ECLI:NL:RBDHA:2026:20212
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens niet tijdige omzetting en toekenning schadevergoeding
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op 7 juli 2026. Eiser stelde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel en dat de maatregel niet tijdig was omgezet na intrekking van zijn asielaanvraag op 10 juli 2026.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen lichter middel toepaste vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en dat medische omstandigheden van eiser onvoldoende aanleiding gaven om de maatregel als onevenredig bezwarend te beschouwen. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister de maatregel niet tijdig had omgezet binnen de vereiste 48 uur na intrekking van de asielaanvraag, waardoor de maatregel vanaf 13 juli 2026 onrechtmatig was.
De rechtbank beval de opheffing van de maatregel met ingang van 14 juli 2026 en kende eiser een schadevergoeding toe van €240 voor twee dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €1.868 aan eiser toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier J.M. van Kouwen.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig vanaf 13 juli 2026, opgeheven per 14 juli 2026, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.