ECLI:NL:RBDHA:2026:20134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19920
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 17 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, diende op 16 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser daar op 22 augustus 2023 al een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Nederland verzocht Frankrijk om terugname, wat werd geaccepteerd.

Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is. Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer geldt vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder psychische klachten en eerdere afwijzing in Frankrijk. Hij stelde dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden en dat de discretionaire bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken had moeten worden toegepast.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen had geleverd dat hij bij terugkeer naar Frankrijk een reëel risico loopt op een met het Handvest of EVRM strijdige behandeling. De stellingen over psychische problemen waren onvoldoende onderbouwd. Ook de eerdere afwijzing in Frankrijk deed hieraan niet af, mede omdat Frankrijk zich heeft verbonden aan internationale verplichtingen.

De rechtbank bevestigde het interstatelijk vertrouwensbeginsel en vond dat verweerder terecht geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19920

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.19921, op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 16 februari 2026 ingediend.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 22 augustus 2023 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 4 maart 2026 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) [1] . Frankrijk heeft dit verzoek op 18 maart 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenweet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan, omdat hij concrete en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven om van het interstatelijk vertrouwensbeginsel af te wijken. Zo verklaart eiser dat hij in Frankrijk ernstige problemen heeft ondervonden, waardoor hij kampt met psychische klachten. Bovendien is de asielaanvraag van eiser in een eerdere asielprocedure in Frankrijk afgewezen. Gelet op de inhoud en strekking van zijn verklaringen lig het volgens eiser op de weg van verweerder om nader onderzoek te verrichten naar de aard en omvang van eisers ervaringen en zijn psychische gesteldheid, en te onderzoeken of eiser bij terugkeer naar Frankrijk daadwerkelijk toegang heeft tot opvang en adequate zorg. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De persoonlijke omstandigheden zijn door verweerder niet, althans onvoldoende, in onderlinge samenhang beoordeeld. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser had verweerder aanleiding moeten zien om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit vermoeden is weerlegbaar.
6. Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank merkt op dat eiser niet stelt dat in Frankrijk in het algemeen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of het opvangsysteem. Wel stelt eiser dat hij ernstige problemen heeft ondervonden in Frankrijk, waardoor hij bijna zelfmoord had gepleegd. Deze niet onderbouwde stelling acht de rechtbank onvoldoende. Temeer nu eiser niet concreet heeft toegelicht welke ernstige problemen hij in Frankrijk heeft ondervonden. Daarom geldt dat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Ook wat betreft de gestelde medische (psychische) problematiek mag verweerder ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk van vergelijkbare kwaliteit zijn en dat deze voorzieningen ter beschikking staan van eiser. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit voor hem niet het geval is. Bovendien heeft eiser niet met objectieve medische informatie onderbouwd dat hij medische problemen heeft. De eerdere afwijzing van de asielaanvraag van eiser in Frankrijk maakt het oordeel dat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan niet anders. Frankrijk heeft met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielwens van eiser opnieuw zal worden behandeld en dat de Franse autoriteiten zich zullen houden aan de internationale verplichtingen. Indien eiser problemen ondervindt met betrekking tot de opvang of zorg, kan hij hierover klagen bij de Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan dan wel dat de Franse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen.
8. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
9. Eiser doet een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dit artikel in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bevoegdheden’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich toe te trekken. Voor zover eiser betoogt dat de door hem naar voren gebrachte problemen met betrekking tot zijn ervaringen in Frankrijk en zijn gestelde psychische problematiek ook moeten worden meegenomen in de motivering in het kader van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717. Daarin is geoordeeld dat als verweerder de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt.
11. Alles bij elkaar heeft verweerder in de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
12. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de nationale wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit.