ECLI:NL:RBDHA:2026:2152

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57744
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 1 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging in Zuid-Afrika

Eiser, een Zuid-Afrikaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na incidenten waarbij hij slachtoffer werd van pogingen tot ontvoering en geweld, die hij toeschrijft aan georganiseerde misdaad met racistische motieven.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet, met het oordeel dat de motieven van eiser niet leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.

De rechtbank acht het aannemelijker dat de criminele activiteiten gericht waren op financiële motieven dan op raciale discriminatie, en concludeert dat de criminele feiten als commune delicten moeten worden beschouwd. Ook is onvoldoende gebleken dat eiser onvoldoende bescherming kan verwachten van Zuid-Afrikaanse autoriteiten.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J.L. Roubos en griffier M.M. Poortier.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57744

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze
beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de
asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank volgt eiser allereerst niet in zijn stelling dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser bij terugkeer naar Zuid-Afrika geen gegronde vrees heeft voor vervolging. Hiertoe heeft verweerder mogen tegenwerpen dat niet gebleken is dat eiser te vrezen heeft vanwege zijn ras. De rechtbank is ook met verweerder van oordeel dat eiser bij terugkeer geen risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank volgt verweerder hierbij in zijn standpunt dat de criminele activiteiten waar eiser slachtoffer van is geworden commune delicten betreffen en niet vallen onder ‘ernstige schade’ zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 november 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, [naam 1] als tolk, [naam 2] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
3. Eiser heeft de Zuid-Afrikaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1966. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat er in de nacht van 15 op 16 augustus 2023 gewapende mannen naar zijn huis zijn gekomen om hem te ontvoeren om geld. Eiser heeft ze weten af te schrikken, waardoor de mannen zijn gevlucht. In de ochtend van 16 augustus 2023, voor de poort van zijn werk, is weer geprobeerd om eiser te ontvoeren. Eiser is gaan toeteren en heeft zijn arm uit zijn autoraam gehangen met zijn wapen in de hand. Door het getoeter kwam de beveiliging naar buiten waarop de mannen weer vertrokken. Eiser heeft verklaard dat dit georganiseerde misdaad is, die het voorzien heeft op Zuid-Afrikanen met een witte huidskleur, zoals eiser. Bij terugkeer vreest hij voor de georganiseerde misdaad. Nu eiser bij hen bekend is, laten ze hem niet meer los.
Bestreden besluit
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw. Verweerder heeft daarbij ook een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser. Verweerder stelt dat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven bestaat:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen in de nacht van 15 op 16 augustus 2023 en op de ochtend van 16 augustus 2023.
4.1.
Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. De asielmotieven leiden volgens verweerder echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit landeninformatie niet blijkt dat personen met een witte huidskleur in Zuid-Afrika per definitie te vrezen hebben voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [1] , enkel vanwege het behoren tot deze groep. Ook heeft eiser geen persoonlijke problemen of individuele kenmerken naar voren gebracht waaruit een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM valt af te leiden. Verweerder betrekt hierbij dat het racisme waarover eiser heeft verklaard, geen dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Ook heeft het racisme dat hij heeft ervaren niet geleid tot discriminatie. Verweerder wijst erop dat eiser bescherming kan inroepen van de autoriteiten in zijn land. Eiser heeft verklaard dat hij aangifte heeft kunnen doen bij de politie. Uit eisers verklaringen is niet gebleken dat de politie helemaal niets met eisers aangifte heeft gedaan. Verder werpt verweerder tegen dat eiser, na zijn vertrek uit zijn huis, geen navraag heeft gedaan naar de stand van zaken in zijn zaak en dat hij, na zijn slechte ervaring met de politie, ook geen contact heeft gezocht met andere (hogere) autoriteiten.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De vorige gemachtigde van eiser heeft een klacht ingediend tegen de behandelend ambtenaar. De behandelend ambtenaar had haar gebeld over het feit dat eiser het steekwapen (waarmee de gewapende mannen hem hadden aangevallen) had meegenomen naar het gehoor en daar heeft laten zien. De vorige gemachtigde heeft tijdens dit telefoongesprek ervaren dat de behandelend ambtenaar zich onnodig grievend tegen haar heeft uitgelaten. Dit roept gerede twijfel op over de objectiviteit en onpartijdigheid van deze ambtenaar bij de behandeling van eisers zaak. Deze ambtenaar heeft namelijk ook het voornemen opgesteld. Verweerder had in dit geval maatregelen moeten treffen om de schijn van partijdigheid te voorkomen. Nu hij het verzoek om een ander behandelend ambtenaar heeft afgewezen, met de motivering dat de klacht geen betrekking zou hebben op eisers eigen asielaanvraag, heeft verweerder miskend dat de objectiviteit van de behandelend ambtenaar wel degelijk van invloed kan zijn op de beoordeling van eisers asielaanvraag.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Het is de rechtbank niet gebleken dat de situatie waar de klacht betrekking op heeft, heeft doorgewerkt in de manier waarop het gehoor met eiser heeft plaatsgevonden of waarop de beslissing tot stand is gekomen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat de sfeer in het gehoor veranderde nadat hij het steekwapen had laten zien en dat hem daarna bijna geen vragen meer zijn gesteld. Dit blijkt volgens de rechtbank niet uit het verslag van het nader gehoor. Ook heeft eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor geen melding gemaakt van deze ervaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Zuid-Afrika?
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat uit eisers verklaringen niet eenduidig kan worden afgeleid dat hij enkel vanwege zijn etniciteit een doelwit van criminele activiteiten werd. Het standpunt van verweerder dat eiser eerder vanwege betalingen aan [naam 3] in het verleden een slachtoffer is geworden van deze personen dan enkel vanwege zijn etniciteit, gaat voorbij aan de kern van eisers asielmotieven. Het feit dat de mannen die hem hebben overvallen in de nacht van 15 op 16 augustus 2023 eiser hebben uitgescholden voor ‘
blanke motherfucker’, is een duidelijke aanwijzing dat het geweld mede racistisch gemotiveerd was. De mannen hebben eiser niet alleen bedreigd vanwege de betalingen aan [naam 3] , maar hebben hem ook racistisch bejegend. Dit is een aanwijzing dat eisers etniciteit een rol heeft gespeeld bij het geweld dat hij heeft ondervonden. Verweerder heeft deze racistische bejegening onvoldoende betrokken in zijn beoordeling. Eiser doet ook een beroep op de parlementaire vragen van het Europees Parlement van 19 januari 2018 over de situatie van boeren met een witte huidskleur in Zuid-Afrika. Eiser heeft deze parlementaire vragen aangehaald om aan te tonen dat de situatie van personen met een witte huidskleur in Zuid-Afrika, in het bijzonder ondernemers en boeren, op Europees niveau aandacht heeft gekregen en als zorgwekkend wordt beschouwd. Eiser doet ook een beroep op een rapport van Human Rights Watch uit 2001. Eiser heeft dit rapport aangehaald om aan te tonen dat er in Zuid-Afrika sprake is van een patroon van geweld tegen personen met een witte huidskleur, in het bijzonder ondernemers en boeren.
6.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Zuid-Afrika. Hiertoe heeft verweerder mogen tegenwerpen dat niet gebleken is dat eiser te vrezen heeft vanwege zijn ras. De rechtbank volgt daarbij het standpunt van verweerder dat uit eisers verklaringen niet eenduidig kan worden afgeleid dat eiser enkel vanwege zijn etniciteit een doelwit van criminele activiteiten werd. De rechtbank acht het net als verweerder aannemelijker dat hij vanwege zijn betalingen aan [naam 3] slachtoffer is geworden van criminele activiteiten dan vanwege zijn etniciteit. Dat de gewapende mannen eiser hebben uitgescholden voor ‘
blanke motherfucker’acht de rechtbank op zichzelf niet genoeg om aan te nemen dat er sprake is van een aanwijzing dat eisers etniciteit een rol heeft gespeeld bij het geweld. Verder acht de rechtbank bij dit oordeel ook van belang dat eiser heeft verklaard dat hij verder nooit persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit [2] . De door eiser overgelegde landeninformatie brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft hiervoor namelijk al overwogen dat zij kan volgen dat verweerder het aannemelijk acht dat eiser slachtoffer is geworden van de criminele activiteiten vanwege zijn betalingen aan de schoonmaakster van zijn werk, [naam 3] . Daarom is de door eiser overgelegde landeninformatie niet van toepassing. Die ziet namelijk op Zuid-Afrikanen met een witte huidskleur die te maken krijgen met geweld specifiek vanwege de aard van hun beroep of bedrijf.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer naar Zuid-Afrika risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM?
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Zuid-Afrika en hij bij voorkomende problemen op effectieve wijze de bescherming van de Zuid-Afrikaanse autoriteiten kan inroepen. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 20 oktober 2023 [3] . Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat de politie niets heeft willen doen met zijn zaak, dat de vingerafdrukken van de daders niet eens zijn opgenomen en dat hij zelf bewijsmateriaal heeft verzameld en een dossier is gaan vormen. Deze verklaringen geven aanleiding om te twijfelen aan de effectiviteit van de bescherming die de Zuid-Afrikaanse politie biedt. Verweerder had deze verklaringen moeten betrekken in zijn beoordeling en had moeten onderzoeken of eiser, gelet op deze omstandigheden, daadwerkelijk bescherming kan krijgen van de autoriteiten. Verweerder had bij deze beoordeling ook het rapport van Human Rights Watch moeten betrekken. Eiser doet ook nog een beroep op de Afdelingsuitspraak van 2 december 2016 [4] . De redenering van verweerder, dat eiser een begin heeft gemaakt met bescherming vragen door aangifte te doen bij de politie, maar dat hij niet heeft afgewacht of en op welke manier de politie zijn aangifte zou behandelen, is onzorgvuldig en ontoereikend gemotiveerd. Deze redenering gaat voorbij aan het feit dat eiser al heeft ervaren dat de politie zijn zaak niet serieus heeft genomen. Het is niet redelijk om van eiser te verwachten dat hij in Zuid-Afrika blijft wachten op een reactie van de politie, terwijl hij al heeft ervaren dat de politie niets doet met zijn zaak en hij in de tussentijd het risico loopt opnieuw slachtoffer te worden van geweld. Hij wijst ook nog op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 23 september 2025 [5] .
7.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser bij terugkeer geen risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de criminele activiteiten waar eiser slachtoffer van is geworden commune delicten betreffen en niet vallen onder ‘ernstige schade’ zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank volgt ook het standpunt van verweerder dat hij, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer risico loopt op ernstige schade, niet meer hoeft te toetsen of de Zuid-Afrikaanse autoriteiten voldoende bescherming kunnen bieden. Verweerder heeft er alsnog op mogen wijzen dat uit eisers verklaringen ook nog blijkt dat hij aangifte heeft kunnen doen, dat de politie deze aangifte heeft opgenomen en dat eiser een zaaknummer heeft gekregen [6] .
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat eisers beroep op de door hem aangehaalde uitspraken niet slaagt. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg ging het allereerst om xenofoob geweld tegen een Somalische vluchteling in Zuid-Afrika. Daar werd tegengeworpen dat Zuid-Afrika voor betrokkene als veilig land kon gelden. Niet alleen maakt dat dat er een ander toetsingskader van toepassing is, ook bleek daar – anders dan in onderhavige zaak – uit landeninformatie dat daders niet zelden tot de overheid behoorden en niet of nauwelijks werden vervolgd of bestraft. Dat maakt dat er sprake is van een heel andere situatie dan in de zaak van eiser. Verder leest de rechtbank in de door eiser genoemde Afdelingsuitspraak juist dat de Afdeling overweegt dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen uitzonderlijke situatie aan de orde is, waarin de vreemdelingen als Zuid-Afrikanen met een witte huidskleur louter door hun aanwezigheid in dat land, of in een bepaald gebied daarvan, een reëel risico lopen op ernstige schade [7] . Ook leest de rechtbank dat de Afdeling overweegt dat verweerder aan de hand van informatie over de algemene situatie in Zuid-Afrika deugdelijk heeft gemotiveerd dat door de autoriteiten aldaar in het algemeen bescherming wordt geboden [8] . Daarmee ziet de rechtbank niet in hoe deze uitspraak de standpunten van eiser kan onderbouwen. Tot slot is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht overwogen dat verweerder niet deugdelijk had gemotiveerd dat de door eiser ondervonden discriminatie niet als een daad van vervolging kan worden aangemerkt. Nu de rechtbank in overweging 6.1. al heeft geoordeeld dat verweerder hier heeft kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging, zijn de overige overwegingen uit de genoemde uitspraak niet meer relevant.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser kunnen
afwijzen.
8.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.Verslag nader gehoor, p. 7.
6.Verslag nader gehoor, p. 6.