ECLI:NL:RBDHA:2026:21224

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.15107
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 10 Richtlijn 2004/38/EGArt. 8:13 Vreemdelingenbesluit 2000Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen en afschaffing bestuurlijke dwangsom in asielprocedure

Eiser diende op 18 juli 2025 een aanvraag in voor toetsing aan het EU-recht en stelde de minister op 2 februari 2026 in gebreke wegens het uitblijven van een tijdige beslissing. Na het instellen van beroep op 18 maart 2026 heeft de minister op 21 april 2026 de aanvraag ingewilligd. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat het belang van eiser hiermee is komen te vervallen.

Eiser betoogt dat het besluit onrechtmatig is omdat geen bestuurlijke dwangsom is vastgesteld, wat volgens hem in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel en EU-recht. De rechtbank oordeelt dat de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De aanvraag is niet vergelijkbaar met een identiteitskaartaanvraag en eiser beschikt over een effectief rechtsmiddel tegen niet tijdig beslissen.

De rechtbank wijst ook het betoog af dat nationale wetgeving artikel 10 van Pro Richtlijn 2004/38/EG onjuist zou hebben omgezet. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie worden niet gesteld omdat de rechtspraak hierover voldoende duidelijkheid biedt. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser, die de zaak als licht van gewicht beschouwt.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit zonder bestuurlijke dwangsom wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.15107
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.B. Bierbach),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Eiser heeft op 18 maart 2026 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag voor toetsing aan het EU-recht.
Bij besluit van 21 april 2026 heeft de minister de aanvraag ingewilligd.
Eiser heeft op 20 mei 2026 aangegeven het beroep te handhaven.
De minister heeft op 19 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 18 juli 2025 een aanvraag voor toetsing aan het EU-recht ingediend. Hij heeft de minister op 2 februari 2026 in gebreke gesteld, omdat de minister niet tijdig heeft beslist. Vervolgens is eiser op 18 maart 2026 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen. Op 21 april 2026 heeft de minister de aanvraag van eiser ingewilligd.
2 Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, moet worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb geen procesbelang meer heeft. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk.
3. De rechtbank constateert dat het alsnog genomen besluit niet geheel aan het beroep van eiser tegemoet komt, omdat volgens eiser ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom is vastgesteld. De minister heeft zich in het besluit van 21 april 2026 op het standpunt gesteld dat gelet op de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, er geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd. Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Het beroep heeft daarom, op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 21 april 2026. [1]
4. Eiser voert aan dat asielprocedures worden beheerst door zogenaamde ‘derdelanders’-richtlijnen, die op basis van artikel 67 VWEU Pro [2] worden aangenomen. Eisers procedure wordt beheerst door één van de oudste kernbevoegdheden van de Europese Unie, al sinds het invoeren van het vrij verkeer van werknemers met het Verdrag ter oprichting van de Europese Economische Gemeenschap. Het idee is dat derdelander gezinsleden van (toen nog) gemeenschapsonderdanen niet enkel gelijke behandeling genieten met derdelander gezinsleden van Nederlanders in Nederland, maar eigenlijk met Nederlandse gezinsleden van Nederlanders. Zij horen niet als vreemdelingen te worden behandeld, maar dienen eigenlijk een verblijfsprocedure te kunnen doorlopen die niet vele malen ingewikkelder is dan de aanvraagprocedure voor een identiteitskaart voor een Nederlander, de ‘basiseenheid’ voor vergelijking. Dat ziet eiser ook terug in het legesbedrag dat geheven wordt voor deze procedure, €85,-, hetzelfde bedrag dat Nederlanders betalen voor een identiteitskaart.
5. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat er volgens hem wordt gehandeld in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel. De Afdeling [3] heeft in haar uitspraak van 31 november 2022 [4] overwogen dat de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel. Er moet namelijk worden onderzocht of de procedure uit het Unierecht en een nationaalrechtelijke procedure vergelijkbaar zijn wat betreft hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken. Daarna moet worden nagegaan of de nationaalrechtelijke procedure een gunstigere behandeling vormt dan de Unierechtelijke procedure omdat een bestuursorgaan in die nationaalrechtelijke procedure wél een bestuurlijke dwangsom verbeurt bij het niet tijdig nemen van een besluit. Niet valt in te zien dat eisers aanvraag voor toetsing aan het EU-recht vergelijkbaar is met het aanvragen van een identiteitskaart door een Nederlander. Bij de aanvraag voor een identiteitskaart is immers al volledig duidelijk om wie het gaat en hoeft daar geen onderzoek naar gedaan te worden. Daarnaast gaat het in het geval van eiser om verblijf in Nederland als een persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit.
6. De rechtbank overweegt verder dat eiser, anders dan hij betoogt, wel een doeltreffend en effectief rechtsmiddel tot zijn beschikking heeft. Eiser heeft namelijk een beroep wegens het niet tijdig beslissen in kunnen dienen, waar een rechterlijke dwangsom aan gekoppeld kan worden. [5]
7. Voor zover eiser aanvoert dat artikel 10, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG onjuist is omgezet in de nationale wetgeving, volgt de rechtbank eiser hierin evenmin. In artikel 8:13, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 staat dat de minister een verblijfsvergunning binnen zes maanden verstrekt. De rechtbank leest hierin de verplichting voor de minister, zoals die ook in Richtlijn 2004/38/EG is opgenomen.
8. Eiser heeft de rechtbank ter zitting verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen over de bestuurlijke dwangsom. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding, omdat uit bovengenoemde uitspraken van de Afdeling voldoende duidelijk blijkt dat de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom niet in strijd is met het Unierecht.
9. Nu eiser ten tijde van het indienen van het beroep wel procesbelang had, de ingebrekestelling van 2 februari 2026 geldig was en het beroep wegens niet tijdig beslissen van 18 maart 2026 ook terecht door eiser is ingediend, ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of de minister een dwangsom heeft verbeurd.
10. De rechtbank ziet in de uitkomst van de zaak ook aanleiding te bepalen dat de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt, omdat de minister aan het beroep wegens het niet tijdig beslissen tegemoet is gekomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 april 2026, ongegrond;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden; en,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom, zoals aangegeven in het besluit van 21 april 2026.
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.