ECLI:NL:RBDHA:2026:21079

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19048
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens overschrijding beslistermijn asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister was opgedragen binnen zestien weken te beslissen. Omdat de minister deze termijn heeft overschreden, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank stelt dat in dit geval geen ingebrekestelling vereist is vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken beslistermijn uit de eerdere uitspraak. De minister krijgt een nieuwe beslistermijn opgelegd: binnen vier weken na verzending van deze uitspraak moet een gehoor over de asielmotieven van eiser plaatsvinden, waarna binnen twee weken een besluit moet volgen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 50,- per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A.W. van Eerden op 27 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen zes weken een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19048
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 juli 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen zestien weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Eiser stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 15 juli 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.4 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
ontvankelijk. De rechtbank stelt verder vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5 In deze zaak is dit aan de orde.
5. De minister heeft aan de rechtbank geen verzoek gedaan tot het bepalen van een concrete nadere beslistermijn. Mede tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.6
6. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.7 De rechtbank weegt verder mee dat het een opvolgende beroep tegen het niet tijdig beslissen betreft. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

7. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is
€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.8 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van deze aanbeveling af te wijken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 6. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt
5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.
voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een gehoor over de asielmotieven van eiser af te nemen en binnen twee weken nadien een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 juli 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.