ECLI:NL:RBDHA:2026:20212

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37819
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens niet tijdige omzetting en toekenning schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op 7 juli 2026. Eiser stelde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel en dat de maatregel niet tijdig was omgezet na intrekking van zijn asielaanvraag op 10 juli 2026.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen lichter middel toepaste vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en dat medische omstandigheden van eiser onvoldoende aanleiding gaven om de maatregel als onevenredig bezwarend te beschouwen. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister de maatregel niet tijdig had omgezet binnen de vereiste 48 uur na intrekking van de asielaanvraag, waardoor de maatregel vanaf 13 juli 2026 onrechtmatig was.

De rechtbank beval de opheffing van de maatregel met ingang van 14 juli 2026 en kende eiser een schadevergoeding toe van €240 voor twee dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €1.868 aan eiser toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier J.M. van Kouwen.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig vanaf 13 juli 2026, opgeheven per 14 juli 2026, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De aan eiser op 7 juli 2026 opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring berust met ingang van 13 juli 2026 niet langer op de juiste wettelijke grondslag. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel en kent een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser verblijft bij een stichting in Nijmegen, waardoor had kunnen worden volstaan met een meldplicht. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met zijn medische omstandigheden, waardoor de maatregel onevenredig bezwarend is.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft in de maatregel terecht gewezen op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht volgt. De stelling van eiser dat hij verblijft bij een stichting in Nijmegen waardoor had kunnen volstaan met ene lichter middel, doet niet af aan het onttrekkingsrisico.
Voorafgaande aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd of er feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van vreemdelingenbewaring. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser verklaard heeft tandpijn te hebben en last te hebben van paniekaanvallen. [2] Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister dit bij het opleggen van de maatregel heeft betrokken in zijn beoordeling of een lichter middel moet worden toegepast. De minister heeft in het bestreden besluit gewezen op het feit dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn waar eiser zich toe kon wenden als dat nodig zou zijn. Niet is gebleken dat deze voorzieningen voor eiser niet toegankelijk waren of dat er geen adequate zorg aan eiser kon worden verstrekt. Dat de door eiser gestelde tandpijn en paniekaanvallen leiden tot de conclusie dat hij detentieongeschikt is, is tot slot niet gebleken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel onevenredig bezwarend te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de maatregel tijdig omgezet?
4. Eiser voert aan dat de minister de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tijdig heeft omgezet, nu hij zijn asielaanvraag op 10 juli 2026 heeft ingetrokken.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tijdig omgezet. Eiser heeft op 10 juli 2026 zijn asielaanvraag ingetrokken. Vanaf dat moment had de minister – volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) – 48 uur de tijd om de maatregel van vreemdelingenbewaring om te zetten. [3] Nu eiser op 10 juli 2026 kenbaar heeft gemaakt niet langer een asielwens te hebben, had de minister de grondslag van de maatregel uiterlijk op 12 juli 2026 moeten wijzigen. De rechtbank stelt vast dat dit op het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting – op 14 juli 2026 – niet is gebeurd. Daarmee staat vast dat de maatregel niet tijdig is omgezet.
4.2.
Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf 13 juli 2026, tot het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 14 juli 2026, onrechtmatig is. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de schadevergoeding ingaat op de dag nadat de minister de grondslag van de maatregel uiterlijk had moeten wijzigen. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf 13 juli 2026 onrechtmatig. Hetgeen onder 4.1 is overwogen en de ambtshalve toetsing [5] leiden niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring vanaf een eerder moment onrechtmatig was. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 14 juli 2026.
5.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor twee dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 2 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 240.
5.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. [6] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 240 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 14 juli 2026;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Pagina 3.
3.Zie onder ABRvS 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082 en ABRvS 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 31 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2245.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
6.In artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is (onder meer) opgenomen dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.