ECLI:NL:RBDHA:2026:20132

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20659 en NL26.20660
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:83 AwbArt. 7 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van een asielzoeker uit Nigeria beoordeeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag vanwege een geldig visum dat de asielzoeker van Frankrijk had ontvangen.

De asielzoeker stelde dat hij nooit naar Frankrijk wilde en dat Nederland zijn aanvraag in behandeling moest nemen. De rechtbank oordeelde dat het tijdstip van de aanvraag en het geldige Franse visum bepalend zijn voor de verantwoordelijke lidstaat, en dat het niet uitmaakt dat de asielzoeker niet in Frankrijk asiel wilde aanvragen.

Verder voerde de asielzoeker aan dat hij in Frankrijk door een taalbarrière en bedreigingen niet kan overleven. De rechtbank stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog steeds geldt en dat er geen bewijs is van een structureel systeemfalen of een reëel risico op schending van mensenrechten. De individuele omstandigheden van de asielzoeker rechtvaardigen geen uitzondering op de overdracht aan Frankrijk.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20659 en NL26.20660
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], geboren op [geboortedag] 1982, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag van 19 november 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan [2] . In dit geval is gebleken dat eiser
een visum van Frankrijk heeft gekregen. Het visum was geldig van 27 oktober 2025 tot en met 11 december 2025. Het visum was dus nog geldig toen eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd. Volgens artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening is Frankrijk daarom
verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Om deze reden heeft Nederland de autoriteiten van Frankrijk op 13 januari 2026 verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede of derde lid, van de Dublinverordening. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
1.1
Eiser voert aan dat hij nooit naar Frankrijk heeft willen gaan, maar naar Nederland. Eiser heeft ook geen asiel aan willen vragen in Frankrijk en heeft dat ook niet gedaan. Eiser is van mening dat Nederland zijn asielverzoek in behandeling moet nemen.
1.2
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening de situatie op het tijdstip waarop eiser zijn verzoek om internationale bescherming heeft ingediend van belang is voor de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat. Omdat eiser zijn aanvraag op 19 november 2025 heeft ingediend en het aan hem verleende visum op dat moment geldig was, heeft de minister het overnameverzoek terecht op artikel 12, tweede of derde lid, van de Dublinverordening gebaseerd. Dat het niet eisers wens is geweest om in Frankrijk asiel te vragen is in dit verband verder niet van belang.
Mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
2.1
Eiser voert verder aan dat hij in Frankrijk last ondervindt van een taalbarrière en hij zich om die reden niet kan handhaven in Frankrijk.
2.2
De rechtbank stelt voorop dat volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel [3] . In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [4] of artikel 4 van Pro het Handvest [5] . De rechtbank overweegt verder dat de enkele omstandigheid dat het door een taalbarrière lastig is om toegang te krijgen tot de asielprocedure en een daadwerkelijk rechtsmiddel, op zichzelf geen schending oplevert van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest [6] .
2.3
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Frankrijk met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Frankrijk op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Frankrijk zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen. Als eiser vindt dat Frankrijk zijn verplichtingen niet nakomt, dan ligt het op eisers weg om daarover in Frankrijk te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat hij hierin mogelijk beperkt wordt door een taalbarrière, overweegt de rechtbank dat hiermee niet is komen vast te staan dat er sprake is van een structureel systeemfalen in Frankrijk.
Had de minister eisers asielaanvraag vanwege bijzondere, individuele omstandigheden aan zich moeten trekken?
3.1
Eisers betoog, dat hij de Franse taal niet spreekt, hij zich daar niet kan handhaven en in Frankrijk is bedreigd, komt er verder op neer dat er volgens eiser sprake is van individuele omstandigheden die in de weg staan aan overdracht aan Frankrijk.
3.2
Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit) maakt de minister niet snel gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening.
3.3
De rechtbank stelt vast dat de gestelde omstandigheid dat eiser in Frankrijk wordt bedreigd niet nader is onderbouwd, zodat reeds om die reden niet aannemelijk is gemaakt dat deze omstandigheid zich voordoet. Voor zover moet worden aangenomen dat sprake is van bedreiging, is de rechtbank van oordeel, uitgaande van de terughoudende toets, dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Er mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit worden gegaan dat de Franse autoriteiten eiser zullen helpen. Eiser heeft niet onderbouwd dat zij dat niet kunnen of willen. Dat eiser de Franse taal niet spreekt en vreest dat hij zich in Frankrijk niet kan handhaven betekent op zichzelf ook niet dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Frankrijk vanwege onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk ongegrond. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep (NL26.20659) ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.20660) af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.