ECLI:NL:RBDHA:2026:2150
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen ingangsdatum verlenging verblijfsvergunning wegens te late aanvraag
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn verblijfsvergunning op niet-tijdige humanitaire gronden. Verweerder ontving de aanvraag te laat, waardoor een verblijfsgat van circa een maand ontstond. Eiser betwist de ingangsdatum van de nieuwe vergunning en voert meerdere beroepsgronden aan.
De rechtbank beoordeelt dat de aanvraag niet tijdig is ingediend, omdat deze pas op 1 februari 2024 binnenkwam terwijl uiterlijk 31 januari 2024 vereist was. Eiser kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen, ondanks zijn stelling dat telefonisch contact en een briefdatum van 22 januari 2024 tijdige indiening aantonen. Ook medische problematiek werd niet voldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van verweerder niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beleid en vaste rechtspraak bieden ruimte voor een termijnoverschrijding alleen indien deze niet aan de vreemdeling kan worden toegerekend, wat hier niet het geval is. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van de wettelijke regeling rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen gelijk, geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter T.N. van Rijn en griffier A.V. Kostiouk op 27 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verlengde verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege te late indiening van de aanvraag.