ECLI:NL:RBDHA:2026:21043

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL25.30649
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken familie- en gezinsleven

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg om vernieuwing van zijn EU/EER-verblijfsdocument dat hij ontleende aan artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez vanwege zijn verzorgende rol voor zijn Nederlandse kind. Na het meerderjarig worden van het kind werd het verblijfsrecht ingetrokken omdat geen uitzonderlijke afhankelijkheid of gezinsleven meer bestond.

De rechtbank toetste het bestreden besluit aan de beroepsgronden van eiser, die stelde dat er wel degelijk sprake was van beschermwaardig familie- en gezinsleven en dat het jongvolwassenenbeleid onjuist werd toegepast. De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij samenwoonde met het kind of diens moeder, noch dat er bijkomende afhankelijkheidselementen waren.

Ook het belang van het privéleven van eiser werd afgewogen tegen het Nederlandse belang bij een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank vond dat verweerder alle relevante feiten had betrokken en dat het Nederlandse belang zwaarder woog. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument EU/EER is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30649

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Op 21 juni 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend tot vernieuwde afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
Bij besluit van 19 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Daarbij is ook een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.Z. Sayin, als waarnemer voor eisers gemachtigde, Z. Hamidi als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de aanvraag
1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Bij besluit van 10 januari 2018 is vastgesteld dat eiser verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez [1] , vanwege het zijn van verzorgende ouder van het (destijds minderjarige) Nederlandse kind [naam] , geboren op [geboortedatum 2] (hierna: [naam] ). Het aan eiser verstrekte EU-verblijfsdocument had een geldigheidsduur van vijf jaar. In de aanvraag van 21 juni 2023 heeft eiser verzocht om vernieuwing van zijn verblijfsdocument.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. [naam] is op [geboortedatum 2] 2023 meerderjarig geworden, waardoor eiser vanaf dat moment niet langer een verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van Pro het VWEU in combinatie met het arrest Chavez-Vilchez. Eiser ontleent vanaf het moment van meerderjarig worden van [naam] ook geen verblijfsrecht aan artikel 20 van Pro het VWEU en het arrest K.A. [2] Er is namelijk geen sprake van een uitzonderlijke situatie die meebrengt dat [naam] en eiser op geen enkele manier van elkaar kunnen worden gescheiden, terwijl tussen eiser en de moeder van [naam] ook geen sprake is van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie. Verder is er tussen eiser en [naam] geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het jongvolwassenenbeleid is namelijk niet van toepassing op [naam] en daarnaast is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook tussen eiser en de moeder van [naam] bestaat geen familie- of gezinsleven, omdat niet aannemelijk is dat zij partners zijn. Er wordt wel aangenomen dat eiser privéleven heeft opgebouwd in Nederland, maar het belang van de Nederlandse Staat bij het niet toekennen van verblijfsrecht aan eiser weegt zwaarder dan het persoonlijke belang van eiser bij het uitoefenen van zijn privéleven in Nederland. Het besluit is dan ook niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
De beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Familie- en gezinsleven
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Hij stelt dat tussen hem en [naam] en tussen hem en de moeder van [naam] beschermingswaardig familie- of gezinsleven bestaat. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is. Subsidiair meent eiser dat verweerder ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft aangenomen waar het gaat om de relatie tussen eiser en [naam] . Verweerder heeft ook ten onrechte niet aangenomen dat eiser een relatie heeft met de moeder van [naam] . Eiser stelt dat hij in de periode 2021 tot begin 2024 wel degelijk heeft samengewoond met [naam] en haar moeder. Dit blijkt uit een overgelegd uittreksel uit de Basisregistratie personen (Brp), uit verklaringen van [naam] en haar moeder en uit aan eiser geadresseerde brieven die zijn verstuurd naar het adres van [naam] en haar moeder.
4.1.
Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde ten tijde van het bestreden besluit, volgt dat verweerder familieleven aanneemt tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, als het meerderjarige kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn of haar eigen levensonderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd (hierna: het jongvolwassenenbeleid).
Uit dezelfde paragraaf blijkt verder dat verweerder familieleven aanneemt tussen meerderjarigen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Hiervoor kan, zo volgt uit de rechtspraak, van belang zijn of er sprake is van samenwoning, financiële afhankelijkheid, medische afhankelijkheid, praktische afhankelijkheid en/of emotionele afhankelijkheid. Het is daarbij aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [3]
Uit de hiervoor genoemde paragraaf van de Vc volgt tot slot dat verweerder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aanneemt tussen partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie.
4.2.
Eiser heeft op de zitting verteld dat hij sinds (enig moment in) 2023 dakloos is geworden en op straat leeft. Dat betekent dat hij ten tijde van (zowel het primaire als) het bestreden besluit niet samenwoonde met [naam] . Verweerder heeft reeds daarom terecht geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is.
4.3.
Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eiser en [naam] geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook in dit verband is van belang dat eiser op de zitting heeft verklaard dat hij vanaf enig moment in 2023 niet meer heeft samengewoond met [naam] . Aanvullend wordt overwogen dat verweerder er in het bestreden besluit op heeft gewezen dat eiser sinds 16 april 2025 in de Brp is geregistreerd als niet-ingezetene en verder dat op een schadeformulier uit 2024 een adres van eiser staat genoemd dat niet overeenstemt met het adres van [naam] en haar moeder. Eiser heeft voor die vermelding op dat formulier geen goede verklaring kunnen geven. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder, vanaf 2021 tot het dakloos worden in 2023, wel met [naam] heeft samengewoond. Verweerder heeft de omstandigheid dat eiser destijds in de Brp ingeschreven stond op het adres van [naam] en haar moeder, daartoe op zichzelf onvoldoende kunnen vinden. Verweerder stelt terecht dat eiser geen objectieve bewijsstukken heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat hij in die tijd feitelijk woonachtig was op het betreffende adres. De verklaringen van [naam] en haar moeder zijn niet objectief verifieerbaar. Tot slot overtuigen de aan eiser geadresseerde brieven evenmin, omdat daaruit niet volgt dat eiser daadwerkelijk op het adres van [naam] en haar moeder woonde. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat het niet samenwonen hem niet kan worden tegengeworpen, omdat het gezin kwetsbaar en niet zelfredzaam is en zij in eerdere verblijfsprocedures geen rechtshulp hebben gehad, waar zij nadeel van hebben ondervonden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de stellingen van eiser er niet toe kunnen leiden dat het niet samenwonen hem niet kan worden tegengeworpen. Eiser heeft ter onderbouwing gewezen op informatie over de thuiszorg die de moeder van [naam] ontvangt en de aanvraag voor zorg die lang geleden is gedaan, maar uit die informatie volgt zonder meer niet dat het vertrek van eiser uit de woning van [naam] en haar moeder noodgedwongen was. Verweerder heeft in het kader van de vraag naar de bijkomende elementen van afhankelijkheid verder meegewogen dat niet is gebleken van financiële afhankelijkheid tussen eiser en [naam] en voorts dat er geen aanknopingspunten zijn dat eiser en [naam] om praktische of om medische redenen afhankelijk zijn van elkaar. Deze standpunten van verweerder zijn in beroep niet bestreden. Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiser en [naam] .
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van belang een (partner)relatie had met de moeder van [naam] . Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat eiser de gestelde relatie niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. De schriftelijke verklaring van de moeder van [naam] dat zij een relatie heeft met eiser is onvoldoende, omdat deze verklaring niet objectief verifieerbaar is. De stukken in het dossier die zien op de medische situatie van de moeder van [naam] geven er onvoldoende blijk van dat zij met eiser een relatie onderhield die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen is. Verder is ook in dit verband van belang dat eiser op de zitting heeft verklaard dat hij op enig moment in 2023 de woning van de moeder van [naam] heeft verlaten. En ook in dit kader heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder, vanaf 2021 tot het dakloos worden in 2023, wel met de moeder van [naam] heeft samengewoond.
4.5.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aangenomen tussen eiser en [naam] en tussen eiser en de moeder van [naam] .
4.6.
De beroepsgrond slaagt niet.
Privéleven
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het belang van de Nederlandse Staat bij het beëindigen van eisers verblijf in Nederland zwaarder weegt dan zijn belang om in Nederland zijn privéleven uit te oefenen. Eiser stelt dat hij al sinds 1999 en dus meer dan 25 jaar in Nederland verblijft. Sinds 2018, dus inmiddels acht jaar, heeft hij ook rechtmatig verblijf. Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat er sprake is van inmenging. Ook heeft verweerder onvoldoende meegewogen dat eiser in Nederland nagenoeg altijd heeft gewerkt. Hij heeft namelijk slechts drie jaar lang een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet. Verder heeft verweerder ten onrechte niet in het voordeel van eiser meegewogen dat in zijn geval geen sprake is van een inbreuk op de openbare orde of nationale veiligheid. Tenslotte heeft verweerder ten onrechte niet in het voordeel van eiser meegewogen dat hij reeds 26 jaar weg is uit Marokko en op leeftijd is. Het zal voor hem moeilijk zijn om onder die omstandigheden nog iets op te bouwen in Marokko.
5.1.
Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2488), blijkt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet verweerder alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. De rechtbank moet zonder terughoudendheid toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in die belangenafweging heeft betrokken, en vervolgens de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend toetsen.
5.2.
Verweerder heeft in het bestreden besluit betrokken dat eiser geboren en getogen is in Marokko. Verweerder heeft er daarbij vanuit kunnen gaan dat eiser in 2014, op 36-jarige leeftijd naar Nederland is gekomen. Eiser stelt dat hij al sinds 1999 in Nederland verblijft, maar hij heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd, zodat dit niet aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser slechts vijf en een half jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Eiser heeft namelijk enkel een verblijfsrecht gehad van 10 januari 2018 tot 4 september 2023. Het procedureel verblijfsrecht dat eiser in Nederland heeft gehad blijft hierbij buiten beschouwing. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat hij al acht jaar rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder heeft voorts overwogen dat het economisch belang zwaar meeweegt. In dit verband heeft verweerder in het nadeel van eiser betrokken dat hij van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2023, dus bijna vier jaar, een uitkering heeft ontvangen op grond van de Participatiewet en in het voordeel van eiser dat hij van 1 juli 2023 tot en met 30 april 2024 en in maart 2025 heeft gewerkt. Eiser stelt dat hij op de periode waarin hij een uitkering ontving na, altijd heeft gewerkt, maar hij heeft dit niet onderbouwd met stukken, zodat deze stelling niet aannemelijk is gemaakt. Overigens zou eiser in de bedoelde periode zwart hebben gewerkt, wat niet in het voordeel van eiser zou hebben kunnen meewegen. Verweerder heeft verder in het nadeel van eiser meegewogen dat niet gebleken is dat hij sterke banden heeft met Nederland. Eiser heeft de gezinsbanden met [naam] en haar moeder niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is niet gebleken dat hij andere sociale contacten in Nederland onderhoudt. Daar staat tegenover dat eiser het grootste deel van zijn leven in Marokko heeft gewoond, waardoor verondersteld mag worden dat eiser veel sterkere banden heeft met dat land dan met Nederland. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser in Marokko nog familieleden, onder wie zijn moeder heeft wonen. Tegen deze achtergrond en omdat eiser volwassen is, mag van hem worden verlangd dat hij in Marokko weer een leven kan opbouwen, aldus verweerder.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat aan het belang van de Nederlandse Staat meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser om zijn privéleven in Nederland uit te oefenen. Dat in eisers geval sprake is van inmenging en dat er geen openbare ordeaspecten spelen, is juist, maar heeft verweerder niet tot een andere afweging hoeven leiden. Eisers eerst in beroep ingenomen stelling dat hij, [naam] en haar moeder samen een kwetsbaar gezin vormden dat niet zelfredzaam was en zij eerder geen goede juridische bijstand hebben gekregen, leidt – in het licht van de onder 5.2 genoemde, door verweerder betrokken omstandigheden – evenmin tot een andere conclusie. Verweerder heeft de belangenafweging in het kader van het privéleven van eiser dan ook niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
6. Alles overziend is verweerder terecht tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez-Vilchez)
2.Hof van Justitie van de Europese Unie, 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 (arrest K.A.)
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, meer specifiek rechtsoverweging 5.3.