ECLI:NL:RBDHA:2026:2106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
09/088859-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 246 Sr (oud)Art. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs in zedenzaken met massagecontext

De rechtbank Den Haag behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van meerdere zedendelicten gepleegd tijdens reiki-massages in Leiden in september en oktober 2023. De tenlastelegging betrof onder meer het seksueel binnendringen met vingers en het betasten van intieme lichaamsdelen van drie aangeefsters.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en een schadevergoedingsmaatregel voor de benadeelde partijen. De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende betrouwbaar waren, mede door vooroverleg tussen hen en het ontbreken van steunbewijs zoals getuigen of forensisch bewijs.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de feiten had gepleegd. De verklaringen van de aangeefsters werden niet voldoende ondersteund door andere feiten of omstandigheden, en het gebruik van schakelbewijs werd afgewezen vanwege het vooroverleg en het ontbreken van een specifieke modus operandi.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens verklaarde zij de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun schadevorderingen en veroordeelde hen in de kosten van de verdediging van verdachte tot op heden.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs; benadeelde partijen niet-ontvankelijk in schadevorderingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/088859-24
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 27 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Raterman, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Zech, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 januari 2026 - ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 oktober 2023 te Leiden door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen,
[aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten het duwen/brengen en/of houden en/of (heen en weer) bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of anus van die [aangeefster 1] , terwijl die [aangeefster 1] een (reiki) massage door verdachte onderging;
2.
hij op of omstreeks 26 september 2023 te Leiden door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen, [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die slachtoffer, te weten het (meermalen) duwen/brengen en/of houden en/of (heen en weer) bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangeefster 2] en/of het meermalen, althans eenmaal betasten/aanraken/beetpakken van de venusheuvel en/of de schaamstreek en/of de schaamlippen en/of de vagina van die [aangeefster 2] ,
terwijl die [aangeefster 2] een (reiki) massage door verdachte onderging;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 september 2023 te Leiden, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het (meermalen)
- duwen/brengen en/of houden en/of (heen en weer) bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in /tegen de vagina en/of tussen/tegen de schaamlippen van die [aangeefster 2] en/of
- betasten/aanraken/beetpakken van de venusheuvel en/of de schaamstreek en/of de schaamlippen en/of de vagina van die [aangeefster 2] ,
terwijl die [aangeefster 2] een (reiki) massage door verdachte onderging;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 oktober 2023 te Leiden,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het (meermalen) betasten/aanraken van/drukken op de schaamstreek en/of de venusheuvel en/of de schaamlippen en/of de liezen van die [aangeefster 3] , terwijl die [aangeefster 3] een (reiki) massage door verdachte onderging.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van [aangeefster 1] (hierna ook: [aangeefster 1] ) consistent, helder en gedetailleerd is en bovendien wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. [aangeefster 1] heeft verklaard dat zij een keer thuis kwam en een bos rozen afkomstig van de verdachte bij de deur aantrof, vergezeld van een kaartje met daarop excuses (“Er was een kaartje en er stond ‘sorry sorry’ op. Er stond wel meer op als 'ik had het nooit mogen doen of het had nooit moeten gebeuren', maar wat precies weet ik niet meer.”). Weliswaar heeft [aangeefster 1] het kaartje niet bewaard, maar uit de bankgegevens van de verdachte blijkt dat hij drie dagen na de afspraak met [aangeefster 1] bloemen heeft gekocht. Daarnaast bevat het dossier een appgesprek dat verdachte heeft gevoerd waarin hij zegt dat hij weg is bij Nextdoor en dat waarschijnlijk aangifte tegen hem wordt gedaan. Ten slotte heeft de verdachte in een telefoongesprek gezegd dat hij twee keer een ‘yoni-massage’ heeft gegeven. Op grond hiervan kan dit feit wettig en overtuigend bewezen worden. De verklaringen van [aangeefster 2] (hierna ook: [aangeefster 2] ) en [aangeefster 3] (hierna ook: [aangeefster 3] ) zijn ook consistent (op zichzelf) en uit hun verklaringen en die van [aangeefster 1] komt een zekere modus operandi naar voren. Gelet op deze overeenstemmende modus operandi ondersteunen deze verklaringen elkaar, wordt er schakelbewijs gevormd, en is er voldoende wettig en overtuigend bewijs om ook ten aanzien van de zaken van [aangeefster 2] en [aangeefster 3] tot een bewezenverklaring te komen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden hetgeen de reclassering heeft geadviseerd, inhoudende: een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener, alsmede een beroepsverbod (voor het beroep van masseur) en een contactverbod ten aanzien van de slachtoffers.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van al het tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat er aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [aangeefster 1] , niet alleen omdat deze innerlijke tegenstrijdigheden bevat, maar ook gelet op de wijze van totstandkoming hiervan. [aangeefster 1] heeft eerst vooroverleg met de andere aangeefsters gehad voordat zij naar de politie ging. Aangeefsters hebben hierbij met elkaar inhoudelijk over de zaak gesproken en elkaar (al dan niet bewust) beïnvloed waarna zij hebben besloten (gezamenlijk) aangifte te doen. De verklaring van [aangeefster 1] vindt ook onvoldoende steun in het dossier. Er is geen steunbewijs, zoals getuigen die de emotie van aangeefster hebben waargenomen na het beweerde incident of enige vorm van forensisch bewijs. Dit steunbewijs ontbreekt ook in de zaken van [aangeefster 2] en [aangeefster 3] . Het gebruik van schakelbewijs is niet mogelijk gelet op het genoemde vooroverleg dat afbreuk doet aan de bewijswaarde en het ontbreken van een op essentiële punten overeenkomende (specifieke en onderscheidende) modus operandi.
3.3.
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe nog het volgende.
In zedenzaken geldt doorgaans dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: een dader en een slachtoffer. Bij een (goeddeels) ontkennende of zwijgende verdachte blijft dan enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer over als wettig bewijsmiddel. Op grond van artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de belastende verklaring van één getuige. Er moet dus sprake zijn van steunbewijs uit een andere bron dan die belastende verklaring.
De verklaringen die aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] hebben afgelegd worden naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende, ondersteund door overige in het dossier opgenomen feiten en omstandigheden. Zo is de door de officier van justitie genoemde, door de verdachte verrichte, betaling bij [winkel] drie dagen nadat [aangeefster 1] bij de verdachte was geweest daartoe onvoldoende. Uit het dossier valt niet vast te stellen dat deze betaling is geweest voor bloemen die bestemd waren voor [aangeefster 1] en evenmin dat de verdachte hiermee excuses wilde maken voor de tenlastegelegde verkrachting. Dat de verdachte in een app-gesprek met [aangeefster 2] heeft gezegd dat hij weg is bij Nextdoor en dat er waarschijnlijk aangifte tegen hem wordt gedaan, levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen steunbewijs op voor de tenlastegelegde verkrachting van [aangeefster 1] . Datzelfde geldt voor de mededeling tijdens een telefoongesprek dat de verdachte twee keer een ‘yoni-massage’ heeft gegeven, reeds omdat uit deze mededeling niet volgt dat de verdachte deze massage aan een van de aangeefsters heeft gegeven.
De rechtbank stelt dan ook vast dat ten aanzien van geen van de genoemde drie feiten afzonderlijk voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.
Het gebruik van schakelbewijs, waarbij de verklaringen elkaar over en weer ondersteunen om alsnog tot voldoende wettig en overtuigend bewijs te komen (ten aanzien van twee of drie feiten), acht de rechtbank evenmin aan de orde. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de verklaringen van de aangeefsters niet een op essentiële punten overeenkomende (specifieke en onderscheidende) modus operandi volgt. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat het bewijs afkomstig is uit verschillende bronnen. Gelet op het vooroverleg dat tussen aangeefsters heeft plaatsgevonden voordat zij zich bij de politie meldden, kan dit echter niet worden vastgesteld. Aangeefsters kunnen elkaar (onbedoeld) hebben beïnvloed, waardoor de verklaringen onvoldoende authentiek en onafhankelijk zijn om elkaar over en weer te kunnen ondersteunen en door middel van schakelbewijs alsnog tot voldoende wettig en overtuigend bewijs te komen.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot het oordeel te kunnen komen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De rechtbank acht daarom niet bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.427,41, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.427,41 aan materiële schade en € 5.000,-- aan immateriële schade.
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair heeft de raadsvrouw matiging bepleit van de toe te wijzen bedragen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair/subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partijen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
veroordeelt de partijen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2026.