ECLI:NL:RBDHA:2026:2101

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL24.16405
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8 EVRMArt. 5 Richtlijn 2008/115/EGArt. 6 Richtlijn 2008/115/EGArt. 7 Richtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming en proceskostenveroordeling

Eiser, van Turkmeense nationaliteit, stelde op 15 april 2024 beroep in tegen een brief van 29 januari 2024 waarin hem werd meegedeeld dat hij na 4 maart 2024 geen recht meer had op tijdelijke bescherming en dat een eerder terugkeerbesluit was ingetrokken. De rechtbank oordeelde dat deze brief als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt.

Het beroep tegen dit besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling, aangezien het besluit terecht was ingetrokken. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 werd ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat het terugkeerbesluit niet prematuur was, omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd, en dat de minister bevoegd was het terugkeerbesluit uit te vaardigen ondanks lopende voorlopige voorzieningen.

Verder oordeelde de rechtbank dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit rekening had gehouden met relevante belangen zoals het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, en dat het beginsel van non-refoulement was geëerbiedigd. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens het ingetrokken besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2024 is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 ongegrond, en de minister is veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16405

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

geboren op [datum] ,
van Turkmeense nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1]
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Procesverloop

In de brief van 29 januari 2024 heeft de minister aan eiser meegedeeld dat hij na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en is het eerder opgelegde terugkeerbesluit ingetrokken.
Op 4 maart 2024 heeft de minister een brief aan eiser gestuurd waarin staat dat hij na 4 maart 2024 niet meer onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt en dat de minister verder gaat met de behandeling van de asielaanvraag.
3. Eiser heeft op 15 april 2024 beroep ingesteld. Hij heeft verder op 15 april 2024 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [2]
4. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 april 2024 is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. [3]
5. Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd.
6. Op 3 september 2025 heeft eiser te kennen gegeven dat hij het niet eens is met het terugkeerbesluit. Hij verzoekt de rechtbank het reeds aanhangige beroep ook te beschouwen als zijnde gericht tegen het besluit van 7 augustus 2025.
7. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

8. Op de zitting is door de gemachtigde van de minister aangevoerd dat de minister niet in de proceskosten kan worden veroordeeld, omdat de brief van 4 maart 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb [4] . Anders dan de minister aanneemt, stelt de rechtbank vast dat het beroep van 15 april 2024 zich volgens het beroepschrift richt tegen de brief van 29 januari 2024 en niet tegen de brief van 4 maart 2024. In de brief van 29 januari 2024 is eiser meegedeeld dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en is het eerder opgelegde terugkeerbesluit ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 29 januari 2024 dan ook aan te merken is als een besluit. Subsidiair heeft de gemachtigde van de minister zich op het standpunt gesteld dat het beroep te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank ziet echter aanleiding om, gelet op de uitspraak van 17 januari 2024 [5] van de Afdeling, de verschillende oordelen van verschillende zittingsplaatsen nadien en de onduidelijkheid die hierdoor is ontstaan en de prejudiciële vragen die nadien zijn gesteld, aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
9. Eiser voert verder aan dat het nieuwe terugkeerbesluit prematuur is genomen. De tijdelijke bescherming eindigde pas na 4 september 2025. Daarnaast loopt de voorlopige voorziening nog in zijn zaak en kan een terugkeerbesluit niet eerder worden opgelegd dan na een beslissing op het beroepschrift. Eiser stelt verder dat het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [6] is. Ook is niet gebleken van een ambtshalve refoulement beoordeling.
10. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 29 januari 2024 niet-ontvankelijk, omdat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de proceskosten van eiser, omdat het besluit terecht is ingetrokken.
11. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 augustus 2025 ongegrond en overweegt daartoe als volgt.
12. Het betoog dat het terugkeerbesluit prematuur is gelet op de bevriezingsmaatregel om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf 4 september 2025 te beëindigen, slaagt niet. In het arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie – kort samengevat – geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is. [7] In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd op 4 maart 2024. [8]
13. Anders dan eiser bepleit ziet de rechtbank in (artikel 6 van Pro) Richtlijn 2008/115/EG en het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
14. Artikel 6 van Pro Richtlijn 2008/115/EG is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen als bedoeld in artikel 7 van Pro Richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.
15. Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 7 augustus 2025 genomen.
16. Op 7 augustus 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. De rechtbank verwijst hiervoor tevens naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 31 oktober 2025. [9]
17. De rechtbank ziet ook in het feit dat de voorlopige voorziening is getroffen geen aanleiding voor het oordeel dat geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de toegewezen voorlopige voorziening betekent dat eiser de uitkomst van de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. Dit doet echter niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf op grond van de Terugkeerrichtlijn en de verplichting en dus bevoegdheid van de minister om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Het toewijzen van een voorlopige voorziening betekent namelijk slechts dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep.
18. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet gehouden was tot het maken van een belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Wel dient de minister op grond van artikel 5 van Pro Richtlijn 2008/115/EG bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening te houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven, de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en dient hij het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Het privéleven is niet opgenomen als één van de belangen in artikel 5 van Pro de Richtlijn zodat de minister daarmee geen rekening heeft hoeven houden bij het opleggen van het terugkeerbesluit. Indien eiser meent dat hij voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking komt, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen. De minister heeft verder voldoende gemotiveerd waarom de relatie van eiser geen reden is om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Voor zover eiser stelt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn belangen naar voren te brengen, wijst de rechtbank erop dat eiser in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid heeft eiser ook gebruikt gemaakt.
19. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het terugkeerbesluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, in de zaak Ararat. [10]
20. Gelet op wat hiervoor onder 9 is overwogen, moet de minister de proceskosten eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 januari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris, worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.NL24.16406.
4.Algemene wet bestuursrecht.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.ECLI:EU:C:2024:1038.
10.ECLI:EU:C:2024:892