Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser, geboren op [datum] van Indiase nationaliteit,V-nummer: [nummer] ,
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Rechtbank Den Haag
Eiser, een vreemdeling van Indiase nationaliteit, betwistte het besluit van de minister van Asiel en Migratie om het eerdere terugkeerbesluit van februari 2024 in te trekken en een nieuw terugkeerbesluit op te leggen in juli 2025.
De rechtbank behandelde het beroep op 5 februari 2026 en oordeelde dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van februari 2024 niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan belang, maar veroordeelde de minister wel in de proceskosten omdat het besluit terecht was ingetrokken. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van juli 2025 werd ongegrond verklaard.
De rechtbank overwoog dat eiser onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit 2022/382 valt en dat de minister bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen. De aangevoerde verschillen in taalversies en het ontbreken van een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro konden het besluit niet onrechtmatig maken.
Verder werd geoordeeld dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit wel rekening moest houden met belangen zoals het gezinsleven en gezondheid conform artikel 5 van Pro Richtlijn 2008/115/EG, maar dat het privéleven niet tot deze belangen behoort. Eiser had voldoende gelegenheid gehad zijn zienswijze naar voren te brengen.
De rechtbank zag geen strijd met het non-refoulementbeginsel en verwees naar relevante arresten van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.868,-.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van juli 2025 wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.