ECLI:NL:RBDHA:2026:20565

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38853
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 lid 1 SchengengrenscodeArt. 45 lid 1 ProcedureverordeningArt. 94 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige grensdetentie wegens onvoldoende onderbouwing noodzaak en ontbreken lichter middel

Eiser is met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld, waarbij eiser niet aanwezig was maar wel schriftelijke gronden heeft ingediend.

De rechtbank oordeelt dat het gebruik van een niet-beëdigde tolk in het Birmese taalgebied voldoende is toegelicht door de minister en dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De kern van het geschil betreft echter de rechtmatigheid van de grensdetentie zelf. De minister heeft de noodzaak van de grensdetentie uitsluitend gebaseerd op het grensbewakingsbelang en artikel 14 van Pro de Schengengrenscode.

De rechtbank stelt dat de minister voorbijgaat aan het eerdere oordeel dat de grensprocedure slechts verplicht is in specifieke situaties en dat grensdetentie als ultimum remedium moet worden toegepast. De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom lichtere middelen niet effectief zijn en waarom de grensdetentie noodzakelijk is. Hierdoor is de opgelegde grensdetentie onrechtmatig.

De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 22 juli 2026 en kent eiser een schadevergoeding toe van €1.440 voor 12 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden de proceskosten van €934 aan eiser toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter M.B. de Boer.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de grensdetentie op en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige vrijheidsontneming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38853

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Eisers gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk gronden ingediend. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1
Eiser voert in de eerste plaats aan dat in het verslag van het gehoor dat voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel met eiser is gehouden ten onrechte is vermeld dat er geen registertolk in de Birmese taal in het register voor beëdigde tolken
en vertalers bekend is. In reactie hierop heeft de minister een proces-verbaal (pv) van bevindingen overgelegd waaruit blijkt dat op het moment van het gehoor geen beëdigde tolk in de Birmese taal beschikbaar was en dat om die reden gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Hoewel in het verslag van het gehoor dus ten onrechte is vermeld dat geen registertolk in de Birmese taal in het register bekend is, is de rechtbank van oordeel dat de minister met het aanvullende pv van bevindingen voldoende heeft toegelicht waarom bij het gehoor gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk.
1.2
Ten overvloede overweegt de rechtbank over dit punt dat in het geval de minister geen redenen heeft gegeven waarom geen beëdigde tolk kon worden gebruikt, of zoals hier een onjuiste reden geeft, dit de oplegging van de maatregel niet onrechtmatig maakt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
3 juli 2012, onder 2.3.5, volgt dat gebreken in dat soort handelingen niet direct leiden tot onrechtmatigheid van de vrijheidsontneming maar tot een belangenafweging [1] . Omdat niet is gebleken of en zo ja, in hoeverre eiser door het gebruik van de betreffende tolk is benadeeld, bestaat al geen grond voor het oordeel dat de met de vrijheidsontneming gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek.
2. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank partijen gewezen op uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juli 2026 [2] en hen gevraagd naar aanleiding van die uitspraken een standpunt in te nemen.
3. Bij de behandeling ter zitting heeft de minister nogmaals uitdrukkelijk betoogd dat de noodzaak van het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, is gelegen in het grensbewakingsbelang. De minister heeft in dit verband ook met name gewezen op artikel 14, eerste lid, van de Schengengrenscode.
4. Met dit standpunt gaat de minister echter voorbij aan het eerdere oordeel van de rechtbank in de uitspraken van 17 juli 2026 dat uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt dat alleen in de daarin genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. In alle andere gevallen – zo ook in de zaak van eiser – is een lidstaat niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan. Dit maakt niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze – bijvoorbeeld omdat er een risico is op onderduiken – te zijn onderbouwd. Deze onderbouwing is door de minister in de onderhavige zaak evenwel niet gegeven.
5. De rechtbank overweegt verder dat het unierecht geen automatische koppeling legt tussen het toepassen van de grensprocedure en het plaatsen in grensdetentie. Detentie van een asielzoeker als uiterst middel kan enkel worden opgelegd indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Dat de minister in regelgeving of praktijk (nog) geen mogelijkheden ziet om bij een asielzoeker die zich aan de buitengrens presenteert een effectief lichter middel toe te passen, betekent niet dat die mogelijkheid niet bestaat. De rechtbank ziet daarom, zonder nadere motivering zoals bijvoorbeeld bij toepassing van de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarbij sprake is van aanknopingspunten voor toepassing van de Dublinverordening of Asiel- en Migratiebeheerverordening wordt gegeven, niet in dat met het niet opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel het grensbewakingsbelang zonder meer volledig wordt losgelaten.
6. De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat de aan eiser opgelegde grensdetentie onrechtmatig is, omdat niet is gebleken van de noodzaak daartoe en niet is gekeken of volstaan kon worden met een lichter middel.
7. De rechtbank hecht eraan op te merken dat het voorgaande niet betekent dat de minister op deze wijze niet meer over zou kunnen gaan tot het toepassen van grensdetentie. Als na een gedegen onderzoek is gebleken dat een lichter middel niet effectief is toe te passen, de bewaring noodzakelijk is en op grond van een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden evenredig is achten, dan kan de minister overgaan tot het toepassen van grensdetentie. En is unierechtelijk, in overeenstemming met het beginsel van ultimum remedium, verzekerd dat de detentie in dat specifieke geval niet anders kon en ook niet anders had gehoeven.
8. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 22 juli 2026.
9. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontneming van 12 x € 120,-- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,--.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). In dit verband merkt de rechtbank op dat hoewel het beroep is ingeleid met een kennisgeving, de gemachtigde van eiser het beroep schriftelijk heeft aangevuld door het indienen van beroepsgronden, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangemerkt als een relevante proceshandeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 22 juli 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.440,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.