ECLI:NL:RBDHA:2026:2031

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL24.14982
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Uitvoeringsbesluit 2022/382Art. 5 Richtlijn 2008/115/EGArt. 8 EVRMArt. 28 VEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen intrekking en oplegging nieuw terugkeerbesluit in vreemdelingenrecht

Eiser, een vreemdeling van Indiase nationaliteit, betwistte het besluit van de minister van Asiel en Migratie om het eerdere terugkeerbesluit van februari 2024 in te trekken en een nieuw terugkeerbesluit op te leggen in juli 2025.

De rechtbank behandelde het beroep op 5 februari 2026 en oordeelde dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van februari 2024 niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan belang, maar veroordeelde de minister wel in de proceskosten omdat het besluit terecht was ingetrokken. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van juli 2025 werd ongegrond verklaard.

De rechtbank overwoog dat eiser onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit 2022/382 valt en dat de minister bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen. De aangevoerde verschillen in taalversies en het ontbreken van een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro konden het besluit niet onrechtmatig maken.

Verder werd geoordeeld dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit wel rekening moest houden met belangen zoals het gezinsleven en gezondheid conform artikel 5 van Pro Richtlijn 2008/115/EG, maar dat het privéleven niet tot deze belangen behoort. Eiser had voldoende gelegenheid gehad zijn zienswijze naar voren te brengen.

De rechtbank zag geen strijd met het non-refoulementbeginsel en verwees naar relevante arresten van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van juli 2025 wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14982

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser, geboren op [datum] van Indiase nationaliteit,V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Procesverloop

Op 21 februari 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Daarin heeft de minister medegedeeld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
Op 7 april 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 23 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. [1]
4. Met het bestreden besluit van 21 juli 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en een nieuw terugkeerbesluit aan eiser opgelegd.
5. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiser voert aan dat consensus binnen de Europese Unie ontbreekt over de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit 2022/382. Eiser verwijst hiervoor naar de verschillende taalversies en voert onder meer aan dat in de Hongaarse taalversie niet is opgenomen dat enkel derdelanders met een permanente verblijfstitel onder de werkingssfeer van de RTB [2] vallen. Daarmee staat niet vast dat eiser behoort tot de groep derdelanders die facultatieve bescherming heeft ontvangen. Eiser stelt dat bij verschillen tussen taalversies een bepaling moet worden uitgelegd in het licht van het doel en de strekking van de regeling en dat bij twijfel moet worden gekozen voor de meest gunstige interpretatie. Dat het Hof van Justitie [3] zich heeft uitgesproken over dit onderwerp neemt niet weg dat de uitleg van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit in de praktijk onverenigbaar blijft tussen lidstaten. Artikel 28, vijfde lid, VEU [4] bepaalt verder dat als een lidstaat wordt geconfronteerd met ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een Uniebesluit, deze moeilijkheden aan de Raad van de Europese Unie moeten worden voorgelegd. De minister had daarom niet zonder meer kunnen overgaan tot het nemen van een terugkeerbesluit. Eiser verwijst verder naar het arrest Kücükdeveci [5] en stelt dat nationale autoriteiten verplicht zijn om, wanneer Unierecht niet duidelijk, coherent of uitvoerbaar is, de fundamentele rechtsbeginselen van de Unie toe te passen. Volgens eiser heeft er tot slot ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [6] en is eiser ten onrechte niet gehoord.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk, omdat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. De rechtbank zal de minister wel veroordelen in de proceskosten van eiser, omdat het besluit terecht is ingetrokken.
9. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 ongegrond en overweegt hiertoe als volgt.
10. Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie – kort samengevat – geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging van de facultatieve bescherming rechtmatig is. [7] Bij uitspraken van 23 april 2025 [8] heeft de Afdeling [9] bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en ziet in de overgelegde taalversies geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank verwijst hierbij naar de preambule in het Uitvoeringsbesluit, nrs. 12 en 13, waarbij uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen derdelanders met een permanente verblijfsvergunning en die verplicht moeten worden beschermd en derdelanders die korter in Oekraïne verbleven en die kunnen worden beschermd. Dat er sprake zou zijn van een inconsistentie in de overweging volgt de rechtbank niet. Ook in het arrest van 19 december 2024 wordt het onderscheid tussen artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk benoemd. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Nu eiser onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit valt, is de tijdelijke bescherming voor eiser beëindigd. De rechtbank verwijst hiervoor naar het eerdergenoemde arrest en de uitspraken van de Afdeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister gehouden was op grond van artikel 28, vijfde lid, VEU vanwege ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een Uniebesluit, deze moeilijkheden voor te leggen aan de Raad [10] . Van een dergelijke situatie is immers geen sprake geweest. Uit het arrest van 19 december 2024 volgt ook dat de minister de bevoegdheid heeft om de tijdelijke bescherming zelf te beëindigen voor de groep derdelanders die hij door toepassing te geven aan de facultatieve bepaling onder de werkingssfeer van de RTB heeft gebracht. De verwijzing naar het arrest Kücükdeveci slaagt evenmin nu geen sprake is van een situatie waarin het Unierecht niet duidelijk, coherent of uitvoerbaar is.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet gehouden was tot het maken van een belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Wel dient de minister op grond van artikel 5 van Pro Richtlijn 2008/115/EG bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening te houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven, de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en dient hij het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De door eiser naar voren gebrachte belangen zien allemaal op het eerbiedigen van eisers privéleven. Het privéleven is niet opgenomen als één van de belangen in artikel 5 van Pro de Richtlijn waarmee de minister rekening heeft hoeven houden bij het opleggen van het terugkeerbesluit, zodat het beroep niet kan slagen. Indien eiser meent dat hij voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking komt, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Voor zover eiser stelt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn belangen naar voren te brengen, wijst de rechtbank erop dat eiser in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid heeft eiser ook gebruikt gemaakt.
13. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, in de zaak Ararat. [11]
14. Gelet op wat hiervoor onder 8 is overwogen, moet de minister de proceskosten eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL24.14983.
2.Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG)
3.Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.Verdrag betreffende de Europese Unie.
5.Arrest van het Hof van Justitie van 19 januari 2010 in de zaak C-555/07.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.ECLI:EU:C:2024:1038.
9.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.De Raad van de Europese Unie.
11.ECLI:EU:C:2024:892.