ECLI:NL:RBDHA:2026:2102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.45187
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid identiteit en homoseksualiteit

Eiser, een Malinese nationaliteit dragende man, vroeg asiel aan op grond van zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Mali. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van zowel de identiteit als de homoseksualiteit van eiser.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de identiteit van eiser ongeloofwaardig achtte, omdat eiser zijn identiteit niet met documenten onderbouwde en geen aannemelijk verhaal gaf over het verkrijgen van zijn identiteitsdocumenten. De rechtbank vindt dat het op de eiser rust om deze documenten te verkrijgen en dat de minister niet verplicht was deze bij Duitse autoriteiten op te vragen.

Ook de homoseksualiteit van eiser werd door de minister terecht ongeloofwaardig bevonden. Eiser gaf onvoldoende gedetailleerde verklaringen over zijn bewustwordingsproces en de emotionele aspecten van zijn relatie met [persoon A]. De overgelegde WhatsApp-berichten en het Grindr-profiel boden onvoldoende bewijs voor zijn homoseksualiteit.

Gelet op deze ongeloofwaardigheid is het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Mali een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van identiteit en homoseksualiteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De minister mocht de identiteit en de gestelde homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig vinden. In het verlengde daarvan heeft de minister ook terecht het standpunt ingenomen dat eiser bij terugkeer naar Mali niet heeft te vrezen voor ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas van eiser en onder 4 staat waarom de minister de asielaanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 februari 2023 een asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 12 september 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Malinese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Eiser ontdekte door middel van pornofilms op veertienjarige leeftijd dat hij op mannen valt. Toen eiser twee tot drie jaar later bij zijn zus en zwager woonde, kwam de broer van zijn zwager ([persoon A]) bij hen inwonen. Eiser kreeg na verloop van tijd een relatie met hem. Op enig moment zijn eiser en [persoon A] toen zij seks hadden in de woonkamer betrapt door de zwager van eiser. Omdat zijn zwager op dat moment flauwviel, konden eiser en [persoon A] vluchten. Zij hebben eerst op andere plekken in Mali verbleven en zijn daarna naar het buitenland gevlucht. Eiser vreest vanwege zijn homoseksualiteit in Mali voor problemen met zijn familie, de Malinese overheid en de Malinese maatschappij.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
(1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) homoseksuele geaardheid en de betrapping.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat slechts de nationaliteit en de herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister vindt de identiteit van eiser en zijn homoseksualiteit (en de daarmee verbonden betrapping) niet geloofwaardig, omdat eiser deze elementen niet met documenten heeft onderbouwd en de verklaringen van eiser over beide elementen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [2] De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.
Mocht de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig vinden?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Eiser stelt dat tussen hem en de minister niet in geschil is dat de Duitse autoriteiten de identiteitsdocumenten van eiser hebben. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om die documenten bij de Duitse autoriteiten op te vragen, zodat eiser zijn identiteit aannemelijk kan maken.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is zonder eerst contact op te nemen met de Duitse autoriteiten om de identiteitsdocumenten van eiser op te vragen. Afgezien nog van de vraag of eiser en de minister het met elkaar eens zijn dat de identiteitsdocumenten van eiser in Duitsland liggen, is het uitgangspunt dat eiser zijn asielrelaas – daaronder begrepen zijn identiteit – met objectieve stukken onderbouwt. [3] Als eiser, zoals hij heeft verklaard, zijn identiteitsdocumenten heeft achtergelaten bij de Duitse autoriteiten, ligt het daarom op zijn weg om bij de Duitse autoriteiten te vragen om teruggave van zijn identiteitsdocumenten. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij of zijn gemachtigde dat heeft gedaan en dat deze poging(en) niet heeft of hebben geleid tot teruggave van zijn identiteitsdocumenten. De rechtbank ziet alleen al daarom geen reden voor het oordeel dat de minister in het kader van de samenwerkingsverplichting [4] contact had moeten opnemen met de Duitse autoriteiten om de identiteitsdocumenten van eiser op te vragen.
Mocht de minister de homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig vinden?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksualiteit ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Eiser stelt in de eerste plaats dat hij uitgebreid heeft verklaard over hoe en wanneer hij zich van zijn homoseksualiteit bewust is geworden, en daaraan moet volgens het beleid van de minister gewicht worden toegekend. [5] Eiser heeft verklaard dat hij veertien jaar oud was toen hij gevoelens kreeg voor mannen, dat hij deze gevoelens fijn vond en als natuurlijk beschouwde, en dat hij daar opgewonden van raakte en ging masturberen. Eiser heeft ook verklaard dat hij wist dat hij groot gevaar liep als iemand achter deze gevoelens zou komen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij worstelde met vragen over het leven in Mali als homoseksuele man en dat hij druk ervaarde van zijn familie, omdat zijn familie van hem verwachtte dat hij zou trouwen en kinderen zou krijgen. [6] Omdat tijdens het nader gehoor niet aan eiser is verteld dat deze verklaringen oppervlakkig waren, wist eiser niet dat hij onvoldoende gedetailleerd verklaarde. Verder betwist eiser dat hij onvoldoende heeft verklaard over de relaties die hij heeft gehad. Over de relatie met [persoon A] heeft eiser weliswaar voornamelijk over seksuele handelingen verklaard, maar dat komt omdat eiser fysiek is ingesteld en moeilijk over gevoelens praat. Daarnaast heeft eiser WhatsApp-berichten overgelegd waaruit blijkt dat eiser en [persoon A] persoonlijk contact hebben. En over de relatie met [persoon A] heeft eiser – anders dan de minister heeft tegengeworpen – in het nader gehoor en de correcties en aanvullingen (alsnog) inzicht gegeven in de volledige naam, het adres, de leeftijd en het werk van [persoon A].
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat de homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig is, omdat eiser onvoldoende heeft verklaard over zijn bewustwordingsproces en de relaties die hij stelt te hebben gehad. De rechtbank legt dat oordeel hierna uit.
6.1.1.
De minister stelt zich in de eerste plaats niet ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft verklaard over hoe en wanneer hij zich van zijn homoseksualiteit bewust is geworden. Eiser heeft weliswaar verklaard door middel van een pornovideo bewust te zijn geworden van zijn homoseksualiteit, maar heeft anders dan door beschrijvingen over seksuele handelingen [7] niet toegelicht hoe hij tot de conclusie kwam dat hij homoseksueel is. Eiser heeft ook verklaard dat zijn familie van hem verwachtte dat hij zou trouwen en kinderen zou krijgen, maar heeft niet verklaard over wat dit met hem deed. In beroep heeft eiser slechts gewezen op zijn eigen verklaringen, maar daarmee heeft hij niet uitgelegd waarom het standpunt van de minister onjuist is. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de minister hem al tijdens het nader gehoor had moeten confronteren met de oppervlakkigheid van zijn verklaringen. De minister is slechts gehouden om tijdens het nader gehoor door te vragen over de gegeven antwoorden en de minister wijst er terecht op dat hij dat in het geval van eiser voldoende heeft gedaan. In dat geval is het voor het overige aan eiser om zijn asielrelaas zo gedetailleerd mogelijk naar voren te brengen.
6.1.2.
De minister stelt zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft verklaard over de relaties die hij heeft gehad. De minister wijst er terecht op dat eiser over de relatie met [persoon A] vrijwel uitsluitend over seksuele handelingen heeft verklaard [8] en dus nauwelijks inzicht heeft gegeven in de persoonlijke of emotionele aspecten van hun relatie. De enkele omstandigheid dat eiser fysiek is ingesteld, wat daar ook van zij, ontslaat hem niet van de verplichting om (ook) over persoonlijke en emotionele aspecten van zijn relatie met [persoon A] te verklaren. De overgelegde WhatsApp-berichten maken dat niet anders, omdat eiser daarmee – voor zover dit daadwerkelijk berichten tussen hem en [persoon A] zijn – slechts laat zien dat hij en [persoon A] contact met elkaar hebben, maar geen inzicht geeft in de persoonlijke of emotionele aspecten van hun relatie. Verder mocht de minister met betrekking tot de relatie tussen eiser en [persoon A] opmerkelijk vinden dat eiser tijdens het gehoor niet kon verklaren hoe oud [persoon A] is en welk werk hij doet, [9] terwijl eiser verklaarde dat hij op dat moment ongeveer anderhalf jaar een relatie met [persoon A] had. [10] Dat eiser hierover later bij de correcties en aanvullingen wél inzicht heeft gegeven, maakt dat niet anders. Als eiser zijn verklaringen na het nader gehoor aanvult, mag namelijk van hem worden verwacht dat hij daar een deugdelijke verklaring voor geeft. [11] Dat heeft eiser niet gedaan, zodat de minister aan die aanvulling niet de waarde had hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien.
7. Tot slot heeft eiser in beroep nog enkele schermafbeeldingen van zijn Grindr-profiel overgelegd. Omdat deze niet zijn te relateren aan de beroepsgrond van eiser zoals onder 6 omschreven, begrijpt de rechtbank eiser zo dat hij daarmee in zijn algemeenheid wil onderbouwen dat hij homoseksueel is, omdat Grindr een datingapp voor homoseksuele mannen is. De minister heeft zich op zitting echter terecht op het standpunt gesteld dat het iedereen vrijstaat een profiel op Grindr aan te maken en het Grindr-profiel van eiser in zoverre slechts een herhaling behelst van de stelling dat hij homoseksueel is. Daarom doet het Grindr-profiel van eiser geen ander licht schijnen op het geloofwaardigheidsstandpunt van de minister over de homoseksualiteit van eiser.
Loopt eiser in Mali een reëel risico op ernstige schade?
8. Het betoog van eiser dat hij vanwege zijn homoseksualiteit in Mali een reëel risico op ernstige schade loopt, slaagt niet. De minister mocht zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt stellen dat eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig is. In het verlengde daarvan is het dan ook niet aannemelijk dat eiser in Mali als gevolg van zijn (gestelde) homoseksualiteit een reëel risico op ernstige schade loopt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.De minister heeft daarbij verwezen naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
3.Dat volgt uit artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000. Zie ook paragraaf C1/4.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en de Werkinstructie (WI) 2024/6, p. 4.
4.Zie artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000.
5.Eiser wijst op de WI 2019/17.
6.Eiser wijst op het verslag van het nader gehoor van 8 september 2025, p. 13-15.
7.De minister wijst op het verslag van het nader gehoor van 8 september 2025, p. 13.
8.De minister wijst op het verslag van het nader gehoor van 8 september 2025, p. 23 en 28.
9.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 september 2025, p. 27-28.
10.Zie het verslag van het nader gehoor van 8 september 2025, p. 18.
11.Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3460, r.o. 8.3 en ABRvS 27 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2538, r.o. 4.3.