ECLI:NL:RBDHA:2026:2038

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL25.18683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 VwArt. 19 VwArt. 3.86 VbArt. 6:2:18 SvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod na tbs-maatregel met repatriëringsmogelijkheid

Eiser, houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en tbs voor verkrachting van een minderjarige. De minister heeft zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Eiser betwist dit besluit en voert onder meer aan dat de intrekking buitenproportioneel is omdat zijn tbs-behandeling in Nederland niet succesvol kan worden afgerond zonder verlof.

De rechtbank oordeelt dat het voorzienbaar is dat de tbs-behandeling in Nederland zal vastlopen door het ontbreken van onbegeleid verlof, wat essentieel is voor afronding. Dit leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek in het besluit, waardoor het beroep gegrond is en het besluit wordt vernietigd. Echter, de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand omdat repatriëring naar Marokko met beëindiging van de tbs-maatregel mogelijk is, en er geen uitzichtloze situatie ontstaat.

Verder weegt de rechtbank het belang van de openbare orde mee en concludeert dat eiser nog steeds een gevaar vormt ondanks positieve gedragsveranderingen. De belangenafweging met betrekking tot artikel 8 EVRM Pro is zorgvuldig gemaakt, waarbij ook de banden met Nederland en Marokko zijn betrokken. Het opleggen van het inreisverbod is gerechtvaardigd. De rechtbank wijst ook de overige bezwaren af, waaronder die over het noodzakelijkheidscriterium en toetsing aan de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,-. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 6 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens zorgvuldigheidsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege repatriëringsmogelijkheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18683

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eisergeboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers reguliere verblijfsvergunning. Eiser moet terugkeren naar Marokko en heeft een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd gekregen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning, het terugkeerbesluit en het zware inreisverbod in stand kunnen blijven.

Procesverloop

2. In het besluit van 11 oktober 2022 (primaire besluit) heeft de minister de verleende reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht, met ingang van
1 januari 2020, ingetrokken. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook wordt aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd.
2.1.
Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was de [naam 2] , werkzaam bij de DJI, [1] aanwezig als deskundige.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister de reguliere verblijfsvergunning van eiser heeft mogen intrekken en of aan eiser een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod mochten worden opgelegd. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser is op 15 mei 2006 in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouders’. Met ingang van 23 september 2016 is aan eiser een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend.
4.1.
Eiser is op 8 juni 2021 veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en tbs voor de verkrachting van een minderjarige.
4.2.
Bij brief van 28 februari 2022 is het voornemen kenbaar gemaakt om de verblijfsvergunning in te trekken en aan eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar op te leggen. Met het primaire besluit is in overeenstemming met het voornemen beslist. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 juli 2024 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser beroep ingediend. Op 25 oktober 2024 is het besluit van 18 juli 2024 ingetrokken. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
4.3.
Eiser heeft daartegen beroep ingediend. Hij heeft op 16 mei 2025 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 30 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
Op 21 oktober 2025 heeft de minister aangekondigd dat de heer P. de Jong, werkzaam bij de DJI, bij de zitting aanwezig zal zijn om eventuele vragen over de repatriëring van vreemdelingen naar Marokko met een opgelegde tbs-maatregel te beantwoorden, evenals vragen over de beschikbare medische zorg in Marokko. Op 27 oktober 2025 heeft de minister een door de DJI opgestelde memo over repatriëring van tbs-patiënten naar Marokko overgelegd.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft eisers reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, met terugwerkende kracht, ingetrokken met ingang van 1 januari 2020. Hij stelt dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. De minister heeft eiser verder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. [2] De minister stelt dat niet is gebleken dat sprake is van een stagnatie in de tbs-behandeling van eiser. Recentelijk is een aanvraag voor onbegeleid verlof ingediend en het komt voor dat de bewindspersoon een dergelijke vorm van verlof toekent, ondanks dat de (door hemzelf opgestelde) regeling dit voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf niet toelaat. De minister heeft verder overwogen dat aan Marokko nog nooit een tbs-maatregel is overgedragen en het onbekend is of dit mogelijk is, maar dat een uitzetting in combinatie met beëindiging van de tbs-maatregel wel een optie is. Naar Marokko zijn in het recente verleden namelijk met succes tbs-gestelde vreemdelingen gerepatrieerd. Van een uitzichtloze situatie is volgens de minister dan ook geen sprake. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Was de minister bevoegd om de verblijfsvergunning in te trekken?
6. Eiser heeft niet betwist dat de minister op grond van artikel 18, eerste lid, onder e van de Vw, [3] gelezen in samenhang met artikel 19 van Pro de Vw, de aan eiser verleende vergunning kon intrekken. Eiser heeft evenmin betwist dat de minister de glijdende schaal, zoals neergelegd in artikel 3.86 van het Vb, [4] juist heeft toegepast. De minister was in beginsel dan ook bevoegd om op grond van artikel 3.86 van het Vb de verblijfsvergunning in te trekken.
Heeft de minister van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik mogen maken?
7. Eiser voert aan dat de gevolgen van de intrekking van de verblijfsvergunning voor hem buitenproportioneel zijn. De verlofregeling voor tbs is weliswaar gewijzigd, maar niet de verlofmogelijkheden voor onbegeleid en transmuraal verlof, terwijl die verlofmodaliteiten ook een noodzakelijk onderdeel zijn van de behandeling. Het is volgens eiser dan ook voorzienbaar dat zijn tbs-maatregel tot in lengte van dagen zal worden verlengd. De intrekking is daarom niet evenredig. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling [5] van 17 april 2023. [6] Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat de negatieve gevolgen en het vastlopen van de tbs-behandeling in combinatie met het ontbreken van repatriëringsmogelijkheden, resulteert in een eindeloze verlenging van een tbs-maatregel.
8. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of op dit moment al voorzienbaar is dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod van zodanige invloed op de (eindfase van de) tbs-behandeling van eiser zullen zijn, dat die intrekking en de oplegging nu al niet meer aangewezen zijn, omdat redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor de situatie voor eiser uitzichtloos zal worden en de beëindiging van het verblijf en de oplegging van het inreisverbod daarom onevenredig zijn.
8.1.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de rechtbank allereerst beoordelen of er op dit moment aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiser zijn tbs-behandeling niet in Nederland zal kunnen afmaken, als gevolg van de intrekking van zijn verblijfsrecht. De rechtbank moet daarna beoordelen of er andere mogelijkheden zijn om de tbs-behandeling af te ronden zonder in een uitzichtloze situatie terecht te komen. In dit kader zal de rechtbank beoordelen of het voorzienbaar is dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning repatriëring naar Marokko onmogelijk maakt.
Tbs in Nederland
9. De rechtbank is van oordeel dat het redelijkerwijs voorzienbaar is dat de tbs-maatregel niet in Nederland zal kunnen worden afgerond. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023 blijkt dat het voor het slagen en afronden van de tbs-behandeling essentieel is dat de tbs-gestelde vreemdeling met verlof kan. Het doel van de tbs-maatregel is namelijk terugkeer in de maatschappij. Zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling, is het daarmee in beginsel een gegeven, dat er in elke tbs-maatregel die tot een goed einde wordt gebracht sprake is van het doorlopen van de verschillende stadia van verlof, inclusief onbegeleid verlof. Zonder deze stadia te doorlopen kan de tbs-maatregel niet succesvol worden afgerond. In de uitspraak van 4 september 2024 [7] heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het feit dat er geen onbegeleid verlof plaatsvindt, ervoor zorgt dat de tbs-behandeling op een gegeven moment zal vastlopen. Uit de Verlofregeling TBS [8] volgt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, is uitgesloten van onbegeleid en transmuraal resocialisatieverlof. Dit betekent dat het behandeltraject in Nederland tot stilstand komt als de minister het rechtmatig verblijf van een vreemdeling beëindigt.
9.1.
De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het standpunt dat op dit moment nog niet voorzienbaar is dat de tbs-behandeling van eiser in Nederland niet zal kunnen slagen. De minister heeft ten onrechte overwogen dat op dit moment niet voorzienbaar is dat voor een succesvolle afronding van de tbs-maatregel alle verlofstadia noodzakelijk zullen zijn. De stelling van de minister, dat de minister van Justitie en Veiligheid in tenminste twee gevallen wel toestemming heeft verleend aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning om met onbegeleid verlof te gaan, ondanks dat de regelgeving dit niet toestaat, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de rechtbank dat deze mogelijkheid niet in de regelgeving is neergelegd, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. De minister heeft ook niet onderbouwd wanneer en onder welke omstandigheden de minister van Justitie en Veiligheid dergelijk onbegeleid verlof heeft toegekend, ondanks het feit dat de regeling niet in deze mogelijkheid voorziet. De rechtbank acht deze stelling dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat niet voorzienbaar is dat eisers tbs-behandeling in Nederland zal vastlopen, aangezien niet alle verlofstadia doorlopen kunnen worden.
9.2.
De rechtbank concludeert dat op dit moment al voorzienbaar is dat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning zijn tbs-behandeling niet succesvol in Nederland zal kunnen afronden.
9.3.
Gelet op het bovenstaande slaagt de beroepsgrond. De minister heeft namelijk ten onrechte gesteld dat het op dit moment niet voorzienbaar is dat eisers tbs-behandeling niet in Nederland zal kunnen worden afgerond. De minister heeft dit voorzienbare gevolg ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming. Het besluit kent daarom een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit.
9.4.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. In dit kader zal de rechtbank de mogelijkheden tot repatriëring beoordelen.
Is repatriëring mogelijk?
10. Omdat de rechtbank van oordeel is dat de tbs-behandeling voorzienbaar niet succesvol in Nederland zal kunnen worden afgerond, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het voorzienbaar is dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning maakt dat repatriëring naar Marokko daardoor onmogelijk zal worden. Immers, nu is vastgesteld dat de tbs-maatregel van eiser in Nederland voorzienbaar zal vastlopen, is de mogelijkheid van repatriëring de enige door de minister aangevoerde overige manier om te voorkomen dat eiser mogelijk in een uitzichtloze situatie terecht zal komen doordat zijn tbs-maatregel niet kan worden afgerond.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat er in het kader van repatriëring twee mogelijkheden zijn: of de straf en de tbs-maatregel worden overgedragen aan het land van herkomst of er is sprake van overplaatsing naar het land van herkomst met beëindiging van de tbs-maatregel.
10.2.
Voor wat betreft de eerste optie heeft de minister aangegeven dat onbekend is of de mogelijkheid bestaat om de straf en de tbs-maatregel over te dragen aan Marokko. Dit is in het verleden nog nooit gebeurd. De rechtbank concludeert dan ook dat op dit moment niet kan worden gesteld dat overdracht van de straf en tbs-maatregel aan Marokko tot de mogelijkheden behoort. Voor wat betreft de mogelijkheden van repatriëring naar Marokko zal daarom gekeken moeten worden naar de tweede mogelijkheid: repatriëring met beëindiging van de tbs-maatregel. De rechtbank zal beoordelen of deze overgebleven optie voldoende mogelijkheden biedt om een redelijkerwijs voorzienbare uitzichtloze situatie voor eiser te voorkomen.
10.3.
De mogelijkheid van repatriëring met beëindiging van de tbs-maatregel is neergelegd in artikel 6:2:18 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Op grond van dit artikel kan de minister van Justitie en Veiligheid een tbs-maatregel beëindigen ten aanzien van een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, in de zin van artikel 8 van Pro de Vw. De minister dient in dat geval een passende voorziening voor de vreemdeling te regelen in het land van herkomst, gericht op (in ieder geval) vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar. Verder moet het gaan om een vreemdeling die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.
10.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat repatriëring met beëindiging van de tbs-maatregel in het geval van eiser tot de mogelijkheden behoort. Uit de door de minister overgelegde memo van 27 oktober 2025 blijkt dat in zijn algemeenheid medische voorzieningen met betrekking tot psychische problematiek in Marokko beschikbaar en toegankelijk zijn. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er tegen het einde van de tbs-behandeling gericht gekeken dient te worden welke passende maatregelen er voorhanden zijn in Marokko en dat hierna met de overdracht begonnen kan worden. De rechtbank stelt vast dat de minister ter onderbouwing van de stelling dat repatriëring op deze wijze mogelijk is heeft verwezen naar het feit dat er sinds 2017 negen vreemdelingen naar Marokko zijn teruggekeerd. Daarbij heeft de medewerker van de DJI op de zitting toegelicht dat dit aantal (nog) beperkt is, omdat, anders dan voorheen, gedwongen terugkeer weer mogelijk is. Ook heeft de medewerker van de DJI desgevraagd aangegeven dat op dit moment twintig tbs-patiënten onder de aandacht zijn en aan het begin van het repatriëringstraject staan. Gelet op de gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat het feit dat het hier niet om grote aantallen gaat niet afdoet aan het bestaan van de mogelijkheid van repatriëring op deze wijze.
10.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende is gemotiveerd dat het voor eiser tot de mogelijkheden behoort om in de toekomst naar Marokko te worden gerepatrieerd, terwijl de tbs-maatregel wordt beëindigd. Dit betekent dat het op dit moment dan ook niet redelijkerwijs voorzienbaar is dat eiser in een uitzichtloze situatie terecht zal komen door de intrekking van zijn verblijfsvergunning of de oplegging van het inreisverbod. Eisers niet onderbouwde stelling dat hij geen familie heeft in Marokko, dat hij een culturele afstand heeft tot Marokko, omdat hij in Nederland is geboren en getogen en hij de taal niet vloeiend beheerst, is onvoldoende om te concluderen dat de repatriëring op voorhand niet mogelijk is.
Conclusie
10.6.
De rechtbank oordeelt dat, gelet op het voorgaande, door de minister gesteld kon worden dat op dit moment niet voorzienbaar is dat eiser in een uitzichtloze situatie terecht komt. Immers, ondanks het feit dat een succesvolle afronding van de tbs-behandeling binnen de huidige regelgeving na intrekking van de verblijfsvergunning niet mogelijk is, heeft de minister alsnog voldoende gemotiveerd dat de mogelijkheid van repatriëring blijft bestaan, zodat van een uitzichtloze situatie geen sprake is. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het besluit wat dit punt betreft niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.
Is voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium?
11. Eiser voert verder aan dat ten onrechte niet is beoordeeld of het in het kader van de openbare orde noodzakelijk is om het verblijf van eiser in Nederland te beëindigen. Hij wijst in dit verband op een brief van de GZ-psycholoog. Er is sprake van een positieve gedragsverandering.
11.1
Voor zover eiser heeft willen betogen dat de minister geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de verblijfsvergunning in te trekken, omdat eiser geen gevaar meer zou vormen voor de openbare orde, is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eiser niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het feit dat aan eiser een tbs-maatregel is opgelegd en dat de tbs-maatregel voortduurt al volgt dat eiser nog steeds een gevaar vormt voor de openbare orde. Aan het noodzakelijkheidsvereiste is voldaan. De stelling van eiser dat sprake is van een positieve gedragsverandering doet daar niet aan af. Aan eisers positieve gedragsverandering tijdens detentie komt slechts beperkte betekenis toe. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat het goede gedrag van eiser in detentie onvoldoende zegt over het toekomstige gedrag in de samenleving. [9]
Staat familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM in de weg aan de intrekking en het inreisverbod?
12. Volgens eiser is er sprake van ‘more than emotional ties’ tussen hem en zijn familie. Zijn familie in Nederland fungeert voor hem als zijn sociale vangnet, vooral nu hij in de kliniek zit. Het is zijn enige contact met de buitenwereld. De familie is bereid hem op te vangen als hij vrij komt en hem een stabiele omgeving te bieden. Eiser heeft een groot steunend netwerk waar hij bijna dagelijks telefonisch contact mee heeft en die ook regelmatig op bezoek komt. Eiser heeft in zijn detentieperiode geen contact willen hebben met zijn netwerk om ze niet te belasten. Maar nu staat hij wel toe dat zijn netwerk contact opneemt en hem komt bezoeken. De moeder, enkele broers en neven zijn op bezoek geweest bij eiser.
12.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden geen bijzondere afhankelijkheid op financieel, materieel of praktisch gebied heeft aangenomen. Eiser is geruime tijd meerderjarig, verliet in 2015 het ouderlijk huis en woonde, na een verblijf bij zijn broer, uiteindelijk op zichzelf. De minister heeft dan ook op goede gronden overwogen dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid en daarmee is geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De stelling van eiser dat zijn familie een sociaal vangnet vormt nu hij in de kliniek zit, maakt dat niet anders. Het betoog van eiser treft geen doel.
Staat privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro in de weg aan de intrekking en het inreisverbod?
13. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte niet alle belangen zijn meegewogen en dat de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser is uitgevallen. Eiser is gelet op zijn lange verblijf in Nederland een “settled migrant”, zodat er zeer ernstige redenen nodig zijn om de uitzetting te rechtvaardigen. Deze zwaarwegende omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken, mede gezien de kwetsbaarheid van eiser. In dit kader doet eiser een beroep op de arresten Savran [10] en Bensaid [11] . Eiser wijst ook op het arrest Azzaqui [12] . Uit dit arrest volgt dat de verminderde toerekeningsvatbaarheid vanwege psychische gebreken een relevant element is bij de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat het privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM niet aan de intrekking van de verblijfsvergunning in de weg staat. De rechtbank wijst voor de motivering hiervan op de overwegingen 16.2 tot en met 16.6.
Is het besluit in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM?
14. Eiser voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt volgens eiser dat bij vrijheidsstraffen altijd een reëel vooruitzicht op vrijlating moet zijn, anders ontstaat strijd met de menselijke waardigheid en daarmee met artikel 3 van Pro het EVRM.
14.1.
De minister stelt zich in het verweerschrift [13] op het standpunt dat is gebleken dat uitzetting naar het land van herkomst in combinatie met een beëindiging van de tbs-maatregel, waarna een passende voorziening wordt gevonden in het land van herkomst, tot de mogelijkheden behoort voor eiser.
14.2.
Naar het oordeel van de rechtbank treft het betoog van eiser geen doel. Met de minister en anders dan eiser aanvoert is de rechtbank van oordeel dat thans geen sprake is van een situatie dat geen reëel vooruitzicht op vrijlating bestaat. Er is geen strijd met de menselijke waardigheid en daarmee niet met artikel 3 van Pro het EVRM. Ook in zoverre is het bestreden besluit niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Kon de minister een terugkeerbesluit opleggen?
15. Eiser voert aan dat de Afdeling op 18 december 2024 [14] prejudiciële vragen heeft gesteld over of een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd tegen een vreemdeling die langdurig in strafrechtelijke detentie verblijft. Eiser stelt dat het terugkeerbesluit niet kan worden uitgevoerd en daarom onrechtmatig is.
15.1.
De rechtbank ziet in het feit dat er prejudiciële vragen zijn gesteld geen aanleiding om te oordelen dat geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Aan eiser is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een tbs-maatregel is opgelegd. De rechtbank stelt voorop dat de prejudiciële vragen zich richten op gevallen waarin een langdurige dan wel levenslange gevangenisstraf is opgelegd. In die zaken ging het om een levenslange gevangenisstraf die is opgelegd en een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaar. De rechtbank overweegt dat de term ‘langdurige gevangenisstraf’ niet nader is gespecificeerd, maar is van oordeel dat de straf die aan eiser is opgelegd niet dusdanig lang is dat kan worden gesteld dat geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Zoals door de rechtbank is overwogen behoort uitzetting naar het land van herkomst in combinatie met een beëindiging van de tbs-maatregel tot de mogelijkheden voor eiser, zodat geen sprake is van een uitzichtloze situatie, noch van een situatie van vergelijkbare duur met de hiervoor genoemde gevangenisstraffen.
Heeft de minister een inreisverbod voor de duur van tien jaar kunnen opleggen?
16. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd. Eiser vormt geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser stelt dat de informatie waarop de minister zich baseert verouderd is. Eiser is al vergevorderd in zijn behandelingen waardoor het recidiverisico laag is. Eiser dient een kans te krijgen om zijn resocialisatietraject in Nederland af te ronden. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het feit dat hij de gedragsverandering niet heeft kunnen laten zien buiten de kliniek in zijn nadeel wordt gewogen. Ook is onvoldoende gemotiveerd dat de bedreiging die van eiser uitgaat niet is geweken. Tot slot voert eiser aan dat ten onrechte niet in de belangenafweging is meegewogen dat hij geen banden heeft met Marokko. De enige band die hij heeft is zijn nationaliteit.
16.1
Uit de uitspraken van de Afdeling van 2 juni 2016 en van 20 november 2015 in samenhang met het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O. [15] , volgt dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging dat een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister dient bij de beoordeling of daarvan sprake is alle feitelijke en juridische gegevens te betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. De minister moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit.
16.2.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser privéleven in Nederland heeft opgebouwd. De vraag is of de minister van het bestreden besluit heeft moeten afzien, omdat de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod in strijd zijn met artikel 8 van Pro het EVRM. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van Pro het EVRM een inmenging in het privéleven rechtvaardigt, moeten volgens de rechtspraak van het EHRM de ‘guiding principles’ uit de arresten Boultif en Üner [16] uitdrukkelijk bij de afweging worden betrokken. Bij de afweging van het belang van de staat tegen het persoonlijke belang van eiser moet niet alleen ingegaan worden op de afzonderlijke beoordelingspunten, maar moeten deze ook in hun onderlinge samenhang worden bezien. Er moet sprake zijn van een juist evenwicht (fair balance) tussen de af te wegen belangen. De rechtbank dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in deze belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving om de openbare orde te beschermen. Deze maatstaf betekent dat de toetsing door de rechtbank enigszins terughoudend dient te zijn.
16.3.
De minister heeft in het bestreden besluit deze belangenafweging gemaakt en de belangen van eiser enerzijds en het algemeen belang van de Nederlandse staat om de openbare orde te beschermen anderzijds tegen elkaar afgewogen. De minister heeft daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet ten onterechte betrokken dat eiser, gelet op de aard en ernst van het misdrijf, een daadwerkelijk gevaar vormt voor de openbare orde. Het betoog van eiser dat de verminderde toerekeningsvatbaarheid bij de belangenafweging moet worden betrokken treft geen doel, omdat de minister bij de beoordeling heeft betrokken dat eiser het misdrijf pleegde onder invloed van een geestelijke stoornis. De minister heeft de aard en ernst ervan minder zwaar in het nadeel van eiser gewogen. Verder is ook bij de belangenafweging betrokken dat eiser door de strafrechter maar deels ontoerekeningsvatbaar en daarmee deels toerekeningsvatbaar is geacht. Dit neemt niet weg dat eiser een aanzienlijke gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd heeft gekregen en dat de minister dit op goede gronden heeft betrokken bij de belangenafweging. Het beroep van eiser op de door hem genoemde arresten treft daarom geen doel.
16.4.
Het betoog van eiser ten aanzien van het recidiverisico treft ook geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister in het verweerschrift terecht heeft aangegeven dat eiser kort voor het bestreden besluit aanvullende informatie heeft overgelegd ten aanzien van het verloop van de behandeling en dat hierin valt te lezen dat nog zal moeten
blijken in hoeverre eiser zal profiteren van zijn therapieën op de lange termijn. De rechtbank ziet in dat wat eiser aanvoert geen aanknopingspunt om te oordelen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recidiverisico er nog is, ook al verloopt de behandeling goed en mag eiser met begeleid verlof. De stelling van eiser dat het hem niet is aan te rekenen dat hij de gedragsverandering niet buiten de kliniek heeft kunnen laten zien, biedt de rechtbank dat aanknopingspunt evenmin. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft meegewogen dat het recidiverisico nog hoog is.
16.5.
Het betoog van eiser dat de minister ten onrechte niet in de belangenafweging heeft meegewogen dat eiser geen banden heeft met Marokko slaagt ook niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd heeft dat de banden met Marokko minder sterk zijn, maar kunnen worden opgebouwd. Eiser is immers in Marokko geboren en heeft daar tot zijn tiende jaar gewoond. Daarnaast is hij drie keer teruggekeerd naar Marokko, waarvan de laatste keer in 2018. Daarbij komt dat de minister ook gemotiveerd heeft aangegeven dat de banden met Nederland niet dusdanig sterk zijn dat van het besluit moet worden afgezien. Van een onvolledige belangenafweging is dan ook geen sprake.
16.6.
De rechtbank concludeert dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser een bedreiging vormt voor de openbare orde en dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt.
Heeft de minister getoetst aan artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn?
17. Eiser voert aan dat de minister, gelet op artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn, geen gebruik heeft mogen maken van de bevoegdheid tot intrekken van de verblijfsvergunning. Hij wijst daartoe op een uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2021 [17] en het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018 [18] . De minister mag volgens eiser, als hij een autonome verblijfstitel intrekt, geen afbreuk doen aan het doel en het nuttig effect van artikel 15 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn.
17.1.
De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat is getoetst aan artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn, zij het onder het kopje “artikel 8 van Pro het EVRM”, omdat de gezinsband van eiser, de duur van het verblijf in de lidstaat, de familiebanden en culturele/sociale banden met het land van herkomst zijn betrokken bij de intrekking van het verblijfsrecht van eiser. Ook zijn deze omstandigheden meegenomen bij de toetsing van de evenredigheid van de gevolgen van het bestreden besluit.
17.2
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de intrekking van de verblijfsvergunning getoetst moet worden aan artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. Vervolgens volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat daaraan is getoetst, zij het onder het kopje ‘artikel 8 van Pro het EVRM”. De rechtbank overweegt dat de minister een evenredigheidsbeoordeling ook mag plegen in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in plaats van de Gezinsherenigingsrichtlijn, als de minister maar een individuele beoordeling heeft gemaakt. De rechtbank wijst in dit verband op de eerder genoemde de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2021 en een uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2022 [19] . Eiser heeft niet aangevoerd dat de beoordeling van de minister hier niet aan voldoet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

18. Zoals volgt uit rechtsoverweging 9.3 is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank bepaalt dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, [20] de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
19. Eiser heeft recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzitter, en mr. H. Hanssen - Telman en mr. N. Meesters-van Luijk, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dienst Justitiële Inrichtingen.
2.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanheft en onder a en b van het Vb.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Afdeling 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1483.
7.Afdeling 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:3563.
8.Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 december 2010, nr. 5679537/10/DJI, houdende regels over de verlening van een machtiging tot verlof aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van de ter beschikking gestelden.
10.EHRM, 7 december 2021, 57467/15 (Savran t. Denemarken).
11.EHRM 6 februari 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998, (Bensaid t. Verenigd Koninkrijk).
12.EHRM, 30 mei 2023, 8757/20 (Azzaqui t. Nederland).
13.Pagina 4.
15.Hof van Justitie, 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377 (Z. Zh. en I.O.).
16.EHRM, 2 augustus 2001, 54273/00 (Boultif t. Zwitserland) en EHRM, 18 oktober 2006, 46410/99, (Üner t. Nederland).
17.Afdeling 29 januari 2021, ECLI:NL:RVS:139.
18.Hof van Justitie, 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:876.
19.Afdeling 17 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:524.
20.Algemene wet bestuursrecht.