ECLI:NL:RBDHA:2026:20565
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie wegens onvoldoende onderbouwing noodzaak en ontbreken lichter middel
Eiser is met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld, waarbij eiser niet aanwezig was maar wel schriftelijke gronden heeft ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het gebruik van een niet-beëdigde tolk in het Birmese taalgebied voldoende is toegelicht door de minister en dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De kern van het geschil betreft echter de rechtmatigheid van de grensdetentie zelf. De minister heeft de noodzaak van de grensdetentie uitsluitend gebaseerd op het grensbewakingsbelang en artikel 14 van Pro de Schengengrenscode.
De rechtbank stelt dat de minister voorbijgaat aan het eerdere oordeel dat de grensprocedure slechts verplicht is in specifieke situaties en dat grensdetentie als ultimum remedium moet worden toegepast. De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom lichtere middelen niet effectief zijn en waarom de grensdetentie noodzakelijk is. Hierdoor is de opgelegde grensdetentie onrechtmatig.
De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 22 juli 2026 en kent eiser een schadevergoeding toe van €1.440 voor 12 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden de proceskosten van €934 aan eiser toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter M.B. de Boer.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de grensdetentie op en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige vrijheidsontneming.