Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van BPM bij de registratie van een gebruikte Peugeot 308CC, waarbij hij leeftijdskorting pas in beroep aanvoerde. De rechtbank oordeelt dat eiser recht heeft op leeftijdskorting op grond van het Kaderbesluit BPM, waardoor de verschuldigde BPM wordt verminderd tot €1.249.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verplichting tot betaling van BPM voorafgaand aan registratie niet in strijd is met het Unierecht, mede omdat er een standaardtermijn van vijf werkdagen is voor registratie. Eiser heeft ook een beroep gedaan op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, welke de rechtbank toewijst met een bedrag van €500.
De rechtbank veroordeelt de Staat tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het griffierecht, en wijst een kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase vanwege het niet toepassen van de leeftijdskorting door verweerder. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.