ECLI:NL:RBDHA:2026:2101
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming en proceskostenveroordeling
Eiser, van Turkmeense nationaliteit, stelde op 15 april 2024 beroep in tegen een brief van 29 januari 2024 waarin hem werd meegedeeld dat hij na 4 maart 2024 geen recht meer had op tijdelijke bescherming en dat een eerder terugkeerbesluit was ingetrokken. De rechtbank oordeelde dat deze brief als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt.
Het beroep tegen dit besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling, aangezien het besluit terecht was ingetrokken. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 werd ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat het terugkeerbesluit niet prematuur was, omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd, en dat de minister bevoegd was het terugkeerbesluit uit te vaardigen ondanks lopende voorlopige voorzieningen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit rekening had gehouden met relevante belangen zoals het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, en dat het beginsel van non-refoulement was geëerbiedigd. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens het ingetrokken besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2024 is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 ongegrond, en de minister is veroordeeld in de proceskosten van eiser.