ECLI:NL:RBDHA:2026:20132
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van een asielzoeker uit Nigeria beoordeeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag vanwege een geldig visum dat de asielzoeker van Frankrijk had ontvangen.
De asielzoeker stelde dat hij nooit naar Frankrijk wilde en dat Nederland zijn aanvraag in behandeling moest nemen. De rechtbank oordeelde dat het tijdstip van de aanvraag en het geldige Franse visum bepalend zijn voor de verantwoordelijke lidstaat, en dat het niet uitmaakt dat de asielzoeker niet in Frankrijk asiel wilde aanvragen.
Verder voerde de asielzoeker aan dat hij in Frankrijk door een taalbarrière en bedreigingen niet kan overleven. De rechtbank stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog steeds geldt en dat er geen bewijs is van een structureel systeemfalen of een reëel risico op schending van mensenrechten. De individuele omstandigheden van de asielzoeker rechtvaardigen geen uitzondering op de overdracht aan Frankrijk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.