 goedgekeurd door de RDW.
7. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende auto 2 vermeld:
Datum eerste toelating
10-11-2020
CO2-uitstoot
299 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 126.070
Bruto bpm
€ 59.866
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 210.914
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 96.240
Verschuldigde bpm
€ 27.310
8. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijfsnaam], door [naam 2] ondertekend. Daarin is vermeld dat auto fysiek is opgenomen op 14 april 2022 tussen 08:30 en 09:00 uur te [plaats]. Verder is daarin vermeld dat auto 2 in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 116.662 (waarde herleid op basis van de koerslijst X-Ray) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 16.775,75 inclusief btw. Bij het taxatierapport is geen inkoopfactuur of inkoopverklaring van auto 2 gevoegd.
9. Verweerder stelt dat het taxatierapport niet kan dienen, aangezien auto 2 fysiek is opgenomen na de goedkeuringsdatum door de RDW. Verweerder verwerpt het door eiseres gehanteerde taxatierapport en heft na op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.
10. Bij brief van 3 augustus 2022 heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor auto 2. Uitgaande van de berekeningen van verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 33.111. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 27.310), resteert een te betalen bedrag van 5.801. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 31 augustus 2022 heeft verweerder eiseres medegedeeld een naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
11. Het totale bedrag van de naheffingsaanslag komt neer op € 13.419.
Geschil12. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
13. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft zij ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiseres in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van zijn beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eiseres’ rechten;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
Eiseres’ rechten die zij kan ontlenen aan het verdedigingsbeginsel zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) - niet toegestaan;
Eiseres is niet degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Hierdoor is de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd waardoor de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Daarvoor verwijst eiseres naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017, (ECLI:NL:GHARL:2022:1963);
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
Er dient een leeftijdskorting vergoed te worden, indien er zich meer dan vijf dagen bevinden tussen datum aangifte en datum tenaamstelling;
De gewijzigde wijze van heffing waarbij thans een CO2-meting met behulp van de zogenaamde WLTP-methode plaatsvindt terwijl in het verleden gebruik werd gemaakt van de NEDC-methode leidt tot een verboden onderscheid en daarmee tot schending van artikel 110 VWEU Pro;
Verweerder had gebruik moeten maken van de Scandinavische rekenmethode. Eiseres verwijst daarvoor naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:1963);
De bij de uitspraak op bezwaar toegekende proceskostenvergoeding is te laag;
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
14. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Vooraf
16. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat Domeinen Roerende Zaken (DRZ) niet onafhankelijk zou zijn en dat de rechtbank de betrokken medewerkers van DRZ dient te horen. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat de keuze van verweerder voor een ambtshalve teruggaaf onjuist zou zijn. Gezien het feit dat in onderhavige zaak geen nacontrole door DRZ en ambtshalve teruggaaf hebben plaatsgevonden, zal de rechtbank aan deze grieven voorbij gaan.
17. Eiseres heeft ter zitting ook verzocht om overeenkomstig artikel 8:46 van Pro de Awb medewerkers van DRZ te horen op zitting. Ook heeft eiseres de rechtbank verzocht om overeenkomstig artikel 8:50 van Pro de Awb ter plaatse een onderzoek te doen. Gezien het feit dat er in deze zaak geen nacontrole door DRZ heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank de verzoeken van eiseres afwijzen.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
18. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
19. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief b)
20. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiseres volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
21. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
22. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
23. Anders dan eiseres betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
24. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De heffing van griffierecht (grief c)
25. Eiseres stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiseres.
26. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiseres over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De belastingcontrole door verweerder (grief d)
27. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiseres, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
28. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eiseres aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
29. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiseres in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiseres dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief e)
30. Eiseres stelt dat de inspecteur de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiseres voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 20 december 2022, namelijk bij brieven van 29 november en 9 december 2022. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. De inspecteur heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief f)
32. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiseres daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiseres nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
33. In het onderhavige geval heeft eiseres met dagtekening 19 augustus 2022 respectievelijk 30 september 2022 een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiseres kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eiseres’ rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiseres naar artikel 7:2 van Pro de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste
.Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief g)34. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De tenaamstelling van de aanslag (grief h)
35. De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd aan eiseres, zijnde degene die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd. Dit is in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 7 van Pro de Wet bpm.
Ten aanzien van de verdeling van de bewijslast (grief i)36. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat, met die feiten in aanmerking genomen, de geheven belasting niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen concludeert de rechtbank dat eiseres niet aan de bewijslast voldaan heeft.
Ten aanzien van hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief j)
37. Het door eiseres bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Het taxatierapport moet in ieder geval één maand voorafgaand aan de aangifte worden opgemaakt. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controles hebben plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om de taxatierapporten van eiseres te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
Ten aanzien van de zogenaamde ‘(extra-)leeftijdskorting’ (grief k)
38. Eiseres stelt dat in het onderhavige geval een leeftijdskorting vergoed dient te worden, omdat er zich meer dan vijf dagen bevinden tussen de datum van de aangifte en de datum van de tenaamstelling.
39. Verweerder stelt zich dienaangaande op het standpunt dat extra leeftijdskorting niet van toepassing is bij onderhavige naheffing.
40. Eiseres stelt dat er altijd extra leeftijdskorting moet worden toegepast als er meer dan vijf werkdagen zijn verstreken tussen de aangifte en de tenaamstelling. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiseres naar een uitspraak van rechtbank Gelderland van 24 oktober 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:4793). De rechtbank begrijpt dat eiseres doelt op de volgende passage uit die uitspraak.
“(…)artikel 6, tweede lid, van de Wet bpm (…) is naar het oordeel van de rechtbank echter niet in strijd met het Unierecht. Daarbij is van belang dat er standaard (op basis van goedkeurend beleid in het Kaderbesluit bpm, nr. 2017/1135M) rekening wordt gehouden met een termijn van vijf werkdagen tussen de aangifte en registratie. De rechtbank acht het aannemelijk dat in het merendeel van de gevallen die termijn genoeg is om de registratie af te ronden. Voor zover dat in het individuele geval niet lukt, bestaat recht op leeftijdskorting.”
41. De rechtbank stelt voorop dat in de laatste zin de tekst logischerwijze zou moeten eindigen met “bestaat recht op
extraleeftijdskorting”, aangezien de termijn van vijf werkdagen al leeftijdskorting kan inhouden. De zin omschrijft enkel de regeling uit het Kaderbesluit bpm en bevat geen oordeel. Hieruit volgt dus niet de conclusie die eiseres hieraan wenst te verbinden. Een andere onderbouwing heeft eiseres niet gegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toepassing van extra leeftijdskorting.
De CO2-uitstoot en de Scandinavische rekenmethode (grieven l en m)
42. Met betrekking tot deze problematiek heeft de rechtbank Zeeland West-Brabant prejudiciële vragen gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen bij arrest van 26 april 2024 geadresseerd (ECLI:NL:HR:2024:653). Voor wat betreft de in aanmerking te nemen CO²-uitstoot en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen bij de import van gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat de omstandigheid dat de CO²-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, alleen dan niet leidt tot strijd met artikel 110 VWEU Pro, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO²-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is. Met betrekking tot de vraag wat de belastingplichtige in dit verband daarvoor aannemelijk moet maken heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de belastingplichtige die stelt dat in zijn geval moet artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
43. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat sprake is van gebruikte auto’s met een kilometerstand waaruit blijkt dat de auto’s niet nieuw zijn. Ook is sprake van een datum van eerste toelating in Noorwegen respectievelijk Duitsland voorafgaande aan de registratie ervan in Nederland. De eerste vraag is daarmee bevestigend beantwoord.
Voor wat betreft de tweede vraag lijkt het redelijk om aan te nemen dat de betreffende types Dodge Grand Caravan en Chevrolet Corvette C8 in de zelfde vorm en met gelijke specificaties ook op de Nederlandse markt als nieuw is verkocht. Het vragen van een nader bewijs dienaangaande aan eiseres acht de rechtbank dan ook zinledig.
44. In het onderhavige geval is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een uitstoot ter grootte van 272 respectievelijk 299 gram per kilometer. De rechtbank heeft aan de hand van het in de ‘Kennisgeving Naheffingsaanslag’ van 3 augustus 2022 vermelde kentekens van de auto’s, [kenteken 1] en [kenteken 2], op basis van openbare bronnen (i.c. www.voertuig.net) vastgesteld dat deze uitstoot overeenkomt met de uitkomst van een zogenaamde NEDC-meting. Het WLTP-resultaat is niet geregistreerd. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het WLTP-resultaat lager zou komen te liggen dan het NEDC-resultaat. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres geen nadeel heeft ondervonden dat kan worden toegeschreven aan de toegepaste wijze van meten van de CO²-uitstoot en dat daarom niet van strijdigheid met artikel 110 VWEU Pro is gebleken.
45. Eiseres heeft betoogd dat verweerder bij de vaststelling van de omvang van de C0²-uitstoot van de auto gebruik had moeten maken van de zogenaamde ‘Scandinavische berekeningsmethode’. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uitgangspunt bij de bepaling van de C0²-uitstoot vormt artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm. Het eerste en tweede lid van dit artikel luiden als volgt (tekst 2025):
1Voor de toepassing van
artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9&g=2025-07-15&z=2025-07-15)blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
2Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
a.de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in
artikel 22 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22&g=2025-07-15&z=2025-07-15), dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b.indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in
artikel 26 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26&g=2025-07-15&z=2025-07-15);
c.indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-uitstoot is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;
d.in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.
46. Uit de redactie van deze bepaling blijkt dat voor de vaststelling van de uitstoot sprake is van een rangorde, waarbij aan een methode eerst wordt toegekomen indien de eerdergenoemdemethodes niet tot een vaststelling hebben kunnen leiden.
47. In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiseres verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de Bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiseres gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU Pro ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief n)48. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres voor haar optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie
49. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling verzoek om immateriële schadevergoeding
50. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiseres geregistreerd onder nummer SGR 24/4127 dat een vrijwel identiek geschil betreft aansluitend en dat op dezelfde zitting is behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat in de voormelde uitspraak de immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding zijn vervat.
Proceskosten en griffierecht
51. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • verwijst voor de vergoeding van de immateriële schade naar de samenhangende zaak met zaaknummer SGR 24/4127.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl.Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).