ECLI:NL:RBDHA:2026:20602

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL24.27949 en NL24.34409
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Richtlijn 2001/55/EGArt. 2 Uitvoeringsbesluit EU 2022/382Art. 4:5 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten tijdelijke bescherming en asiel buiten behandelingstelling wegens onvoldoende toetsing

Eiseres, met de Russische nationaliteit, verzocht om tijdelijke bescherming op grond van de EU-Richtlijn 2001/55/EG, mede vanwege haar relatie met een Oekraïense partner die tijdelijke bescherming geniet. De minister wees dit af, stellende dat eiseres niet zelfstandig in aanmerking komt en dat de partner ten onrechte bescherming zou hebben gekregen. Tevens stelde de minister de asielaanvraag buiten behandeling wegens niet-formalisering en legde een terugkeerbesluit op.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet heeft onderzocht of eiseres als duurzame partner van de beschermde Oekraïense partner recht op tijdelijke bescherming heeft. De minister mocht niet zonder meer aannemen dat de partner ten onrechte bescherming ontving, zeker omdat die bescherming nog niet was ingetrokken. Hierdoor is het primaire besluit en het besluit op bezwaar ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.

Daarnaast vernietigt de rechtbank het besluit tot buiten behandelingstelling van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit, omdat de minister onvoldoende heeft onderzocht of uitvoering van het terugkeerbesluit het non-refoulementbeginsel schendt. Eiseres bracht voldoende risico's naar voren, en de minister heeft dit niet gemotiveerd weerlegd.

De rechtbank draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de relatie van eiseres en de bescherming van haar partner, en met de mogelijke schending van het non-refoulementbeginsel. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van de minister en draagt op tot hernieuwde besluitvorming met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.27949 en NL24.34409

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn).
Bij besluit van 13 juni 2024 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Op 11 juli 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1; geregistreerd door de rechtbank onder zaaknummer NL24.27949.
Bij besluit van 7 augustus 2024 (bestreden besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag), buiten behandeling gesteld.
Op 3 september 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2; geregistreerd onder zaaknummer NL24.34409.
Op 11 mei 2026 heeft verweerder op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Ivanov-Aptekar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Totstandkoming van bestreden besluiten 1 en 2
1. Eiseres heeft de Russische nationaliteit en is geboren op 20 maart 1994. Zij heeft zich op 10 augustus 2023 gemeld bij verweerder en aangegeven dat zij in Nederland wil verblijven onder de Richtlijn. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij bestreden besluit 1, heeft verweerder vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn. Daaraan ligt ten grondslag dat eiseres niet de Oekraïense nationaliteit heeft én niet behoort tot de aangewezen groep ontheemden waarvoor de tijdelijke bescherming is bedoeld. Verweerder heeft verder de asielaanvraag van eiseres bij bestreden besluit 2 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat zij deze niet op de voorgeschreven wijze heeft geformaliseerd; eiseres moest zich binnen twee weken melden in het aanmeldcentrum om haar aanvraag door te zetten en dat heeft zij niet gedaan. Verder heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Beroepsgronden
2. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat zij niet onder de Richtlijn valt. Haar Oekraïense partner, [naam], heeft wél tijdelijke bescherming gekregen die op 15 februari 2023 ook nog eens is verlengd. Volgens verweerder is die tijdelijke bescherming ten onrechte verleend, maar dat doet volgens eiseres niet af aan het feit dat, zolang die tijdelijke bescherming van haar partner niet is ingetrokken, ook zij in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van artikel 15, eerste lid, onder a, van de Richtlijn en artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 en WI 2022/17. Daarnaast betwist eiseres het standpunt van verweerder dat haar partner ten onrechte tijdelijke bescherming heeft gekregen. Volgens eiseres is er meer ruimte om te betogen dat men ontheemd is geraakt door het Russisch-Oekraïense conflict. Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 25 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10950, r.o. 6.2.
2.1.
Verder heeft eiseres betoogd dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd bij de buitenbehandelingstelling van haar asielaanvraag. Dit betekent dat zij wordt gescheiden van haar partner. Haar partner kan niet terugkeren naar Oekraïne en daarnaast bestaan volgens eiseres anderszins ‘serious and obvious difficulties’ voor uitoefening van het gezinsleven, mede gelet op haar Russische nationaliteit. Eiseres stelt dat verweerder op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn het gezinsleven had moeten betrekken bij zijn besluitvorming. Volgens eiseres kan zij niet langs andere weg verblijf bij haar partner verkrijgen. Een verblijfsaanvraag op grond van artikel 8 van Pro het EVRM ligt namelijk niet voor de hand, omdat haar partner met tijdelijke bescherming geen rechten ontleend aan reguliere gezinshereniging. Het terugkeerbesluit is volgens eiseres dan ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 van Pro het EVRM. Verder heeft zij gewezen op het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, en benadrukt daarmee de verplichting van verweerder om het beginsel van non-refoulement in acht te nemen.
Verweerders argumentatie
3. Ten aanzien van de vaststelling dat eiseres niet als familielid van een persoon die zelfstandig onder de Richtlijn valt kan worden aangemerkt, heeft verweerder gesteld dat eiseres’ gestelde partner ten onrechte tijdelijke bescherming heeft gekregen. Eiseres kan daarom geen aanspraak maken op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn op basis van de gestelde relatie met haar Oekraïense partner. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is een eenmaal gemaakte fout te herhalen. Verder heeft hij niet getoetst of sprake is van de vereiste duurzame relatie tussen eiseres en haar gestelde partner. Dat de tijdelijke bescherming van de gestelde partner vooralsnog niet is ingetrokken, doet daar niet aan af.
3.1.
Ten aanzien van de asielaanvraag van eiseres, waarbij een terugkeerbesluit naar Rusland is opgelegd, heeft verweerder (ter zitting) gesteld:
1) dat bij een buiten behandelingstelling de aanvrager zelf de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om het gezinsleven in de beoordeling van het terugkeerbesluit te laten meewegen;
2) bij een buiten behandelingstelling ook geen onderzoek wordt gedaan naar een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement in het kader van het terugkeerbesluit, omdat de aanvraag conform het Unierecht impliciet wordt ingetrokken en daarmee aangenomen wordt dat de vreemdeling geen behoefte meer heeft aan internationale bescherming. Volgens verweerder is het onderhavige geval niet te vergelijken met paragraaf 38 van het arrest Ararat. Specifieker verwijst verweerder naar de bevoegdheid van een lidstaat om op grond van artikel 28 van Pro de Procedurerichtlijn een aanvraag buiten behandeling te stellen. Inherent aan zo’n geval is volgens verweerder dat de vreemdeling zich daarmee heeft onttrokken aan iedere beoordeling en verweerder niet in staat wordt gesteld om daarmee de relevante informatie te vergaren een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement te onderzoeken. Verweerder heeft ook gesteld dat dit niet betekent dat een dergelijk onderzoek in het geheel niet meer plaatsvindt: de vreemdeling heeft het recht om op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb, artikelen 40 en 41 van de Procedurerichtlijn en artikel 30c, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een nieuwe aanvraag in te dienen.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van bestreden besluiten 1 en 2 aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
4.1.
Ten aanzien van de vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres, als gestelde partner van een Oekraïner, geen tijdelijk verblijfsrecht ontleent aan de Richtlijn, overweegt de rechtbank het volgende.
4.2.
Voor zover hier van belang, volgt uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn dat de echtgenoot van de gezinshereniger of zijn niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden als leden van een gezin worden beschouwd. Verweerder heeft echter niet getoetst of eiseres aan deze voorwaarden van de Richtlijn voldoet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gestelde partner van eiseres zelf ook geen recht op tijdelijke bescherming ontleent aan de Richtlijn en dat hij die fout in het geval van eiseres niet hoeft te herhalen.
4.3.
Niet in geschil is dat eiseres zelf niet zelfstandig in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Haar gestelde partner heeft echter wel tijdelijke bescherming gekregen. Zolang die tijdelijke bescherming niet is ingetrokken, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de zaak van eiseres moeten beoordelen of zij daaraan een recht op tijdelijke bescherming kan ontlenen.
Het standpunt van verweerder dat hij niet gehouden is een gemaakte fout te herhalen, is op zichzelf juist. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel strekt in ieder geval niet zo ver (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:457, onder 17). Zoals eiseres echter terecht aanvoert, is vooralsnog niet in de daartoe bestemde procedure vastgesteld dat in het geval van haar gestelde partner sprake is van een gemaakte fout.
In de zaak van eiseres heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om haar tijdelijke bescherming te verlenen, omdat al bij haar loketbezoek bij de IND is gebleken dat haar gestelde partner ten onrechte een sticker heeft gekregen. De gestelde partner is volgens verweerder namelijk niet aan te merken als ‘ontheemde’ in de zin van de Richtlijn, omdat hij Oekraïne vóór de gehanteerde peildatum heeft verlaten. De rechtbank kan dit niet zonder meer volgen. Verweerder is toen immers niet overgegaan tot intrekking van de tijdelijke bescherming van de gestelde partner. De rechtbank kan niet in deze procedure beoordelen of sprake is van zo’n gemaakte fout. Daarbij komt dat uit verweerders huidige werkinstructie 2025/6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming volgt dat, zodra wordt ontdekt dat tijdelijke bescherming ten onrechte is toegekend, dit zo spoedig mogelijk moet worden hersteld. Die intrekking heeft niet plaatsgevonden nadat in het primaire besluit is vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op tijdelijke bescherming. Ook ten tijde van het besluit op bezwaar, bijna een jaar later (2024), was de tijdelijke bescherming van de gestelde partner niet ingetrokken.
Zoals gezegd kan de rechtbank de motivering dat sprake is van een gemaakte fout niet beoordelen in de zaak van eiseres. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom verweerder er niet voor heeft gekozen om de procedures van eiseres en haar gestelde partner gezamenlijk te laten lopen. Eerst ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat in februari 2026 een voornemen tot intrekking van de tijdelijke bescherming van de gestelde partner is uitgebracht. Dat maakt het voorgaande niet anders. Daarmee wordt juist duidelijk dat vooralsnog niet vaststaat dat sprake is van een gemaakte fout. Verweerder kon die motivering daarom niet aan de bestreden besluiten in de zaak van eiseres ten grondslag leggen.
4.4.
De beroepsgrond slaagt.
4.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond omdat bestreden besluit 1 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Dit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom bestreden besluit 1. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar te nemen of een bestuurlijke lus toe te passen. Dit betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres waarbij hij rekening moet houden met wat de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld (artikel 8:72, vierde lid, van de Awb).
De asielaanvraag
5.1.
Nu verweerder zich niet zonder meer op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming, valt de vraag of eiseres alsnog in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming weer open. Die vraag raakt aan de overkoepelende vraag of eiseres in aanmerking dient te komen voor internationale bescherming. Gelet op wat in beide procedures naar voren is gebracht, ziet de rechtbank aanleiding om te oordelen dat ook de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiseres niet in stand kan blijven. Bestreden besluit 2, waarbij tevens een terugkeerbesluit naar Rusland is opgelegd, moet daarom worden vernietigd.
5.2.
Ten aanzien van dat terugkeerbesluit overweegt de rechtbank meer specifiek nog het volgende. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat, gelet op haar lange verblijf in het Westen en haar relatie met een Oekraïense man, een reëel risico bestaat dat zij bij terugkeer naar Rusland zal worden ondervraagd en verdacht zal worden van spionage of van een haar toegedichte politieke overtuiging. Volgens eiseres had verweerder dit nader moeten onderzoeken.
Eiseres heeft daarmee voldoende naar voren gebracht dat uitvoering van het terugkeerbesluit mogelijk leidt tot schending van het beginsel van non-refoulement. Daarvoor hoeft zij niet aannemelijk te maken dat zo’n schending zonder meer zal plaatsvinden. Verweerder heeft daartegenover niet gemotiveerd dat van een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement geen sprake is. Verweerder heeft de asielaanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiseres zich niet in Ter Apel heeft gemeld om de aanvraag te formaliseren.
Ook in beroep heeft verweerder niet alsnog gemotiveerd dat een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement niet aan de orde is als uitvoering wordt gegeven aan het terugkeerbesluit. Dat volgt in ieder geval niet uit wat verweerder onder argument 2, zoals hiervoor weergegeven onder 3.1, heeft aangevoerd. Verweerders stelling dat hij niet gehouden was om een dergelijke beoordeling te verrichten, gaat dus niet langer op. Zelfs als dat ten tijde van de buitenbehandelingstelling mogelijk anders lag, mag van eiseres niet worden verlangd dat zij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6114, onder 5.3. Verweerder had dit dus alsnog moeten beoordelen en motiveren. Die beoordeling en motivering ontbreken.
5.3.
De beroepsgrond slaagt.
Uitkomst
6. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gericht tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond. Bestreden besluiten 1 en 2 worden vernietigd. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen de vaststelling dat zij niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn, met inachtneming van deze uitspraak en op de asielaanvraag. Daarbij merkt de rechtbank op dat het haar niet onverstandig voorkomt om de procedures gelijktijdig te behandelen met de procedure van de gestelde partner van eiseres, zoals eiseres ter zitting heeft aangevoerd.
7. Omdat de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen bestreden besluit 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen bestreden besluit 2 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Tevens moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden. Voor het beroep tegen bestreden besluit 2 is geen griffierecht geheven.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt bestreden besluiten 1 en 2;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres en op haar asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.