ECLI:NL:RBDHA:2026:21241

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.13088
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
  • M.A. Hollander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 DublinverordeningArt. 10 DublinverordeningArt. 11 DublinverordeningArt. 13 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening wegens onvoldoende motivering en belangenafweging

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende vóór 12 juni 2026 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister nam deze niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. De minister had de overdrachtstermijn tijdig verlengd en mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. De partner en dochter van eiser werden niet als gezinsleden erkend omdat de gezinsband niet bestond in het land van herkomst.

Eiser voerde aan dat de minister ten onrechte geen gebruik had gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen, mede vanwege de slechte behandeling in Kroatië en de gezinssituatie. De rechtbank oordeelde dat de eerdere behandeling in Kroatië niet volstond als bijzondere omstandigheid en dat het belang van het kind niet leidde tot een verplichting tot behandeling, maar wel relevant was voor de discretionaire bevoegdheid.

De rechtbank stelde vast dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met het belang van de dochter, die inmiddels erkend was, en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakte van zijn discretionaire bevoegdheid. De rechtbank vernietigde het besluit, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd eiser een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van eiser en zijn dochter.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.13088
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 2000, met de Syrische nationaliteit,

eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van eisers aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de beoordeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.2.
De voorzieningenrechter/rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben fysiek deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en J. Labban als tolk in de taal Arabisch Syrisch Libanees. De gemachtigde van de minister heeft digitaal deelgenomen aan de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting gesloten.
1.3.
Op 28 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn te uploaden in het digitale dossier. De rechtbank heeft daarnaast eiser in de gelegenheid gesteld met stukken te onderbouwen dat zijn dochter door hem is of zal worden erkend.
1.4.
Eiser heeft e-mailcorrespondentie tussen hem en de gemeente Enschede overgelegd. De minister heeft geen stukken overgelegd. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.
1.5.
Een week na sluiting van het onderzoek heeft eiser een akte van erkenning door eiser van zijn dochter geüpload in en de rechtbank verzocht deze toe te voegen aan het dossier. De rechtbank heeft het onderzoek hierop opnieuw heropend en de erkenningsakte toegevoegd aan het dossier en de minister in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De minister heeft een reactie geüpload. Ook heeft de minister tijdens deze tweede heropening van het onderzoek alsnog het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn van 13 oktober 2025 geüpload.
De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De voorzieningenrechter beoordeelt eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank/voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening [1] (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening [2] - die door AMBV vervangen is – met ingang van 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
4.1.
Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
4.2.
Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
4.3.
Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dat artikel kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, eerste lid, van de AMBV kent eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toe. In zoverre brengt de inwerkingtreding van de AMBV geen wijziging in de bevoegdheid van een lidstaat. Aangezien het bij dit onderwerp niet gaat over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk
is, maar over de bevoegdheid die een lidstaat heeft om een verzoek om internationale bescherming
onverplichtaan zich te trekken, is het niet zeker of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing is onder de werking van artikel 84, tweede lid, van de AMBV of dat artikel 35 van Pro de AMBV van toepassing is op grond van de onmiddellijke werking van de AMBV. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven. Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 [3] blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing. Dat betekent ook dat het beleid van de minister in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing blijft. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde vóór 12 juni 2026.
4.4.
Artikel 43, eerste lid, van de AMBV bepaalt tot slot dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de beoordeling van de punten die in de onderdelen a, b en c van dat artikellid zijn genoemd. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV valt niet onder de werking van het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV zodat dat artikel onmiddellijke werking heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 43, eerste lid, van de AMBV niet van toepassing is op zaken die onder het overgangsrecht van de AMBV vallen. Artikel 43 valt Pro onder Afdeling IV van de AMBV over procedurele waarborgen die zien op een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 42 van Pro de AMBV. Bij verzoeken ingediend voor 12 juni 2026 en die vallen onder het overgangsrecht, is daarvan geen sprake. Bij die verzoeken is immers sprake van een overdrachtsbesluit volgend op de toepassing van de criteria van de Dublinverordening. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV beperkt dan ook niet de rechterlijke toetsing van overdrachtsbesluiten die onder het overgangsrecht vallen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Het bestreden besluit is tot stand gekomen op grond van de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
5.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 13 februari 2024 onrechtmatig het Dublinterritorium binnen is gekomen via Kroatië. De minister heeft daarom op 23 april 2024 de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. De autoriteiten van Kroatië hebben dit verzoek op
20 juni 2024 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Kroatië voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
Is de uiterste overdrachtstermijn overschreden?
6. Eiser heeft aangevoerd aan dat hij niet overgedragen kan worden aan Kroatië omdat de uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Eiser wijst op de uitspraak [5] die deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht heeft gedaan op eisers beroep tegen zijn inbewaringstelling. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen:
“Uit het dossier volgt dat Nederland op 23 april 2024 bij Kroatië een verzoek tot overname heeft gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 20 juni 2024 aanvaard en daarmee komt de uiterste overdrachtstermijn op 20 december 2024 te liggen. Verder volgt uit het dossier dat de uiterste overdrachtstermijn op 13 oktober 2025, en daarmee kennelijk te laat, is verlengd. De rechtbank is van oordeel dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel niet onder de Dublinverordening viel omdat de uiterste overdrachtstermijn op 20 december 2024 al was verlopen en niet tijdig is verlengd.” [6]
6.1.
Eiser heeft deze grond op zitting ingetrokken. De rechtbank overweegt echter dat zij ambtshalve moet toetsen of de uiterste overdrachtstermijn is verstreken. De rechtbank zal dit daarom alsnog inhoudelijk toetsen.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft op 18 november 2024 een voorlopige voorziening [7] getroffen, ertoe strekkende dat eiser niet mag worden overgedragen totdat op zijn beroep (gericht tegen het niet in behandeling nemen van eisers eerdere asielaanvraag) is beslist. In deze voorlopige voorziening staat:
“Als gevolg van de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening vangt, op grond van artikel 28, derde lid, dan wel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, na de beslissing op het beroep een nieuwe termijn voor overdracht aan.” [8]
Vervolgens heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep van eiser bij uitspraak van 18 juli 2025 [9] ongegrond verklaard. Vanaf die dag is dus een nieuwe overdrachtstermijn gaan lopen. Vervolgens is eiser niet op komen dagen voor de geplande overdracht op
13 oktober 2025. De overdrachtstermijn is bij besluit van diezelfde datum verlengd met
18 maanden. Gerekend vanaf 18 juli 2025 loopt de uiterste overdrachtstermijn daarom tot
18 januari 2027, zoals de minister ook stelt. De uiterste overdrachtstermijn is daarmee niet overschreden.
Mag de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
7. Eiser voert ten tweede aan dat de minister ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser is in Kroatië aangehouden, ernstig mishandeld en vervolgens twee dagen vastgehouden op het politiebureau. Gelet hierop mag verondersteld worden dat eiser bij terugkeer naar Kroatië risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest [10] . De jurisprudentie waar de minister naar verwijst, waaruit volgt dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, ziet op andere situaties. Zo ziet die jurisprudentie niet op de wijze waarop vreemdelingen worden behandeld na aanhouding.
7.1.
De Afdeling [11] heeft op 9 oktober 2024 [12] en 21 november 2025 [13] geoordeeld dat de minister voor Kroatië nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 overwogen dat niet blijkt dat Dublinclaimanten betrokken zijn bij pushbacks en dat uit het AIDA [14] -rapport van
10 juli 2024 volgt dat er in beginsel geen obstakels voor Dublinclaimanten zijn om toegang tot de Kroatische asielprocedure te krijgen na overdracht. In de uitspraak van 21 november 2025 heeft de Afdeling dat oordeel bevestigd. Eiser heeft niet geconcretiseerd in welke zin deze uitspraken zien op andere situaties dan die van eiser.
7.2.
De rechtbank overweegt daarbij nog dat in de in augustus 2025 gepubliceerde AIDA-rapport update van 2024, anders dan in de update van 2023, ten aanzien van
Dublin-terugkeerders wordt genoemd dat er meldingen zijn van politiegeweld door handhavers van andere landen tijdens overdrachten. De update van 2024 schetst daarnaast, anders dan in de update van 2023, ten aanzien van Dublin-terugkeerders een zorgelijk beeld waar het gaat om (de medische overdracht van) personen met psychische problemen. Eiser heeft afgezien van zijn stelling dat hij door de Kroatische autoriteiten is mishandeld niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg daarvan psychische problemen heeft en ook niet dat hij daarvoor niet zal worden behandeld in Kroatië. Voorts is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublin-terugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiser om hierover aldaar te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de partner en dochter van eiser ten onrechte niet aangemerkt als gezinslid?
8. Eiser voert ten derde aan dat de minister zijn partner en zijn dochter ten onrechte niet heeft aangemerkt als gezinsleden in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. Hoewel eiser en zijn partner geen gemeenschappelijk land van herkomst hebben, was er wel al sprake van een relatie voordat zij naar Nederland zijn gevlucht. Zij zijn immers in Turkije traditioneel gehuwd. Gelet hierop komt eiser een beroep toe op artikel 10 en Pro artikel 11, onder a, van de Dublinverordening.
8.1.
In artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening staat:
“Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
g) ‘gezinsleden’: voor zover het gezin reeds in het land van herkomst bestond, de volgende leden van het gezin van de verzoeker die op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn:
  • de echtgenoot van de verzoeker of de niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat niet-gehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld in het kader van diens recht met betrekking tot onderdanen van een derde land;
  • de minderjarige kinderen van paren als bedoeld onder het eerste streepje, of van de verzoeker, mits zij niet gehuwd zijn, ongeacht of zij volgens het nationale recht wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn;”
8.2.
De rechtbank overweegt dat eiser in zijn aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij zijn partner in Turkije heeft ontmoet en dat hij daar met haar in een traditioneel huwelijk is getreden. Hieruit volgt dat hun relatie niet al bestond in het land van herkomst. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat de partner van eiser geen gezinslid is in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Eiser heeft verder verklaard dat hun dochter in 2025 is geboren in Almere. Ook de gezinsband met eisers dochter bestond daarmee niet al in het land van herkomst. De minister heeft daarom ook kunnen concluderen dat de dochter van eiser geen gezinslid is in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Eiser komt daarom geen beroep toe op artikel 10 of Pro artikel 11, aanhef en onder a, van de Dublinverordening.
8.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister gebruik moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om eiser alsnog in de nationale procedure op te nemen?
9. Eiser voert ten slotte aan dat de minister van zijn discretionaire bevoegdheid onder artikel 17 van Pro de Dublinverordening gebruik had moeten maken om eiser alsnog in de nationale procedure op te nemen. Eiser is namelijk slecht behandeld door de autoriteiten van Kroatië. Hem terugsturen zou daarom resulteren in onevenredige hardheid. Daarnaast maken eisers gezinssituatie en de problemen die hij ondervindt bij het proces van erkenning van zijn dochter ook dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Eiser acht de kans dat hij vanuit Kroatië zijn dochter zou kunnen erkennen erg klein, gelet op de behandeling die hij daar heeft gehad, het feit dat het hier in Nederland al zo moeilijk gaat en het feit dat zijn partner en dochter in Kroatië niet aanwezig kunnen zijn bij een eventuele erkenningsprocedure daar. Daarnaast zou eiser bij overdracht aan Kroatië gescheiden worden van zijn partner en zijn dochter. Het kind is nu juist op de leeftijd dat zij haar vader begint te herkennen en zich aan hem begint te binden. Scheiding kan daarom noch in het belang van eiser, noch in het belang van zijn dochter worden geacht.
9.1.
De minister kan besluiten een asielaanvraag te behandelen, ook al is hij daar niet toe verplicht op grond van de Dublinverordening. Artikel 17 van Pro de Dublinverordening biedt deze mogelijkheid. Volgens paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [15] maakt de minister terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid om een asielaanvraag alsnog te behandelen op grond van dit artikel. De minister gebruikt deze bevoegdheid in ieder geval indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan die lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank toetst terughoudend of de minister van deze discretionaire bevoegdheid gebruik had moeten maken.
9.2.
Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangedragen over zijn slechte behandeling door de autoriteiten in Kroatië overweegt de rechtbank als volgt. Dit ziet op een onderwerp dat van betekenis is voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel – de vraag of ervan mag worden uitgegaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen zal nakomen ten aanzien van de behandeling van asielzoekers. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van 27 november 2024 [16] en 23 december 2024 [17] , volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ook van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5. Eisers eerdere behandeling in Kroatië kan daarom op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt.
9.3.
Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangedragen over zijn gezinssituatie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat overwegingen in verband met het belang van het kind, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening, niet de verplichting kunnen scheppen om een asielverzoek te behandelen waarvoor de lidstaat in kwestie niet verantwoordelijk is. De rechtbank verwijst op dit punt naar het arrest van het Hof [18] van 23 januari 2019 [19] . Dat neemt niet weg dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening, zoals hierboven onder 9.1 beschreven, een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. In dat kader kan het belang van een betrokken kind relevant zijn en moet de rechter toetsen of de minister zich bij zijn belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de gestelde belangen van het kind. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die de minister heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank dit terughoudend.
9.3.1.
Eiser heeft zijn dochter inmiddels erkend. De erkenningsprocedure is daarmee succesvol afgrond, zodat het voltooien van die procedure zelf geen bijzondere, individuele omstandigheid meer kan vormen. Vaststaat dat eiser door de overdracht aan Kroatië gescheiden wordt van zijn biologische en nu ook juridische dochter. De rechtbank kan de minister niet volgen in zijn oordeel dat dit geen bijzondere, individuele omstandigheid is op grond waarvan overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft zich in dit kader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van eisers dochter. De minister heeft overwogen dat het in beginsel in het belang is van de dochter om bij de moeder te verblijven. De moeder verblijft alleen met de dochter in het asielzoekerscentrum en heeft met eiser grote moeite betracht om de erkenningsprocedure te laten slagen en het contact tussen eiser en zijn dochter te laten plaatsvinden. Het lukt eiser, die volgens zijn verklaring niet in het asielzoekerscentrum mag verblijven, daardoor om in elk geval meerdere keren per week zijn dochter te bezoeken. Eiser en de moeder zien beide het belang van hun dochter om ook met de vader contact te hebben en een band op te bouwen. In die situatie had de minister niet kunnen volstaan met de overweging dat het in het belang van het kind is om bij de moeder te verblijven.
9.4.
De minister heeft, in reactie op de erkenningsakte, niet ten onrechte opgemerkt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een eventueel gezinslid in Nederland kan worden verkregen en dat hier andere, reguliere wegen voor openstaan. Het is de rechtbank echter ambtshalve bekend dat het meerdere jaren kan duren voordat er een beslissing wordt genomen op een dergelijke reguliere procedure. Daar komt nog bij dat een dergelijke reguliere procedure pas kan worden opgestart als de partner en dochter van eiser een definitief (positief) besluit op hun asielaanvragen hebben gekregen, wat ook nog maanden tot jaren kan duren. Dit zou ertoe leiden dat de band tussen eiser en zijn dochter, waarvoor eiser en zijn partner veel moeite hebben gedaan en nog steeds doen om deze zowel juridisch als praktisch in stand te houden, langdurig zal worden onderbroken. Ook dit heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrokken bij de besluitvorming.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
12. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding meer voor de door eiser verzochte voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.13088:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 maart 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.13089:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van €2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.EU 2024/1351 en EU 2025/90929 (rectificatie).
2.Verordening (EU) 604/2013.
3.Staatsblad 2026, 127.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Zaaknummer NL26.10170.
6.Onder 3.
7.Zaaknummer NL24.32629.
8.Onder 4.
9.Zaaknummer NL24.32628.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
14.Asylum Information Database.
15.Vreemdelingencirculaire 2000.
18.Hof van Justitie van de Europese Unie.
19.ECLI:EU:C:2019:53 (