ECLI:NL:RBDHA:2026:21064

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL25.16894
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Art. 30c Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende motivering afvalligheid en heroverwegingsverzoek

Eiseres, afkomstig uit Irak, diende een derde opvolgende asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is met betrekking tot het asielmotief afvalligheid. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden waaronder eiseres in Nederland haar atheïsme uit en de gevolgen van terugkeer naar haar conservatieve ouderlijk gezin in Irak.

Eiseres heeft in eerdere procedures haar huwelijk met [naam] niet aannemelijk kunnen maken, waardoor zij niet als alleenstaande vrouw wordt aangemerkt. De rechtbank bevestigt dat de minister terecht oordeelde dat er geen nieuwe relevante elementen zijn die het eerdere oordeel kunnen wijzigen.

De rechtbank stelt vast dat de minister ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om heroverweging dat eiseres bij haar aanvraag heeft ingediend. Gelet op de gebreken in het besluit vernietigt de rechtbank het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, waarbij ook het heroverwegingsverzoek wordt betrokken. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het niet beslissen op het verzoek om heroverweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16894

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar (opvolgende) asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond niet in stand kan blijven. Eiseres heeft weliswaar geen nieuwe relevante elementen en bevindingen naar voren gebracht die een ander licht doen schijnen op het in de eerste asielprocedure ongeloofwaardig geachte huwelijk en de daarmee gestelde problemen met haar familie (ouders), maar het bestreden besluit mist met betrekking tot het asielmotief afvalligheid een draagkrachtige motivering. Verder heeft de minister verzuimd om tevens op het verzoek om heroverweging te beslissen. Ook om die reden is het beroep van eiseres gegrond en krijgt zij in zoverre dus gelijk.

Procesverloop

2. Eiseres bezit de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1976. Zij heeft op 1 november 2022 een derde opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [1]
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Zeino als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Eerdere procedures

3. Eiseres heeft voor het eerst op 17 juli 2018 asiel aangevraagd. Zij heeft toen aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat ze is opgegroeid in een conservatief gezin met een strenge vader. Eiseres is voorgesteld aan verschillende huwelijkskandidaten, maar zij weigerde hen te leren kennen. Nadat eiseres via Facebook een man, genaamd [naam] , heeft leren kennen en met hem een relatie is aangegaan, is ze met hem in 2016 in Iran getrouwd. Eiseres heeft het huwelijk ongeveer anderhalf jaar verborgen weten te houden. Uiteindelijk kwam de relatie aan het licht en is eiseres door haar vader opgesloten in een kamer zonder eten en drinken. Zij hoorde haar familie plannen maken om haar te doden. Toen de deur van de kamer na een toiletbezoek niet op slot was gedaan, is eiseres gevlucht. Via een smokkelaar is zij de Europese Unie in gereisd. Eiseres kan niet terug naar Irak, omdat zij onmiddellijk door haar familie om het leven wordt gebracht. Ze is volgelvrij verklaard door haar familie omdat ze zonder hun toestemming in het geheim is getrouwd. Ze vinden dat zij schande over de familie heeft gebracht.
3.1
De minister heeft deze aanvraag in een besluit van 11 april 2019 afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. De minister heeft – kort gezegd – de relatie dan wel het huwelijk niet geloofwaardig geacht, met name omdat zij vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over de totstandkoming van de gestelde relatie via Facebook. Heel opmerkelijk was ook dat eiseres in haar aanmeldgehoor had verklaard ongehuwd te zijn. Nadat in het rapport aanmeldgehoor ‘gehuwd’ was vermeld, is dit op verzoek van eiseres gecorrigeerd in ‘ongehuwd’. Tijdens het eerste gehoor heeft eiseres eerst bevestigd ongehuwd te zijn, waarna ze vervolgens heeft verklaard gehuwd te zijn op 23 maart 2016, waarbij enige twijfel bestond over de dag. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat het een traditioneel, niet geregistreerd huwelijk betrof, waarvan geen documenten zijn opgemaakt. De exacte datum/jaar wist zij zich niet meer te herinneren. Eiseres heeft verklaard dat het huwelijke in Iran door een religieuze rechtbank is voltrokken zonder getuigen.
3.2
Het beroep van eiseres tegen dit besluit is bij uitspraak van 3 juli 2019 door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard. [2] De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat eiseres gedurende de procedure wisselend dan wel tegenstrijdig heeft verklaard over haar huwelijkse staat. Enerzijds heeft zij verklaard dat het een traditioneel niet geregistreerd huwelijk is en anderzijds een religieus huwelijk. Ze heeft wisselend verklaard over de huwelijksdatum en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de aanwezigheid van de getuigen bij het huwelijk. Ze heeft steeds verklaard dat er geen document van het huwelijk is opgemaakt, terwijl ze ter zitting heeft verklaard dat ze de huwelijksakte zelf heeft ondertekend en dat ze dezelfde dag samen met haar partner naar de ambassade in Iran is geweest en dat haar partner daar in haar bijzijn ter bevestiging van het huwelijk de huwelijksakte heeft getoond. Hierover heeft eiseres voorheen niets verklaard. Het betoog dat met de overgelegde documenten de gestelde relatie dan wel huwelijk alsnog aannemelijk is gemaakt, faalt derhalve. Aangezien de minister op grond van het hiervoor overwogene de gestelde relatie dan wel huwelijk terecht niet geloofwaardig heeft geacht, wordt aan de bespreking van de daaruit voortvloeiende problemen niet toegekomen.
3.3
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 juli 2019 ook stilgestaan bij het beroep van eiseres op het beleid inzake alleenstaande vrouwen uit Irak, zoals destijds neergelegd in paragraaf C7/13.4.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet is aan te merken als alleenstaande vrouw als bedoeld in dit beleid. De minister heeft in dit verband terecht van belang geacht dat eiseres heeft verklaard dat zij tot aan haar vertrek uit Irak in het ouderlijk huis heeft gewoond. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gezinsband met haar ouderlijk gezin niet kan worden hersteld, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat haar persoonlijk asielrelaas niet geloofwaardig is geacht en de rechtbank dat oordeel van de minister onderschrijft. Al hierom stelt de minister terecht dat in Irak familie aanwezig is op wie eiseres voor opvang en bescherming terug kan vallen.
3.5
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak van de rechtbank op 2 augustus 2019 bevestigd. [3]
3.6
Vervolgens heeft eiseres op 22 juli 2020 en op 6 november 2020 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Beide asielaanvragen zijn, in besluiten van 31 augustus 2020 respectievelijke 6 januari 2021, buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Tegen de eerste buiten behandelingstelling heeft eiseres beroep ingesteld, maar dit beroep heeft zij later ingetrokken. Tegen de tweede buiten behandelingstelling heeft zij geen rechtsmiddelen aangewend.

Huidige asielaanvraag

4 Op 1 november 2022 heeft eiseres wederom een asielaanvraag ingediend middels een schriftelijke kennisgeving (M35-O). Deze derde opvolgende aanvraag ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.
4.1
Bij deze aanvraag heeft eiseres gesteld dat zij afvallig is en dat sprake is van een beleidswijziging op dit punt. Zij wijst op Werkinstructie (WI) 2022/3 en op de Afdelingsuitspraak van 19 januari 2022. [4] Daarnaast heeft eiseres aanvullende stukken overgelegd ter onderbouwing van haar gestelde huwelijk met [naam] . Het gaat daarbij om foto’s van zijn paspoort, een reeks foto’s waarop zij samen te zien zijn, een schermafbeelding van een WhatsApp-gesprek en een medische verklaring van een Iraanse gynaecoloog. Daarnaast heeft eiseres een kopie van haar medisch dossier en een door de heer [naam] op 26 september 2022 ondertekende ‘verklaring referent (familie en gezin)’ ingebracht.
4.2
In het gehoor opvolgende aanvraag van 26 maart 2022 verklaart eiseres dat zij en [naam] sinds eind mei/begin juni 2024 uit elkaar zijn. Ze zijn niet officieel gescheiden. Haar partner heeft haar geforceerd om dingen te vertellen die zij niet goed vond en heeft haar bedreigd. Hij heeft haar gedwongen om dingen tegen de IND te zeggen. In feite wilde hij niet dat zij een verblijfsvergunning zou krijgen. Hij wilde haar afhankelijk van hem houden en haar gebruiken als slaaf.
4.3
Eiseres heeft verder verklaard dat ze opnieuw asiel aanvraagt omdat ze niet kan terugkeren naar Irak. Zij wordt daar gezocht. Een nieuw motief is ook dat ze niet meer getrouwd is en haar geloof heeft veranderd. Ze zich heeft afgewend van de islam. Ze is geboren in een moslim gezin en was verplicht om mee te doen. Eiseres droeg wel een hijab, maar was niet (innerlijk) overtuigd. Haar vader was gelovig. Ze werd door haar vader gedwongen om te bidden. Ze is een keer door haar vader geslagen toen ze weigerde om mee te gaan naar de moskee. Eigenlijk was het huwelijk met haar ex een ontsnapping aan haar vader, maar haar ex was uiteindelijk nog veel erger dan haar vader. Eiseres geloofde eigenlijk in Irak al niet in het bestaan van een god. Toen eiseres in Nederland was, raakte zij er meer van overtuigd dat god niet bestaat. In het begin bad ze nog wel een beetje, omdat ze bang was dat misschien haar familieleden naar Nederland zouden kunnen komen. Ze is er van overtuigd dat er geen god bestaat. Ze heeft zelf veel onrecht meegemaakt. Ze heeft zich de vraag gesteld waarom er zoveel conflicten en oorlogen zijn als een god zou bestaan. Tijdens de ramadan eet eiseres gewoon, ze vast niet. Haar ex-man en zijn familie weten dat ze niet gelooft. Haar ex heeft een keer gedreigd dit bekend te maken aan de ouders van eiseres als ze niet naar hem zou luisteren. Eiseres weet niet of hij dit aan haar ouders heeft doorgegeven. Ze weet niet of hij contact heeft met haar familie.
4.4
Volgens eiseres krijgt ze in Irak niet de kans om haar overtuiging te uiten. Ze zou worden vermoord. Ze zou haar overtuiging in Irak niet durven uiten.
Eiseres geeft anderzijds ook aan dat ze niet meer kan doen alsof ze nog moslima is.
Op de vraag of ze in Nederland er openlijk voor uitkomt dat ze niet in een god gelooft, geeft eiseres als antwoord dat ze soms bang is om te zeggen dat ze niet gelovig is. Ze is er voorzichtig mee, want ze weet niet wat voor persoon er tegenover haar zit.
4.5
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- huwelijk en de daaruit voortvloeiende problemen;
- afvalligheid van de islam.
4.6
De minister acht de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, alsmede de afvalligheid van de islam geloofwaardig. De minister gelooft echter niet dat eiseres gehuwd is geweest en als gevolg van dit huwelijk in de problemen is gekomen. Volgens de minister onderbouwen de aanvullende stukken het gestelde huwelijk nog altijd onvoldoende.
4.7
De minister heeft de geloofwaardig geachte asielmotieven verder getoetst. Daarover stelt hij het volgende. Dat eiseres uit Irak komt, is onvoldoende om vluchtelingschap dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De minister acht het verder niet aannemelijk dat eiseres door haar afvalligheid te vrezen heeft. Daartoe wordt overwogen dat eiseres vanaf een leeftijd van ongeveer twintig jaar al is gaan nadenken over het bestaan van een god (pagina 23 gehoor opvolgende aanvraag). Dit betekent dat eiseres ruim twintig jaar zonder problemen in Irak heeft gewoond terwijl zij afvallig was. Eiseres heeft zich gedurende deze periode geconformeerd aan de wet- en regelgeving. Uit haar verklaringen is niet gebleken dat het niet kunnen uiten van haar afvalligheid een inbreuk zou zijn op haar identiteit. Naar de mening van de minister heeft eiseres met de enkele stelling dat zij niet opnieuw een hoofddoek kan dragen niet aannemelijk gemaakt dat het dragen van een hoofddoek een inbreuk is op haar identiteit. Verder uit eiseres haar afvalligheid in Nederland door haar mening te geven als er een discussie ontstaat, maar is het kennelijk voor eiseres niet altijd nodig om iets te zeggen. Eiseres heeft verklaard dat het voor haar belangrijker is dat zij ervan overtuigd is. Zij geeft aan dat zij verschillende geloofsovertuigingen respecteert. Volgens de minister blijkt ook hier niet uit dat het een inbreuk is op haar identiteit als ze haar mening niet geeft. Uit haar verklaringen blijkt met name dat het voor haarzelf belangrijk is dat ze overtuigd is. Zo vraagt eiseres zich af wat mensen te maken hebben met haar geloofsovertuiging. De minister komt tot de slotsom dat van eiseres terughoudendheid mag worden verwacht aangaande de uiting van haar afvalligheid bij terugkeer.

Beoordeling door de rechtbank

Is WI 2024/6 in strijd met internationaal recht?
5. Eiseres voert aan dat de beleidswijziging zoals opgenomen in WI 2024/6 met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende gemotiveerd en niet in lijn is met jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). Zij wijst op een tweetal verwijzingsuitspraken van 7 januari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. [5] De omstandigheid dat het Hof de prejudiciële vragen die in deze uitspraken zijn gesteld nog niet heeft beantwoord, doet er niet aan af dat er rechtsvragen bestaan over de toelaatbaarheid van het nieuwe toetsingskader. De minister had daarom moeten motiveren waarom toepassing van WI 2024/6 in deze zaak gerechtvaardigd is.
5.1
De rechtbank volgt eiseres niet in deze beroepsgrond. De minister heeft zowel de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres als haar afvalligheid geloofwaardig geacht. De geloofwaardigheid van het gestelde huwelijk is al beoordeeld in 2019, dus nog volgens WI 2014/10 en niet WI 2024/6. Bovendien is WI 2024/6 in deze procedure ook niet zo relevant, omdat het bij deze opvolgende asielaanvraag in wezen draait om de vraag of eiseres met betrekking tot het gestelde huwelijk nieuwe elementen en bevindingen naar voren heeft gebracht die kunnen afdoen aan het eerdere en inmiddels rechtens onaantastbare besluit van 11 april 2019. De minister heeft die beoordeling ook verricht. Dat de minister daarbij niet met open vizier naar alle door eiseres ingebrachte stukken en afgelegde verklaringen heeft gekeken, is de rechtbank niet gebleken. Daarbij is niet zonder betekenis dat het door eiseres gestelde huwelijk in de eerste asielprocedure ongeloofwaardig is geacht, omdat eiseres hierover niet alleen summier, maar ook tegenstrijdig over heeft verklaard.
Het gestelde huwelijk en de daarmee samenhangende problemen blijven ongeloofwaardig
5.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de eiseres geen relevante nieuwe elementen en bevindingen heeft overgelegd die dit asielmotief thans wel aannemelijk maken. Met de overgelegde foto’s, die volgens eiseres zouden zijn genomen in Iran en in Griekenland, heeft eiseres niet alsnog onderbouwd dat zij met de man op deze foto destijds getrouwd is. Daarbij zitten er ook foto’s tussen die in het Persian Gulf Shopping Center gemaakt zouden zijn en waarop eiseres niet te zien is. Onduidelijk is ook door wie en wanneer die foto’s genomen zijn. Ook uit de foto van het paspoort van de gestelde ex-man met daarin een visum kan niet worden afgeleid dat eiseres destijds met deze man in Iran is geweest en toen met hem (traditioneel) gehuwd is.
5.3
Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de schermafbeelding van het WhatsApp-gesprek ook niet kan afdoen aan het eerdere besluit. De schermafbeelding kan niet onderbouwen dat eiseres in Iran gehuwd is met [naam] en daardoor met haar familie in Irak in de problemen is gekomen. Uit de schermafbeelding kan niet worden afgeleid dat het gesprek plaatsvond met deze persoon of met een ander willekeurig persoon. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat zo al aangenomen zou moeten worden dat het afkomstig is van [naam] , diens verklaringen ter zitting bij de rechtbank in de vorige procedure, niet bepaald hebben bijgedragen aan de aannemelijkheid van het door hen beiden gestelde gesloten huwelijk in Iran. Verder is opmerkelijk dat uit de vertaling van het WhatsApp-bericht van 19 mei 2024 blijkt dat deze persoon gemeld heeft dat hij naar de advocaat gaat om de echtscheidingsprocedure af te wikkelen en dat eiseres tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 26 maart 2022 heeft verklaard dat ze niet officieel gescheiden zijn. Dit doet mede afbreuk aan de ernst en betrouwbaarheid van de inhoud van het bericht.
5.4
Met de foto van een medische verklaring van een Iraanse gynaecoloog, die eiseres naar haar zeggen zou hebben bezocht op de dag van haar trouwen omdat ze bloedingen had gekregen tijdens de gemeenschap die dag, heeft eiseres evenmin onderbouwd dat ze in Iran is geweest en met [naam] is gehuwd. Bovendien betreft het geen origineel document en kan het niet worden onderzocht op echtheid. Ook is onduidelijk gebleven hoe een vriend van haar toenmalige ex-man toestemming heeft kunnen krijgen om een foto te maken van vertrouwelijke medische gegevens die niet op hem betrekking hebben.
5.5
Het kopie van het medische dossier van eiseres leidt ook niet tot een ander oordeel. Hiermee is niet gestaafd dat eiseres met [naam] gehuwd is. Bovendien zijn de gegevens die daarin zijn opgetekend over de problemen met haar partner afkomstig uit de verklaringen van eiseres zelf. De ingebrachte verklaring van een door de heer [naam] op 26 september 2022 ondertekende ‘verklaring referent (familie en gezin)’ maakt evenmin aannemelijk dat hij en eiseres destijds in Iran met elkaar gehuwd zijn. Daarbij kan niet voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat het hem indertijd ook te doen was om aannemelijk te maken dat hij toch echt met eiseres gehuwd was.
5.6
Voor zover eiseres heeft willen betogen dat ze in de eerste asielprocedure tegenstrijdig heeft verklaard omdat ze toen door haar ex-man onder druk werd gezet om steeds iets anders te verklaren en hij in feite niet wilde dat ze een verblijfsvergunning zou krijgen en van hem afhankelijk bleef, is dat geen verschoonbare verklaring. Het ligt op de weg van eiseres om steeds naar waarheid te verklaren. Daarvoor draagt zij een eigen verantwoordelijkheid. Bovendien heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een zelfstandige verblijfsvergunning, namelijk een asielvergunning voor bepaalde tijd en heeft [naam] er door middel van het aanleveren van stukken in ieder geval moeite voor gedaan dat zij die vergunning zou krijgen. Verder is opmerkelijk dat eiseres tijdens het eerste gehoor, waarbij haar gestelde echtgenoot van destijds niet aanwezig was, eerst heeft bevestigd ongehuwd te zijn en vervolgens heeft verklaard gehuwd te zijn. Dat eiseres haar verklaringen toen heeft gewijzigd onder druk van hem, is niet aannemelijk. Verder valt niet in te zien waarom eiseres onder invloed van hem wisselend zou hebben verklaard over de huwelijksdatum en over de aanwezigheid van getuigen bij het huwelijk. Bij de stelling van eiseres dat zij geen exacte data kan benomen, zijn door de rechtbank in de uitspraak van 3 juli 2019 al serieuze vraagtekens geplaatst (rechtsoverweging 6 van die uitspraak).
5.7
Vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres geen nieuwe elementen en bevindingen naar voren heeft gebracht overgelegd die, mede in het licht van de eerste asielprocedure, maken dat thans wel aannemelijk is dat zij met [naam] gehuwd is geweest en daardoor met haar familie problemen heeft. Dit heeft tevens tot gevolg dat eiseres nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is aan te merken als een alleenstaande vrouw, omdat ze niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gezinsband met haar ouderlijk gezin vanwege het gestelde huwelijk met [naam] niet hersteld kan worden. Dat huwelijk is immers niet aannemelijk geacht. Het in de eerste procedure gegeven oordeel hierover blijft staan.
De afvalligheid
6. Volgens het arrest Y en Z [6] en vaste rechtspraak van de Afdeling [7] mag van een vreemdeling wiens geloofsovertuiging geloofwaardig wordt geacht, niet worden gevraagd dat hij zich, om vervolging te voorkomen, in het land van herkomst terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging. Onder ‘geloofsovertuiging’ wordt ook verstaan een niet-theïstische geloofsovertuiging, zoals het atheïsme, en afvalligheid. Als de vreemdeling tegenover de minister niet duidelijk maakt hoe hij zijn geloofsovertuiging na terugkeer in het land van herkomst wil uiten, moet de minister daarom beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer een risico loopt als hij op dezelfde wijze als in Nederland openlijk invulling heeft aan zijn geloofsovertuiging en die overtuiging ook voor zijn omgeving niet verborgen houdt.
6.1
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat van eiseres terughoudendheid mag worden verwacht aangaande de uiting van haar afvalligheid bij terugkeer. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd aangegeven dat dit een wat rare zin is en ongelukkig is geformuleerd. Er is niet bedoeld dat van eiseres wordt verlangd dat zij zich terughouden opstelt, maar dat zij zich conformeert zoals zij altijd al heeft gedaan.
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister bij de beoordeling of te verwachten is dat eiseres zich bij terugkeer in Irak terughoudend zal opstellen dan wel zij zich zal conformeren aan de wet- en regelgeving zoals zij indertijd deed, onvoldoende rekening gehouden met de verklaringen van eiseres hoe zij in Nederland uitkomt voor haar afvalligheid (atheïsme) in combinatie met het feit dat zij zal moeten terugkeren naar haar ouderlijk gezin en zal moeten leven volgens hun conservatieve regels. Eiseres heeft hierover in het gehoor opvolgende aanvraag op vragen van de hoorambtenaar het volgende verklaard:

Geloofde u zelf ook in de islam?
Het is geen kwestie dat ik praktiserend en echt moslim was, maar ik ben geboren in een moslim gezin, dus ik was verplicht om hun na te doen.” (pagina 13, derde alinea)

Bedoelt u dan dat u pauze nam tussen het bidden?
Nee, ik bedoelde dat ik niet continu ging bidden. Het middaggebed sloeg ik bijvoorbeeld over al ik bezig was, moe was of aan het slapen. Soms verrichte ik het dagenlang niet. Mijn vader wist van niets, anders werd hij boos.
Want uw vader was wel gelovig?
Ja.” (pagina 13, achtste en negende alinea)

Geloofde u in het bestaan van allah?
Toen eigenlijk niet, tot nu toe niet. Maar ik was eigenlijk gedwongen, want ik hoorde bij en familie. Mijn familieleden, vader, moeder, broers, die waren allemaal praktiserend moslims, mar ik was niet overtuigd” (pagina 13, twaalfde alinea)
“Hoe was het voor u om wel een hijab te dragen en het gebed te verrichten terwijl u zelf niet overtuigd was?
Ik deed het gewoon aan de buitenkant, maar niet vanbinnen.” (pagina 13, dertiende alinea).

Vond u het vervelend om te moeten doen alsof u moslima was of was dit geen probleem voor u?
Het was zeker vervelend voor mij, want ik hou niet van toneelspelen.” (pagina 14, tweede alinea)

Kunt u een voorbeeld geven van een moment waarop u toneel moest spelen?
Wat bedoelt u hiermee? Ik heb gezegd dat ik niet van toneelspelen hield, maar ik was gedwongen. Mijn vader ging mij dwingen om te bidden. Soms ging hij mij slaan om te bidden en naar de moskee te gaan.” (pagina 14, derde alinea).

Leg eens uit hoe zo’n gesprek met uw vader dan ging?
Een keer was het middaggebed. Mijn vader stond en wilde naar de moskee gaan met zijn vriend. Hij vroeg mij om mee te gaan. Ik zie: nee ik wil niet naar de moskee gaan, ik ga gewoon thuis bidden. Hij ging mij toen slaan en is daarna weggegaan.” (pagina 14, vijfde alinea).

Was uw familie ervan op de hoogte dat u eigenlijk niet geloofde?
Niet echt, maar ze wisten dat ik te koud was richting het gebed en het vasten.” (pagina 14, zesde alinea)

Als ik het goed begrijp geloofde u ook toen u in Irak was al niet in de islam, Wat is er veranderd toen u naar Nederland kwam?
Het heeft niets te maken met dat ik naar Nederland ben gekomen of niet, maar toen ik hier was raakte ik er meer van overtuigd dat god niet bestaat. Als god bestaat dan was het onrecht dat ik heb meegemaakt niet gebeurd.” (pagina 14, achtste alinea)

Klopt het dat u in Nederland bent gestopt met het praktiseren van de islam?
Ja. In Irak was ik eigenlijk gedwongen om te praktiseren door mijn vader en broers. Hier kon niemand mij dwingen. De samenleving daar verplicht je ook om te praktiseren, maar hier niet.” (pagina 14, elfde alinea)

Wanneer bent u in Nederland gestopt met praktiseren?
Ik weet het niet meer, maar toen ik hierheen kwam. Na een bepaalde periode.” (pagina 14, twaalfde alinea)

Ik begrijp het nog niet helemaal. U kwam aan in Nederland. Bent u toen meteen gestopt met bidden en het dragen van een hijab?
In het begin nog een heel klein beetje. Ik was bang. Ik dacht misschien kunnen mijn familieleden hierheen komen.” (pagina 15, eerste alinea)

Hoe uit u in Nederland het feit dat u niet meer islamitisch bent?
Dat hoef ik niet te doen. Het is belangrijk dat ik overtuigd ben.” (pagina 15, tweede alinea)

Spreekt u met mensen over u geloofsovertuiging?
Soms. Wat hebben mensen te maken met mijn geloofsovertuiging? (pagina 15, vijfde alinea)

Er zijn mensen die heel graag aan anderen willen vertellen hoe de wereld in elkaar zit.
Als zo’n discussie is ontstaan, waarom niet? Ik doe niets verkeerds. Ik ben een nette persoon en doe niemand iets aan. Het is mijn geloofsovertuiging en ik ben hier vrij in. Ik heb geen problemen met de geloofsovertuiging van andere mensen. Ieder is vrij om een geloof uit te kiezen.
(pagina 15, zesde alinea)

Als u weet dat iemand moslim is en zich daar prima bij voelt, zou u hem of haar dan u mening over die godsdienst willen verkondigen?”
Ja, waarom niet? We hebben toch allemaal het recht op meningsuiting. Hij mag zijn mening zeggen en ik ook. Ik geef een voorbeeld. De tolk is bijvoorbeeld moslim en ik niet. Zij weet dat nu. Gaat zij stoppen met tolken voor mij?” (pagina 17, eerste alinea)

U zegt dat u alle religies respecteert, maar u zou wel aan iemand die blij is met
zijn religie gaan vertellen wat u daarvan vindt. Hoe gaat dat voor u samen?
Ik geef een voorbeeld. We zitten bij elkaar en ieder is vrij om zijn mening te
uiten en zijn geloofsovertuiging te uiten.
Dat snap ik, maar is het altijd nodig voor u om dat te doen?
Het is niet altijd nodig om zoiets te zeggen, maar het is voor mij belangrijker
dat ik hiervan overtuigd ben.
Dus als ik het goed begrijp is het voor u belangrijk dat u dit vindt, maar hoeft
u het niet altijd te uiten?
Bijvoorbeeld als ik in een groep zit of tegenover een persoon zit en er is een discussie begonnen over dat onderwerp, dan kan ik mijn mening delen en punten zeggen. Het is aan hem om overtuigd te worden door mijn woorden, maar als hij dat niet is dan is dat geen probleem voor mij. Het is belangrijk voor mij dat ik overtuigd ben.” (pagina 17, vierde tot en met zesde alinea)

Hoe zou u uw geloofsovertuiging bij terugkeer naar Irak willen uiten?
Ik krijg de tijd niet om dat te doen.
Opmerking rapporteur: Betrokkene haalt een vinger over haar keel.
Ze gaan me zeker vermoorden.
De vraag is even niet of het mogelijk is, maar hoe u het zou willen.
Ik zou niet durven. Zoiets bestaat niet in Irak. Vooral in mijn geval. Ik ging weg vanuit Irak en ik ging trouwen. Ik ging eigenlijk vluchten uit Irak. Ze wisten niet dat ik vertrok.” (pagina 18, tweede tot en met vierde alinea)

U vertelde dat u toen u in Irak woonde gedwongen praktiseerde. Uw familie wist niet dat u niet geloofde, maar wel dat u te koud was richting de islam. Als uw familie er destijds achter was gekomen dat u niet in de islam geloofde, hoe hadden ze dan gereageerd denkt u?
Dan hadden ze mij zeker kunnen vermoorden en martelen, want dan ben ik volgens hun geen moslim meer. Plus dat ik een vrouw ben. Een vrouw heeft geen rechten in de islam.” (pagina 19, laatste alinea)
“Waar baseert u het op dat uw familie u vermoord of gemarteld zou hebben?
Ik heb verteld dat als ik tegen mijn vader zei dat ik niet naar de moskee wilde gaan, dat hij mij dan hard ging slaan en martelen. Als ik zei dat ik geen gelovige meer was, dan zou hij mij zeker vermoorden.
Het is heel heftig om je eigen kind te vermoorden, waarom denkt u dat uw vader dat zou doen en u bijvoorbeeld niet zou verstoten?
Ze gaan mij vermoorden, want daar zijn mensen te streng. Mijn vader heeft
een denkwijze van oude mensen.” (pagina 20, eerste en tweede alinea)
“U gebruikt het woord martelen, maar mensen bedoelen hier verschillende dingen mee. Als u zegt dat uw vader u martelde wanneer u niet naar de moskee wilde gaan, wat bedoelt u dan?
Slaan en schreeuwen tegen mij. Hij bleef mij ondervragen.” (pagina 20, vierde alinea).
6.3
Naar het oordeel van de rechtbank komt uit het relaas van eiseres duidelijk naar voren dat ze onder de plak zat van haar ouders en dan met name haar vader. De ouders van eiseres wisten niet dat eiseres niet meer in de islam geloofde. Eiseres dorst dat ook niet te zeggen. Haar ouders hebben slechts geconstateerd dat eiseres koud was met betrekking tot het praktiseren van het geloof, het bidden en het vasten. Eiseres werd door haar vader gedwongen om te bidden en kreeg slaag als ze niet naar de moskee ging. Dat eiseres ook daadwerkelijk niet gelooft in een god gaat een stap verder dan het enkel niet of nauwelijks praktiseren van het geloof. In die zin gaat de verwijzing van de gehoorambtenaar tijdens het gehoor opvolgende aanvraag naar landeninformatie waaruit blijkt dat er in Irak steeds meer jongeren zijn die niet praktiseren en waaruit blijkt dat dit geen risico voor hun veiligheid oplevert (pagina 18), mank. Daarbij heeft eiseres al een zekere leeftijd en dient zij in feite terug te keren naar haar conservatieve ouderlijk gezin in Irak.
6.4
Uit de verklaringen van eiseres blijkt verder dat eiseres in Nederland een extra bevestiging kreeg dat god voor haar niet bestaat. Ze is daar meer en meer van overtuigd geraakt door wat haar hier is overkomen. In Nederland kreeg zij na een tijdje ook de kans om openlijk voor haar overtuiging uit te komen en zich volledig conform die overtuiging te gedragen. Nu bij eiseres de geest uit de fles is, is de vraag of van haar kan worden verlangd dat zij bij terugkeer naar Irak hierover zwijgt en zich om problemen te voorkomen zoveel mogelijk weer conformeert aan de regels van haar ouders en naaste familie die praktiserend moslim zijn. De conclusie van de minister dat uit de verklaring van eiseres niet blijkt dat het een inbreuk is op haar identiteit als zij haar mening niet geeft, wordt niet gevolgd. Het is waar dat eiseres heeft verklaard dat het voor haar niet altijd nodig is om iets te zeggen, dat het voor haar belangrijker is dat zij ervan overtuigd is en verschillende geloofsovertuigingen respecteert, maar ze heeft ook verklaard dat ze haar afvalligheid in Nederland uit door haar mening te geven als er een discussie ontstaat. Bovendien is dit een reactie op hoe zij haar afvalligheid in Nederland uit, waar zij niet wordt gedwongen om volgens de regels van de islam te leven. In die zin is het ook niet altijd nodig om iets over haar overtuiging te zeggen. De situatie wordt anders als eiseres zich bij terugkeer naar Irak weer onder de vleugels van haar ouders komt en zich zal moeten gedragen als een moslima. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich hiervan in het bestreden besluit onvoldoende rekenschap gegeven. Het bestreden besluit mist met betrekking tot dit asielmotief een draagkrachtige motivering, wat in strijd is met het bepaalde in artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
Het verzoek om bestuurlijke heroverweging
7. Niet in geschil is dat eiseres in de begeleidende brief van 1 november 2022, waarmee de kennisgeving van de opvolgende asielaanvraag is ingediend, tevens uitdrukkelijk heeft verzocht om heroverweging van het besluit van 10 april 2019. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister alleen heeft beslist op de opvolgende asielaanvraag. Een beslissing op het verzoek om heroverweging ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte geen besluit genomen op het verzoek om heroverweging. Dit heeft de minister tijdens de zitting ook erkend. Ook om deze reden is het beroep van eiseres gegrond.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de geconstateerde gebreken, geen aanleiding om de gebreken te passeren of de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Zeker niet nu het niet aan de rechtbank maar aan de minister is om te beslissen op het verzoek om heroverweging.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met wat in deze uitspraak is overwogen.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 april 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de opvolgende aanvraag en tevens alsnog te beslissen op het verzoek om heroverweging;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL25.16895.
2.In de zaak met nummer NL19.8904.
3.201905208/1/V2 en 201905208/2/V2.
6.HvJEU 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518.
7.ABRvS 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5578, en ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1968.