ECLI:NL:RBDHA:2026:20224

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19738
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 24 EU-HandvestArt. 3 IVRKArt. 12 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging Dublinbesluit wegens onvoldoende belangenafweging minderjarige kinderen

Eisers, een Turks gezin met drie minderjarige kinderen, dienden asielaanvragen in Nederland in nadat zij eerder in Kroatië internationale bescherming hadden gevraagd. De minister weigerde de aanvragen in behandeling te nemen en wilde hen terugsturen naar Kroatië op basis van de Dublinverordening en het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij bij terugkeer naar Kroatië een reëel risico liepen op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De ervaringen van eisers bij binnenkomst in Kroatië betroffen een andere situatie dan de situatie na overdracht als Dublinclaimanten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel bleef daarom van toepassing.

Echter, de rechtbank stelde vast dat de minister de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende had geïnventariseerd en niet kenbaar had meegewogen in het besluit. De kinderen waren niet gehoord en er ontbrak een concrete motivering over hun belangen, terwijl het belang van het kind volgens het EU-Handvest en het Kinderrechtenverdrag voorop moet staan.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en bepaalde dat eisers in de nationale asielprocedure moeten worden opgenomen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en eisers worden opgenomen in de nationale asielprocedure wegens onvoldoende belangenafweging van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19738

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers]

V-nummers: [nummer] en [nummer]
Mede namens hun minderjarige kinderen

[naam] , [naam] en [naam]

V-nummers: [nummer] , [nummer] en [nummer]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen. De minister heeft de asielaanvragen met het besluit van 8 april 2026 (hierna: het bestreden besluit) niet in behandeling genomen omdat Kroatië – gelet op de Dublinverordening (Verordening EU nr. 604/2013) – volgens de minister verantwoordelijk is voor de asielaanvragen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De rechtbank heeft het beroep – samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.19739) – op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk voor eisers is verschenen G. Dogruyol (1102). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
1. Eisers zijn een gezin van twee ouders en drie minderjarige kinderen in de leeftijd van 3, 13 en 15 jaar oud. Zij hebben de Turkse nationaliteit. Eisers hebben op 24 december 2025 asielaanvragen ingediend. De minister heeft naar aanleiding van die asielaanvragen onderzoek in Eurodac verricht op basis van de vingerafdrukken van eisers. Hieruit bleek dat eisers op 19 december 2025 in Kroatië om internationale bescherming hebben verzocht. Daarop heeft de minister bij de Kroatische autoriteiten een terugnameverzoek gedaan, dat op 15 januari 2026 is geaccordeerd.
1.1.
De minister heeft met beide ouders afzonderlijk op 7 januari 2026 een aanmeldgehoor gehouden. Hier hebben zij onder meer – en voor zover voor het bestreden besluit van belang – het volgende verklaard. Wat betreft de bezwaren tegen een overdracht aan Kroatië geven eisers kort gezegd aan dat zij in Kroatië slecht zijn behandeld door de autoriteiten. Toen ze met hulp van mensensmokkelaars vanuit Bosnië en Herzegovina Kroatië binnenkwamen is hun dochter in de rivier gevallen. Zij en de moeder dreigden onderkoeld te raken. De vader heeft zijn kleren en schoenen verbrand zodat dat niet zou gebeuren. Zij hebben toen de Kroatische politie gebeld. Toen de politie aankwam werden ze niet meteen meegenomen, maar uiteindelijk wel en zijn ze naar een politiebureau gebracht. Hier werden ze niet goed behandeld. Het was er vies, ze hadden het koud en ze mochten niet naar buiten. De kinderen moesten hier erg huilen. Toen ze vroegen om luiers en doekjes voor de baby, kregen ze die niet. Ze hebben zelf voor eten en droge kleren gezorgd, waarbij ze zijn opgelicht door een taxichauffeur die een exorbitant hoog bedrag vroeg om naar het winkelcentrum te worden gebracht. Ze zijn één nacht op deze plek geweest maar ze hebben nare herinneringen aan Kroatië. Eisers willen daarom niet terug naar Kroatië. Eisers hebben tenslotte aangegeven dat zij voor de kinderen een verzoek willen doen voor een psychische behandeling.
Bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vw 2000. De minister stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De minister ziet geen reden om aan te nemen dat in Kroatië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen als bedoeld in het arrest Jawo [1] . Hierbij verwijst hij naar verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), respectievelijk over de gezondheidszorg in Kroatië en over het risico op pushbacks bij teruggekeerde Dublinclaimanten alsmede de toegang tot opvang. Bij voorkomende problemen in Kroatië dienen eisers te klagen bij de (hogere) autoriteiten van Kroatië of de daarvoor aangewezen instanties. Er is niet gebleken dat deze eisers niet zouden kunnen of willen helpen. Wat betreft de verklaringen van eisers over de omstandigheden bij de politie stelt de minister dat hij die betreurenswaardig acht, maar dat eisers zich hierover niet hebben beklaagd. Eisers zijn snel vertrokken uit Kroatië en daarom kan niet geconcludeerd worden dat de Kroatische autoriteiten een klacht niet zouden willen aanhoren. Bovendien blijkt uit de handelswijze van de Kroatische politie niet dat zij onwelwillend waren en eisers compleet aan hun lot overlieten. Dat eisers in de korte periode van verblijf zelf voedsel hebben bekostigd, maakt niet dat Kroatië de internationale verplichtingen schendt en dat eisers door de Kroatische autoriteiten in een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie terecht zijn gekomen. De medische omstandigheden staan volgens de minister niet in de weg aan overdracht. Uit de GZA-dossiers blijkt niet dat één van de gezinsleden momenteel onder medische behandeling staat. Indien dit wel nodig zou zijn, geldt dat ook in Kroatische medische behandeling mogelijk is. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hen anders is. De minister vindt daarnaast dat eisers niet met medische documenten hebben onderbouwd dat de overdracht leidt tot een reëel risico voor de gezondheidssituatie van eisers. De brief van de medewerker van Trigion ziet de minister niet als een medisch document in dit verband. De omstandigheid dat de vader in Nederland werk heeft en de kinderen naar school gaan acht de minister niet relevant bij het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat en maakt ook niet dat afgezien wordt van een overdracht aan Kroatië. Tenslotte vindt de minister dat niet gebleken is dat sprake is van een onevenredige hardheid bij een overdracht van eisers aan Kroatië, op grond waarvan hij toepassing moet geven aan zijn discretionaire bevoegdheid.
Standpunt eisers
3. Eisers hebben op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of de minister het bestreden besluit terecht heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eisers.
4.1.
Eisers hebben in hun gronden allereerst in algemene zin verzocht om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, waarbij zij niet concreet hebben vermeld in welk opzicht, in hun visie, de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit ontoereikend is. Zo'n algemene verwijzing is dan ook onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De rechtbank richt zich dus op wat eisers in beroep concreet hebben aangevoerd. Voor zover zij daarbij specificeren op welk onderwerp uit de zienswijze de minister onvoldoende heeft gereageerd, zal de rechtbank daar (wel) op in kunnen gaan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eisers betwisten dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers hebben verklaard dat zij door de autoriteiten onheus zijn bejegend en niet de zorg kregen die nodig was toen zij onderkoeld dreigden te raken. Ook de omstandigheden waaronder zij in detentie hebben doorgebracht – en waarover zij hebben verklaard – beschouwen zij als een onmenselijke behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).
5.1.
Dit betoog slaagt niet. Hierbij is het volgende van belang.
5.2.
Uitgangspunt is dat de minister er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van mag uitgaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers nakomt. Het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen is weerlegbaar. Het ligt daarbij in de eerste plaats op de weg van eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daartoe kunnen zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, als eisers aannemelijk maken dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo, punten 91-93).
5.3.
Bij deze beoordeling is de in aanmerking te nemen situatie die waarin eisers zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden, en aldus niet die waarin zij zich bevonden toen zij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betraden. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest X [2] .
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat eisers er niet in zijn geslaagd om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037), 6 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:919) en 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635) bevestigd dat de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Zij is daarbij – aan de hand van landeninformatie – ingegaan op de situatie rondom onder meer de gezondheidszorg in Kroatië, het risico op pushbacks bij teruggekeerde Dublinclaimanten alsmede de toegang tot opvang. De rechtbank ziet geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling. Hierbij is van belang dat eisers in het geheel geen objectieve landeninformatie hebben overgelegd op grond waarvan zij betwisten dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan. Ook met de door hen afgelegde verklaringen hebben zij dat niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank betreurt het dat zij bij aankomst in Kroatië de door hen beschreven omstandigheden hebben doorgemaakt en kan zich goed indenken dat dit een nare herinnering aan Kroatië heeft opgeleverd. Zoals onder 5.3. is overwogen is echter van belang te benadrukken dat de rechtbank kijkt naar de situatie zoals die zal zijn als eisers als Dublinclaimanten gereguleerd worden overgedragen aan Kroatië. De ervaringen waarover zij hebben verklaard zijn ervaringen die zij hebben beleefd als derdelanders die een lidstaat binnenkomen. Dat is een andere situatie. Het betoog slaagt daarom niet.
Belangen kinderen / discretionaire bevoegdheid
6. Eisers voeren verder aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in het belang van de kinderen is om na alle gebeurtenissen terug te moeten keren naar Kroatië. Zij wijzen daarbij in het bijzonder op de belangen van de kinderen. Dochter [naam] slaapt slecht – zoals volgt uit de overgelegde informatie van de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) – sinds zij te horen heeft gekregen over een eventuele terugkeer naar Kroatië. Ook dochter [naam] is bang om terug te moeten naar Kroatië. Zij heeft bovendien een aanrandingsincident meegemaakt op de opvanglocatie in Budel, dat maakt dat zij in zichzelf is gekeerd. [naam] heeft vanwege de gebeurtenissen in Kroatië veel stress ervaren en heeft last gekregen van haaruitval. Zij is dan ook gebaat bij rust en een stabiele omgeving. De kinderen gaan hier naar school en vader heeft werk gevonden. Dit zorgt voor stabiliteit en dit is met name voor de minderjarige kinderen zeer belangrijk. Eisers wijzen daarnaast op de zeer slechte omstandigheden waarin zij verkeerden in Kroatië. Eisers stellen zich op het standpunt dat – gelet op het voorgaande – sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat overdracht zal leiden tot een onevenredige hardheid.
6.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat een redelijke uitleg van het voornoemde betoog van eiser over de belangen van de minderjarige kinderen met zich brengt dat eisers zich óók op het standpunt stellen dat de belangen van deze kinderen ten onrechte niet dan wel onvoldoende zijn geïnventariseerd door de minister. Het kunnen wegen van belangen veronderstelt immers dat die belangen in kaart zijn gebracht – en dus zijn onderzocht.
6.2.
Het betoog van eisers slaagt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.3.
Op grond van artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest), gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU-Handvest, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het IVRK, hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Het kind wordt hiertoe op grond van artikel 12, tweede lid, van het IVRK met name in de gelegenheid gesteld door te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.
6.4.
De onder 6.3. genoemde uitgangspunten hebben ook hun weerslag gekregen in de Dublinverordening. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening moet een lidstaat het belang van het kind in Dublinprocedures vooropstellen. Uit het derde lid volgt dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten in het bijzonder rekening houden met onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
6.5.
De minister heeft in dit kader in het – in verband met de komst van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (Verordening EU nr. 2024/1351) inmiddels vervallen – informatiebericht 2022/77 (‘Belang van het kind in Dublinzaken’) neergelegd dat in alle zaken waar kinderen betrokken zijn, waaronder ook die van begeleide minderjarigen, het belang van het kind meer concreet en specifiek zal moeten worden getoetst als daartoe aanleiding bestaat. Dit dient te gebeuren door in de besluitvorming uitdrukkelijk gemotiveerd aandacht te besteden aan onder meer het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige en de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
6.6.
De rechtbank overweegt voorts dat in de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3900) – kort samengevat – is overwogen dat uit het onder 6.3. en 6.4. genoemde juridische kader een verplichting voor de minister volgt om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, maar dat er geen absolute verplichting bestaat om een begeleide minderjarige vreemdeling altijd rechtstreeks te horen. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de werkwijze van de minister op onderdelen niet in overeenstemming is met artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van Pro het Kinderrechtenverdrag.
6.7.
De rechtbank leidt uit de dossiers in de hier aan de orde zijnde zaken af dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit onvoldoende is gepoogd om de (eventuele bijzondere) belangen van de minderjarige kinderen in kaart te brengen. Vast staat dat de kinderen niet zijn gehoord en er ontbreken aanknopingspunten dat de kinderen wel op andere wijze in de gelegenheid zijn gesteld hun mening over de voorgenomen besluitvorming vrijelijk te uiten. De enkele omstandigheid dat aan het slot van het aanmeldgehoor van de moeder is gewezen op de mogelijkheid dat ‘haar kind’ gehoord kan worden (de rechtbank begrijpt: de oudste dochter [naam] , die ook een zelfstandige asielaanvraag heeft ingediend) – waarop de moeder ten aanzien van één niet nader genoemd kind (de rechtbank begrijpt: [naam] ) heeft aangegeven dat zelfstandig horen van dit kind niet wenselijk is, kort gezegd omdat dit te impactvol zou zijn – verandert het voorgaande niet. Dit is alleen al het geval omdat belangen van kinderen ook op andere wijze kunnen worden geïnventariseerd dan door fysiek te horen en niet is gebleken dat [naam] op zo’n andere wijze in de gelegenheid is gesteld haar mening kenbaar te maken. Daarnaast is relevant dat er nóg een kind is dat ten tijde van de besluitvorming ouder was dan 12 jaar ( [naam] ), ten aanzien van wie een dergelijke vraag in het geheel niet aan de moeder is gesteld.
Bij het voorgaande hecht de rechtbank er voorts aan te benadrukken dat de Afdeling heeft overwogen dat het essentieel is dat minderjarigen zélf op de hoogte raken van de daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid om te worden gehoord (vergelijk r.o. 11.1.1 van ECLI:NL:RVS:2025:3900); daarvan is in deze zaak ten aanzien van de betreffende minderjarige kinderen niet gebleken.
6.8.
Overigens heeft de vader tijdens het aanmeldgehoor aangegeven dat de kinderen volgens hem een psychologische behandeling nodig hebben en is er in de zienswijze ook uitdrukkelijk gewezen op onder meer de medische/psychische omstandigheden rondom de kinderen, het belang van rust en stabiliteit, het aanrandingsincident bij één van de kinderen en – tenslotte – de schoolgang van de kinderen, die voor de minister evident aanleiding hadden moeten zijn om de mogelijk hieruit volgende specifieke belangen nader te inventariseren en af te wegen. In de bestuurlijke fase is dus op specifieke belangen gewezen die de minister hadden moeten aanzetten tot een onderzoek daarnaar en een nadere afweging daarvan. Dit nog daargelaten dat op de minister de verplichting tot belangeninventarisatie ook rust los van de door de ouders concreet gestelde belangen van de kinderen.
6.9.
In de bestreden besluiten is voorts – in het verlengde van het hiervoor vastgestelde gebrek in het kader van het inventariseren – in het geheel geen motivering opgenomen over de (belangen van de) minderjarige kinderen en zijn deze belangen, zoals eisers aanvoeren, dus niet kenbaar gemotiveerd betrokken. Dit terwijl IB 2022/77 uitdrukkelijk voorschrijft dat die kenbare motivering ten aanzien van de verschillende aspecten dient te worden opgenomen. De rechtbank overweegt dan ook dat de minister, door aldus te handelen, in strijd handelt met het hiervoor weergegeven juridische kader, waarin voor de minister kort gezegd de verplichting is opgenomen om de belangen van minderjarige kinderen voorop te stellen en een eerste overweging te laten zijn.
6.10.
Het beroep is gegrond. De overige beroepsgrond behoeft geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat de uiterste overdrachtstermijn op 15 juli 2026 verstrijkt en niet valt in te zien dat binnen de resterende tijd van minder dan een week het ontbrekende onderzoek adequaat uitgevoerd kan worden alsmede nieuwe besluitvorming kan worden voorbereid, is aannemelijk dat eisers op grond van de Dublinverordening niet meer tijdig naar Kroatië kunnen worden overgedragen. Daarom zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien, in zoverre dat zij zal bepalen dat eisers in de nationale asielprocedure dienen te worden opgenomen.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 april 2026;
- bepaalt dat eisers dienen te worden opgenomen in de nationale asielprocedure;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
2.Arrest van het HvJEU van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64.