ECLI:NL:RBDHA:2026:21378

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
NL25.21285 en AWB 24/2964
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:81 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing uitstel van vertrek wegens ontoegankelijke medische zorg in Nigeria

Eiseres, een vrouw van Nigeriaanse nationaliteit met ernstige psychische en lichamelijke aandoeningen, verzocht om uitstel van vertrek naar Nigeria op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet vanwege haar gezondheidssituatie. De minister wees dit verzoek af, stellende dat de benodigde medische zorg in Nigeria beschikbaar en toegankelijk is. Eiseres bracht echter nieuwe feiten en rapporten in, waaronder een brand in een psychiatrisch ziekenhuis en diverse medische en sociale rapportages, die twijfel opriepen over de feitelijke toegankelijkheid van de zorg.

De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg in Nigeria voor haar niet toegankelijk is, mede vanwege haar ernstige verstandelijke beperkingen, hoge kosten van zorg, onvermogen tot zelfvoorziening en het ontbreken van een sociaal netwerk of overheidssteun. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres geen beroep zou kunnen doen op ondersteuning in Nigeria.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de minister zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarbij nader onderzoek naar de gevolgen van uitzetting in het licht van de persoonlijke omstandigheden van eiseres en de situatie in Nigeria moet worden verricht. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep heeft beslist.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de benodigde medische zorg in Nigeria voor haar niet feitelijk toegankelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.21285 (beroep)
AWB 24/2964 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] 1974, van Nigeriaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres van tot verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw [1] afgewezen.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot het opschorten van het primaire besluit en het verbieden van haar uitzetting totdat op het bezwaar is beslist.
Bij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb [2] geldt het verzoek om een voorlopige voorziening daarom als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 april 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, een tolk in de taal Pidgin Engels, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Aan de kant van eiseres was ook verschenen [persoon] , sociaal raadsvrouw bij het [bedrijf 1] .
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst. Omdat de tolk een uur vertraagd was, heeft de rechtbank de zaken niet geheel op zitting kunnen behandelen. Met partijen is daarom afgesproken dat er nog een nadere zitting zal komen om de zaken verder te behandelen.
De rechtbank heeft vervolgens op 17 juni 2026 een nadere zitting gehouden. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, A.Y.O. Akinsola als tolk (telefonisch) in de taal Pidgin Engels, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Aan de kant van eiseres was ook verschenen [persoon] , sociaal raadsvrouw bij het [bedrijf 1] . De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Het griffierecht
1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek oe.
Het bestreden besluit
Achtergrond
2. Eiseres heeft op 17 juli 2023 een aanvraag ingediend voor verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw in verband met haar gezondheidssituatie.
2.1.
Het BMA [3] heeft op 28 november 2023 een medisch advies uitgebracht ten aanzien van eiseres. In dit advies staat – kortgezegd – dat eiseres bekend is met PTSS [4] en een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Verder is sprake van verstandelijke beperkingen, morbide obesitas en prediabetes. Eiseres staat voor haar psychische klachten onder behandeling van een psychiater, psycholoog en een casemanager bij [bedrijf 2] . Bij het uitblijven van deze behandeling verwacht het BMA dat op korte termijn (binnen drie tot zes maanden) een medische noodsituatie ontstaat. Volgens het BMA zijn de door eiseres benodigde behandeling en medicatie op basis van de beschikbare landeninformatie beschikbaar in Nigeria, haar land van herkomst en is deze behandeling voldoende om de verwachte medische noodbehandeling te voorkomen. Verder vermeldt het advies dat eiseres niet kan reizen naar Nigeria, tenzij er voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht plaatsvindt.
Besluitvorming
3. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag van eiseres voor uitstel van vertrek afgewezen. Uit het BMA-advies blijkt namelijk dat de voor eiseres noodzakelijke medische behandeling in Nigeria beschikbaar is. De minister meent dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze behandeling voor haar feitelijk niet toegankelijk is. Ten aanzien van de fysieke overdracht stelt de minister zich op het standpunt dat deze niet al ten tijde van het bestreden besluit geregeld hoeft te zijn, maar dat is voldaan aan de vergewisplicht met de garantie dat enkel tot uitzetting zal worden overgegaan als aan de voorwaarden voor fysieke overdracht is voldaan.
3.1.
Eiseres heeft in beroep een artikel [5] van The Guardian van 21 april 2026 overgelegd, waarin staat dat het [ziekenhuis] – een instelling waar volgens het BMA-advies de door eiseres benodigde behandeling beschikbaar was – in april 2026 deels is afgebrand. De minister heeft hierop een aanvullend advies bij het BMA opgevraagd. Hierbij is aan het BMA de vraag voorgelegd of dit krantenartikel het oordeel in het BMA-advies van 28 november 2023 verandert. Het BMA heeft op onbekende datum een aanvullend BMA-advies uitgebracht. Hierin staat dat de door eiseres benodigde behandeling ook bij andere instellingen beschikbaar is en dat het daarom blijft bij de conclusie dat de benodigde behandeling in Nigeria beschikbaar is.
Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat de door haar benodigde zorg in Nigeria niet feitelijk toegankelijk is?
Standpunt eiseres
4. Eiseres meent dat de minister een te hoge bewijsdrempel heeft opgeworpen voor het aannemelijk maken dat de door haar benodigde zorg in Nigeria niet toegankelijk is. De minister vereist ten onrechte dat zij stukken overlegt die bewijzen dat de medische zorg voor haar ontoegankelijk is. Zij hoeft namelijk slechts aannemelijk te maken dat er gerede twijfel bestaat over die toegankelijkheid. Eiseres meent dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van die gerede twijfel. Uit de overgelegde bronnen blijkt dat in Nigeria sprake is van een ernstig tekort aan psychiaters en verplegend personeel, dat er een grote populatie is van onbehandelde geestelijk zieken en dat langdurige opnames van geestelijk zieken niet worden gefinancierd via het publieke zorgverzekeringsstelsel. Dit roept gerede twijfel op over de vraag of eiseres toegang kan krijgen tot de door haar benodigde, privé te financieren 24-uurszorg. Eiseres kan gelet op haar beperkingen geen modaal inkomen verwerven en ook een netwerk – als dat er al is – kan de kosten van de medische behandeling niet te betalen. Eiseres wijst verder op een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 27 januari 2026 [6] , waarin de rechtbank de prejudiciële vraag heeft gesteld of het Unierecht meer bescherming biedt dan het arrest Paposhvili [7] van het EHRM [8] . Mocht de rechtbank tot de conclusie komen dat eiseres nu in haar bewijslast is geslaagd, dan verzoekt zij de rechtbank om de zaken aan te houden in afwachting van beantwoording van deze vraag.
Toetsingskader
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [9] volgt dat het volgens de arresten Paposhvili en Savran [10] van het EHRM aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [11] loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. [12] Dit hoeft volgens het EHRM geen "clear proof" te zijn. Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg feitelijk niet toegankelijk is, is het vervolgens aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen. De nationale autoriteiten van de uitzettende staat moeten dan de voorzienbare gevolgen van de uitzetting naar het land van herkomst voor die vreemdeling zorgvuldig onderzoeken in het licht van de algemene situatie daar en de persoonlijke omstandigheden van die vreemdeling. Bij de beoordeling of die vreemdeling een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt, moeten zij algemene landeninformatie van gezaghebbende bronnen zoals de WHO [13] en non-gouvernementele organisaties en medische informatie over die vreemdeling betrekken. De nationale autoriteiten moeten daarbij ook de mate van daadwerkelijke toegang voor die vreemdeling tot de in de ontvangende staat beschikbare zorg bezien. Bij de inschatting daarvan moeten de specifieke omstandigheden, zoals de kosten van medicatie en behandeling, de aanwezigheid van een sociaal netwerk en de reisafstand om de benodigde zorg te verkrijgen, worden betrokken. Indien na het verrichten van dit onderzoek serieuze twijfel blijft bestaan, is het aan de nationale autoriteiten om garanties te vragen aan het land van herkomst omtrent de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de medische zorg die toereikend is om een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie te voorkomen [14] .
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt gelet op dit toetsingskader voorop dat het – anders dan eiseres stelt – niet aan haar is om aannemelijk te maken dat er gerede twijfel is over de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg, maar om aannemelijk te maken dat die zorg voor haar niet feitelijk toegankelijk is [15] . De rechtbank beoordeelt hierna of eiseres daarin is geslaagd.
6.1.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de volgens de BMA-adviezen in Nigeria beschikbare zorg niet beschikbaar is bij haar aanvraag een passage uit het rapport “Nigeria: Medical Country of Origin Information Report. April 2022” van het European Union Agency for Asylum overgelegd. Vervolgens heeft eiseres in beroep de volgende stukken overgelegd:
 Een forensisch medisch onderzoek van iMMO van 14 juli 2025;
 Een verslag van een psychologisch onderzoek van eiseres van [bedrijf 3] van 29 november 2021;
 Een overzicht van de kosten voor behandeling bij [bedrijf 4] in Lagos;
 Een overzicht van de kosten voor behandeling bij het [ziekenhuis] ;
 Een berekening van Numbeo waarin de kosten van levensonderhoud in Lagos, Nigeria, worden vermeld;
 Een tracingverzoek van eiseres, waarin het Rode Kruis wordt verzocht te zoeken naar haar twee dochters in Nigeria;
 E-mails naar en van verzekeraars in Nigeria. Hierin vraagt eiseres – kortgezegd – of en onder welke voorwaarden zij voor haar ziektekosten kan worden verzekerd. Hierop wordt niet dan wel afwijzend door de verzekeraars gereageerd;
 Een passage uit het rapport “Nigeria: Country Focus. November 2025 van het European Union Agency for Asylum”;
 Het rapport “Nigeria: People With Mental Health Conditions Chained, Abused. Ban Chaining; Provide Mental Health Services” van Human Rights Watch van November 2019;
 Het krantenartikel “Midnight fire razes therapy building at [plaats] neuro-psychiatric hospital”;
 Screenshots en e-mails waaruit volgens eiseres blijkt dat de in het aanvullend BMA-advies genoemde instellingen niet bereikbaar zijn.
6.2.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikbare zorg voor haar niet toegankelijk is. De minister heeft benadrukt dat het bij de beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid steeds om een individuele en casuïstische beoordeling gaat. Het gaat daarbij niet om de vraag of de zorg in het land van herkomst in algemene zin beschikbaar is, maar of deze zorg voor de betreffende vreemdeling, gelet op diens persoonlijke omstandigheden, feitelijk toegankelijk is. Voor de minister zijn bij deze beoordeling met name de volgende vier (samenhangende) elementen van doorslaggevend belang:
De kosten van de noodzakelijke medische behandeling en/of medicatie in het land van herkomst;
De mogelijkheid van de vreemdeling om zich te verzekeren voor zijn/haar ziektekosten;
De financiële situatie en verdiencapaciteit van de vreemdeling;
De mogelijke ondersteuning door de overheid in het land van herkomst, familieleden of andere derden.
De minister heeft met de bijlage bij het nadere verweerschrift van 19 mei 2026 toegelicht dat deze elementen (en eventuele andere door de vreemdeling aangevoerde aspecten) in onderlinge samenhang worden gewogen om te beoordelen of de zorg voor de vreemdeling feitelijk toegankelijk is. Per casus wordt steeds gekeken wat van de vreemdeling verwacht kan worden. Het gewicht dat aan de elementen wordt gegeven kan per geval verschillen. De minister neemt gelet op de rechtspraak van het EHRM en de Afdeling als uitgangspunt dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt. De minister verwacht van de vreemdeling dat hij actief en aantoonbaar inspanningen verricht om de benodigde informatie te verkrijgen. Daarbij kijkt de minister niet alleen naar het eindresultaat, maar ook naar de pogingen die zijn ondernomen om gegevens te verzamelen. Als er na de inspanningen van de vreemdeling nog onduidelijkheden bestaan, beoordeelt de minister per individueel geval of deze onduidelijkheden voortkomen uit omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de vreemdeling liggen, of dat sprake is van onvoldoende onderbouwing terwijl die onderbouwing redelijkerwijs wel van de vreemdeling kon worden verlangd.
6.3.
De minister heeft op de zitting van 16 april 2026 verklaard dat eiseres met de overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is haar eigen inkomen te verdienen (element 3) en dat de kosten voor de benodigde medische handeling in Nigeria hoog zijn (element 1). De minister heeft vervolgens op de nadere zitting van 17 juni 2026 aangegeven dat uit de door eiseres overgelegde e-mails naar verzekeraars blijkt dat zij inspanningen heeft geleverd om aannemelijk te maken dat het voor haar (financieel) niet mogelijk is om zich voor haar ziektekosten te verzekeren (element 2). Ook is met het traceerverzoek aan het Rode Kruis een start gemaakt met het aannemelijk maken dat zij (mogelijk) in Nigeria niet door familieleden kan worden ondersteund, maar een resultaat van dit onderzoek is nog niet binnen (element 4). Bovendien wordt in het traceerverzoek aangegeven dat eiseres op zoek is naar haar dochters, terwijl eiseres mogelijk een groter netwerk in Nigeria heeft. Verder mist volgens de minister nog een onderbouwing dat eiseres geen beroep kan doen op de overheid.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de toegang tot de beschikbare zorg in Nigeria voor haar niet toegankelijk is. De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande vaststaat dat eiseres aan de eerste drie van de onder 6.2 genoemde elementen heeft voldaan. Daarmee resteert alleen nog de vraag of eiseres ondersteund kan worden door de overheid, familieleden of eventuele derden in Nigeria. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat de enkele omstandigheid dat eiseres niet met objectieve stukken heeft aangetoond dat zij geen beroep kan doen op een sociaal netwerk in Nigeria of de overheid voor ondersteuning, maakt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen toegang kan krijgen tot de beschikbare zorg in Nigeria.
6.4.1.
Ten aanzien van de eventuele ondersteuning door familieleden of eventuele derden acht de rechtbank hierbij in de eerste plaats van belang dat eiseres met het traceerverzoek reeds inspanningen heeft geleverd om de aanwezigheid van een sociaal netwerk in Nigeria te achterhalen en zich op de zitting bereid heeft verklaard dit verzoek verder uit te breiden. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiseres onbetwist heeft gesteld dat het onduidelijk is wanneer er een antwoord komt op het traceerverzoek. Bovendien is eiseres, zoals [persoon] ter zitting heeft toegelicht, nog in afwachting van een uitgebreide intake door het Rode Kruis en vervolgens aanvullend onderzoek door daarvoor aangewezen teams in Nigeria. De rechtbank overweegt verder dat het enkel afwijzen van de aanvraag omdat er nog geen antwoord is op het traceerverzoek, terwijl onbetwist is gesteld dat de uitkomst daarvan hoogstwaarschijnlijk geen resultaat zal opleveren (omdat – zoals in de stukken [16] staat – eiseres niet weet waar haar kinderen, broer en zus zijn en zij van hen geen informatie heeft na 2001), niet redelijk is.
6.4.2.
Ten aanzien van de eventuele ondersteuning door de overheid weegt de rechtbank mee dat alhoewel uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat eiseres in haar individuele geval geen ondersteuning kan krijgen, deze stukken wel aanwijzingen bieden dat het niet aannemelijk is dat personen met psychische klachten in Nigeria door de overheid worden ondersteund. Zo staat in het ‘Medical Country of Origin Information Report’ van april 2022 dat slechts 3,3% van het federale budget voor gezondheidszorg naar de geestelijke gezondheidszorg gaat. Ook staat hierin dat er geen programma’s voor financiële ondersteuning bij geestelijke gezondheidsproblemen bestaan en dat betaling uit eigen zak de meest voorkomende manier is waarop gezondheidszorg wordt verkregen.
6.4.3.
Tot slot weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat eiseres blijkens de medische stukken een ernstige verstandelijke beperking en een zeer beperkt eigen doenvermogen heeft. Zo kan eiseres niet lezen of schrijven en heeft zij bij veel activiteiten hulp nodig. Daardoor is onzeker of eiseres, zelfs als ondersteuning door een sociaal netwerk of de overheid in Nigeria aanwezig is, in staat zou zijn van deze ondersteuning gebruik te maken.
6.5.
Dit alles tezamen maakt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikbare zorg in Nigeria in haar individuele situatie niet feitelijk toegankelijk is. Het bestreden besluit is op dit punt daarom niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. Omdat de rechtbank van oordeel is dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg voor haar feitelijk niet toegankelijk is, is het aan de minister om nader onderzoek te doen naar de voorzienbare gevolgen van uitzetting van eiseres naar Nigeria in het licht van de algemene situatie daar en de persoonlijke omstandigheden van eiseres.
9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal vast op € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1,5 punt voor het verschijnen ter (nadere) zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.21285:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 april 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/2964:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van 3.269,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Bureau Medische Advisering.
4.Posttraumatische stressstoornis.
5.“Midnight fire razes therapy building at [plaats] neuro-psychiatric hospital”.
7.Arrest van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD0041738.
8.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Arrest van 7 december 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1207JUD005746715.
11.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3134.
13.World Health Organization.
14.Paragrafen 187, 190 en 191 van het arrest Paposhvili.
15.Zie in dat verband de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 15 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6367, rechtsoverweging 5.2.
16.Zie het verslag van het psychologisch onderzoek van eiseres van [bedrijf 3] van 29 november 2021.