ECLI:NL:RBDHA:2026:20147
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens te late wijziging wettelijke grondslag maatregel van bewaring
De minister legde op 22 juni 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en geoordeeld dat deze tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was.
Na afwijzing van het asielverzoek van eiser als kennelijk ongegrond op 4 juli 2026, moest de minister de wettelijke grondslag van de maatregel wijzigen. De rechtbank oordeelde dat de minister deze wijziging uiterlijk op 6 juli 2026 had moeten doorvoeren, maar dit pas op 8 juli 2026 deed. Hierdoor duurde de maatregel onrechtmatig voort vanaf 4 juli 2026.
De rechtbank achtte de onrechtmatigheid voldoende reden om een schadevergoeding toe te kennen voor vijf dagen onrechtmatige bewaring, berekend op € 120 per dag, totaal € 600. Daarnaast werden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 934. De minister werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens te late wijziging van de wettelijke grondslag, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.