ECLI:NL:RBDHA:2026:2025
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit en beëindiging tijdelijke bescherming van derdelander uit Oekraïne
Eiser, een derdelander uit Oekraïne, betwistte het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 en het daaropvolgende besluit van 24 juli 2025 waarbij de minister de tijdelijke bescherming introk en een nieuw terugkeerbesluit oplegde.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het eerste terugkeerbesluit niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan belang, aangezien dit besluit terecht was ingetrokken. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank volgde het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak, waarin werd bevestigd dat de minister bevoegd is de facultatieve tijdelijke bescherming voortijdig te beëindigen.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over het ontbreken van Europese consensus en de noodzaak van een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro. Tevens werd geoordeeld dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit rekening heeft gehouden met de relevante belangen zoals het belang van het kind en het gezinsleven conform Richtlijn 2008/115/EG. De proceskosten werden aan de minister opgelegd omdat het eerste besluit terecht was ingetrokken.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 24 juli 2025 ongegrond, met veroordeling van de minister in de proceskosten.