ECLI:NL:RBDHA:2026:21399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
NL26.6990
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15c KwalificatierichtlijnArtikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (artikel 8 EVRM)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens ongeloofwaardigheid en lage gradatie willekeurig geweld

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 4 oktober 2024 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 3 februari 2026 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 10 april 2026 en sloot het onderzoek op 30 april 2026. Eiser voerde onder meer levensbedreigende problemen met zijn vader en familieleden aan, vrees voor militaire dienstplicht en de onveilige situatie in Syrië.

De rechtbank oordeelt dat alleen het tweede asielmotief, de problemen met familie, in geschil is. De minister achtte dit motief ongeloofwaardig vanwege tegenstrijdigheden en gebrek aan bewijs. De rechtbank bevestigt dit oordeel, wijst de ingediende brief van een Syrische advocaat af als onvoldoende onderbouwing en stelt dat de bedreigingen niet concreet zijn aangetoond. Ook de wisselende verklaringen over de gezinssituatie ondermijnen de geloofwaardigheid.

Verder bevestigt de rechtbank dat de minister terecht uitgaat van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië, zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, en dat humanitaire omstandigheden niet leiden tot een ander oordeel. Eiser slaagt er niet in aan te tonen dat hij individueel een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank wijst ook het beroep af dat de minister ambtshalve artikel 8 EVRM Pro had moeten toetsen, omdat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiser geen verblijfsvergunning krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en toepassing van de laagste gradatie van willekeurig geweld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6990

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag heeft kunnen afwijzen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 4 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op de zitting geschorst.
2.3.
Eiser is in de gelegenheid gesteld om binnen een week nadere stukken aan te leveren die betrekking hebben op contact met zijn Syrische advocaat.
2.4.
Op 10 april 2026 heeft eiser een verklaring van zijn leerkracht aangeleverd, op
14 april 2026 een familieverklaring en op 24 april 2026 een brief van zijn Syrische advocaat met vertaling.
2.5.
De minister heeft op 21 april 2026 op de school- en familieverklaring gereageerd en op 24 april 2026 op de brief van de Syrische advocaat.
2.6.
Op 28 april 2026 is door eiser een laatste reactie ingediend. De rechtbank heeft daarna het onderzoek op 30 april 2026 gesloten.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Syrische nationaliteit, maar is als kind al, samen met zijn ouders, broers en zussen, vertrokken naar Turkije. In Turkije heeft hij gewerkt en is hij geïntegreerd. Eisers ouders zijn gescheiden, zijn moeder woont op dit moment nog in Turkije, zijn vader woont met een nieuw gezin in Syrië. De relatie met zijn vader is zijn hele leven al moeilijk. Dit is verergerd nadat eiser vanuit Nederland stukken uit Syrië probeerde te verkrijgen. Een neef en oom van eisers vader, hebben misbruik van eiser en zijn moeder gemaakt waardoor zij veel geld zijn verloren. Eisers vader heeft de kant van zijn oom en neef gekozen. Ook wordt eiser door zijn vader bedreigd. Eiser wil niet terug naar Syrië. Het land is instabiel en het is moeilijk om daar veilig te leven. Hij kent het land niet goed en heeft daar naast zijn vader niemand zodat het lastig zal zijn om werk te vinden of iets op te bouwen. Bij zijn vader kan eiser niet terecht omdat hij problemen heeft met zijn vader en enkele familieleden van hem. Ook wil hij niet in militaire dienst.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Levensbedreigende problemen met vader en diens oom en neef;
Vrees voor militaire dienstplicht; en
Vrees voor de algemene onveilige en slechte economische situatie.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. De problemen met vader en familieleden zijn niet met stukken onderbouwd en hier is geen goede verklaring voor gegeven. Ook heeft eiser vaag en tegenstrijdig verklaard over de problemen. Om die reden acht de minister het tweede asielmotief niet geloofwaardig. De overige motieven zijn niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Het eerste, derde en vierde asielmotief maken volgens de minister niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Ook maken deze motieven niet dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

Afbakening geschil
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser ziet op de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief en de gehanteerde gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Over de andere asielmotieven zijn geen gronden aangevoerd, die onderdelen zijn dan ook niet in geschil en worden niet besproken.
Heeft de minister de levensbedreigende problemen van eiser met zijn familie ongeloofwaardig kunnen vinden?
6. Eiser meent dat de levensbedreigende problemen met zijn vader en verwanten ten onrechte niet geloofwaardig zijn geacht. Dat er geen bedreigingen aan eiser zelf zijn geuit is een onjuiste interpretatie van hetgeen is verklaard. Dat eiser niet heeft verklaard dat zijn vader een dochter bij een andere vrouw had, mag ook niet worden tegengeworpen. Eiser was hier eerder niet van op de hoogte. Nadat de zaak op de zitting was geschorst heeft eiser nog een familieverklaring overgelegd die dit onderdeel van zijn relaas volgens eiser ondersteunt. Daarnaast heeft eiser een brief van zijn Syrische advocaat overgelegd. Uit de brief volgt duidelijk dat eiser problemen heeft met zijn vader.
Documenten
7. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep een brief van een Syrische advocaat heeft overgelegd. De minister stelt zich primair op het standpunt dat dit in strijd met de goede procesorde te laat is ingediend.
7.1.
Er is sprake van strijd met de goede procesorde als nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere manier wordt belemmerd. [1] In die gevallen wordt het te laat ingediende stuk niet meegenomen in de beoordeling. De door eiser ingediende brief betreft geen nieuw punt, maar ziet op een nadere onderbouwing van eisers relaas. Dit onderdeel van eisers relaas is ook op de zitting besproken. Daarbij heeft de minister deugdelijk op de brief kunnen reageren. De rechtbank oordeelt dan ook dat er in dit geval geen sprake is van strijd met de goede procesorde en betrekt de overgelegde brief bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
7.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de brief van de Syrische advocaat van eiser verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat er via een neef van zijn vader contact is opgenomen met een advocaat. Deze persoon, de neef van zijn vader, maakte misbruik van de situatie en bleef eiser en zijn moeder geld afhandig maken. [2] Eisers vader heeft de kant van zijn neef en oom gekozen. [3] De advocaat schrijft dat er contact met hem is opgenomen door familie van eisers moeder, niet eisers vader. Daarnaast staat in de brief dat de advocaat contact met eisers vader heeft opgenomen en dat eisers vader heeft bevestigd dat ze wel geld hebben gestuurd, dat dit is ontvangen, maar is opgemaakt en niet aan de advocaat is gegeven. Dit strookt niet met de verklaring van eiser dat het juist eisers vader is geweest die zijn oom en neef heeft opgehitst om eiser en zijn moeder geld afhandig te maken. [4]
7.3.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister mocht tegenwerpen dat eiser de door hem gestelde bedreigingen ook niet aannemelijk heeft gemaakt met de ingediende gesprekken/audioberichten. In beroep heeft eiser een vertaling van de berichten overgelegd. Eiser benoemt dat zijn vader hem heeft bedreigd door te zeggen ‘herinner jij je toen ik de föhn op je hoofd heb stukgemaakt’ en ‘jij en je moeder zullen nooit iets goeds meemaken’. De minister heeft deze uitingen, die door eiser als bedreigingen zijn bestempeld, niet als concrete bedreiging richting eiser hoeven opvatten. Op welke wijze dit een onjuiste interpretatie zou zijn heeft eiser niet nader toegelicht en ziet de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen
8. Ook heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn gezinssituatie. Eiser heeft in het aanmeldgehoor, in 2024, verklaard dat hij geen halfbroers en halfzussen heeft en dat hij gezinshereniging wenst met zowel zijn vader als zijn moeder. [5] In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat zijn vader al in 2019 is hertrouwd met een andere vrouw en dat hij met haar een dochter heeft van zes jaar oud. [6] Dat eiser niet wist van de nieuwe echtgenoot van zijn vader en de halfzus heeft de minister, gelet op het tijdsverloop niet geloofwaardig hoeven vinden. De ingediende familieverklaring maakt dit niet anders.
8.1.
De minister heeft eveneens mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over of zijn vader al dan niet ruzie heeft gemaakt met zijn neef en oom die geld wilden. Dat eiser dit gecorrigeerd heeft in de correcties en aanvullingen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Daar wordt namelijk geen verklaring gegeven voor de tegenstrijdigheid. Dat dit een vertaalfout van de tolk is, zoals op de zitting betoogt, volgt de rechtbank niet. De minister heeft er op de zitting terecht op gewezen dat tijdens het gehoor is gevraagd of de tolk goed te verstaan en te begrijpen was, dit was het geval. [7] De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de problemen met vader, zijn oom en neef niet geloofwaardig kunnen achten.
Heeft de minister uit mogen gaan van de laagste gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
10. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige, laagste, gradatie van willekeurig geweld wordt toegepast in Syrië. Hij verwijst daartoe naar verschillende uitspraken [8] waarin is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld geldt. Ook verwijst eiser naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 19 januari 2026 en het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026. Deze bronnen geven, volgens eiser, een ander beeld van de veiligheidssituatie. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er nader onderzoek nodig is om te kunnen vaststellen van welk niveau van willekeurige geweld uitgegaan moet worden. Primair is het standpunt dat met wat er nu ligt onvoldoende is gemotiveerd dat uitgegaan kan worden van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Daarbij heeft eiser voldoende individuele omstandigheden aangevoerd waarom hij niet terug kan. Door de problemen met zijn familie kan niet worden verlangd dat eiser terugkeert naar zijn familie. Subsidiair betoogt eiser dat de prejudiciële vragen van de rechtbank Roermond van 29 december 2025 [9] afgewacht moeten worden.
10.1.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld. [10] In die uitspraak heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Net als in die zaak volstaat eiser met een generieke verwijzing naar enkele uitspraken en de rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de meervoudige kamer te komen. Voor zover eiser stelt dat uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland blijkt dat niet uitgegaan kan worden van een relatief laag niveau van willekeurig geweld, heeft de minister op de zitting terecht toegelicht dat in genoemde brief en in het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2026 juist uitgegaan wordt van een verbetering in de veiligheidssituatie in Aleppo. In de brief wordt ook verwezen naar het EUAA-rapport van 1 december 2025. Daarin wordt geconcludeerd dat het aantal slachtoffers in de provincie Aleppo, waar eiser geboren is, sinds maart 2025 sterk is gedaald, dat er weliswaar sprake is van willekeurig geweld, maar niet op een hoog niveau. [11] Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
10.2.
Voor zover eiser stelt dat de humanitaire omstandigheden niet zijn meegewogen, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de hiervoor genoemde meervoudige kamer uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats. [12] Daarin is geoordeeld dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15c wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 en januari 2026 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om zijn beleid te wijzigen. De rechtbank ziet in dit geval ook geen aanleiding om af te wijken van de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats.
10.3.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de prejudiciële vragen van de rechtbank Roermond af te wachten.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees heeft gelet op de algehele veiligheidssituatie?
11. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiser er niet in is geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Niet is gebleken dat eiser zich niet staande kan houden in Syrië. Omdat de minister de problemen met de familie niet geloofwaardig heeft kunnen vinden is er geen reden om aan te nemen dat eiser niet bij zijn familie terecht kan. Verder zijn geen individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat eiser niet terug kan naar Syrië.
Heeft de minister ambtshalve artikel 8 van Pro het EVRM [13] moeten toetsen?
12. In de aanvullende reactie van eiser van 28 april 2026 stelt eiser dat de minister ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft namelijk privéleven opgebouwd. Ter onderbouwing van het privéleven heeft eiser een verklaring van school ingediend.
12.1.
De minister stelt dat, indien eiser meent dat hij op basis van artikel 8 van Pro het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, hij daartoe een (reguliere) aanvraag kan indienen. Ambtshalve is de minister niet gebleken dat eiser daarvoor in aanmerking komt.
12.2.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve beoordeelt of aan de vreemdeling, wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM, een verblijfsvergunning regulier moet worden verleend. [14] Dit heeft de minister in dit geval ook gedaan en hij heeft geconcludeerd dat eiser hiervoor niet in aanmerking komt. Eiser heeft namelijk geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd. De in beroep ingediende verklaring van een leerkracht van eiser, maakt dat niet anders. De enkele stelling van eiser dat hij privéleven heeft opgebouwd met verwijzing naar deze verklaring heeft de minister onvoldoende mogen vinden om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16, onder 4.1.
2.Pagina 4 nader gehoor.
3.Pagina 13 nader gehoor.
4.Pagina 13 nader gehoor.
5.Pagina 9 en 17 aanmeldgehoor.
6.Pagina 17 nader gehoor.
7.Pagina 2 en 18 nader gehoor.
8.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822 en 2 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1771.
9.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, 29 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25445.
10.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
11.EUAA, Country Guidance report Syria, 1 december 2025, pagina 73.
12.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
13.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.
14.Artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000.