ECLI:NL:RBDHA:2026:21224
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen en afschaffing bestuurlijke dwangsom in asielprocedure
Eiser diende op 18 juli 2025 een aanvraag in voor toetsing aan het EU-recht en stelde de minister op 2 februari 2026 in gebreke wegens het uitblijven van een tijdige beslissing. Na het instellen van beroep op 18 maart 2026 heeft de minister op 21 april 2026 de aanvraag ingewilligd. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat het belang van eiser hiermee is komen te vervallen.
Eiser betoogt dat het besluit onrechtmatig is omdat geen bestuurlijke dwangsom is vastgesteld, wat volgens hem in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel en EU-recht. De rechtbank oordeelt dat de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De aanvraag is niet vergelijkbaar met een identiteitskaartaanvraag en eiser beschikt over een effectief rechtsmiddel tegen niet tijdig beslissen.
De rechtbank wijst ook het betoog af dat nationale wetgeving artikel 10 van Pro Richtlijn 2004/38/EG onjuist zou hebben omgezet. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie worden niet gesteld omdat de rechtspraak hierover voldoende duidelijkheid biedt. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser, die de zaak als licht van gewicht beschouwt.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit zonder bestuurlijke dwangsom wordt ongegrond verklaard.