ECLI:NL:RBDHA:2026:2154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.51031
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 VwArt. 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing geloofwaardigheid asielaanvraag lid National Grand Coalition

Eiser, lid van de National Grand Coalition (NGC), diende een opvolgende asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling onzorgvuldig heeft uitgevoerd door toepassing van de werkinstructie WI 2024/6, die in strijd is met het Unierecht. Desondanks concludeert de rechtbank dat de minister de politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen van eiser terecht ongeloofwaardig heeft bevonden.

De rechtbank beoordeelt de bewijsvoering omtrent eisers deelname aan online debatten, demonstraties en vergaderingen kritisch. De minister mocht concluderen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk actief was in politieke activiteiten, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en gebrek aan concrete bewijsstukken. Ook de gestelde bedreigingen door een politieke tegenstander zijn onvoldoende onderbouwd.

Hoewel het beroep gegrond is verklaard vanwege de onzorgvuldige procedure, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de minister de afwijzing voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat eiser bij terugkeer in Sierra Leone geen gegronde vrees voor vervolging heeft, mede omdat zijn politieke activiteiten in Nederland summier zijn en hij geen concrete aanwijzingen heeft geleverd dat hij in negatieve belangstelling staat. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51031

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , V-nummer: [v-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is maar dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 februari 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 23 januari 2025 is de aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van 13 maart 2025 gegrond verklaard. [2]
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 opnieuw op de aanvraag beslist en deze afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij ook verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder NL25.51032 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag (opnieuw) ten grondslag dat hij lid is van de NGC [3] en in Nederland politieke activiteiten verricht voor deze partij. Eiser heeft verklaard dat hij in Nederland is bedreigd en aangevallen wegens zijn politieke activiteiten. Tevens heeft eiser verklaard dat zijn echtgenote in Sierra Leone is aangevallen wegens zijn politieke activiteiten in Sierra Leone in het verleden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke overtuiging, politieke activiteiten en de daaruit voorvloeiende problemen.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De politieke overtuiging, politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen zijn deels geloofwaardig. De politieke overtuiging van eiser wordt gevolgd, echter zijn de politieke activiteiten en de daaruit volgende problemen volgens de minister niet geloofwaardig. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser voldoet hiermee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Werkinstructie (WI) 2024/6
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het recht. De minister stelt in de beschikking, kort gezegd, dat hij in stap 2b wel degelijk een integrale geloofwaardigheidstoets heeft verricht, maar hanteert een andere interpretatie/definitie dan eiser voor het begrip integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser kan zich hierin niet vinden. Het niet voldoen aan één van de vijf voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw betekent niet automatisch dat het asielmotief ongeloofwaardig bevonden mag worden. Voorts blijkt te onduidelijk hoe bewijsmateriaal dat niet voldoet aan de eisen van stap 2a beoordeeld wordt in stap 2b.
5.1.
De minister stelt in het besluit dat WI 2024/6 inhoudt dat alle feiten en omstandigheden worden verzameld en bij de beoordeling worden betrokken. Daarbij wordt steeds uitdrukkelijk aan alle vijf voorwaarden getoetst, ook al zou dat, gelet op het cumulatieve karakter ervan, niet strikt noodzakelijk zijn. Daarbij wordt per tegen te werpen voorwaarde beoordeeld of tegenwerping van die voorwaarde gegeven alle omstandigheden van het geval redelijk is. Daarmee wordt, binnen de grenzen van (de tekst van) artikel 4,
vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, het meest recht gedaan aan de positie van de vreemdeling. Indien eiser met zijn verwijzing naar een integrale beoordeling erop doelt dat alle voorwaarden in onderling verband tegen elkaar moeten (kunnen) worden afgewogen en beoordeeld, wordt hij daarin niet gevolgd. Het hierboven beschreven cumulatieve karakter van de voorwaarden staat daaraan in de weg. Geconcludeerd wordt dan ook dat in het voornemen terecht en op juiste wijze een geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden conform WI 2024/6.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 8 augustus 2025 twee uitspraken [4] heeft gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiser aan de hand van WI 2024/6 heeft uitgevoerd is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en het beroep gegrond. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. Daarbij is ook van belang hoe WI 2024/6 in individuele asielbesluiten haar weerslag vindt. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder.
Heeft de minister kunnen concluderen dat de politieke activiteiten van eiser ongeloofwaardig zijn?
Deelname online debatten
6. Eiser meent dat hij middels bewijsstukken, al dan niet in combinatie met zijn verklaringen, aannemelijk heeft gemaakt dat hij deelneemt aan online debatten. De minister stelt dat het ongerijmd is dat eiser na een afweging van de risico’s er wel voor heeft gekozen om met zijn naam en eigen foto te reageren tijdens de livestreamdebatten, maar niet met camera heeft deelgenomen nu dit allebei risicovol is. Zoals eiser heeft uitgelegd, is het deelnemen met camera nog risicovoller nu bij enkel een naam en/of foto nog twijfel kan bestaan over de exacte identiteit en er meer mensen zijn met dezelfde naam. Hij heeft daarom deze afweging gemaakt en hierover ook verklaard tijdens het gehoor. Dit maakt niet dat daardoor zijn deelname aan de livestreamdebatten ongeloofwaardig zijn. De minister stelt dat eiser onder de naam Abdul Sesay zou deelnemen, terwijl eiser dit nimmer heeft verklaard.
6.1.
De minister stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft deelgenomen aan online debatten. Aan de hand van de screenshots kan niet worden vastgesteld dat sprake is van deelname aan een debat. Enkel is vast te stellen dat eiser tweemaal met een korte opmerking heeft gereageerd onder een livestream. Ook overweegt de minister dat eiser verklaart dat hij niet met zijn camera heeft deelgenomen aan de livestream debatten van het NGC, omdat de SLPP [5] hem iets aan zou kunnen doen. [6] Ondanks dit gestelde risico, heeft eiser wel onder zijn eigen naam en met zijn eigen foto gereageerd tijdens de livestream debatten. Overwogen wordt dat de verklaringen over eisers deelname aan deze debatten niet met elkaar rijmen, nu het gestelde risico van de SLPP ook aanwezig is als eiser onder zijn eigen naam en met zijn eigen foto reageert. Eiser verklaarde tevens in debatten te reageren met de naam ‘Abdul Sesay’, zodat men niet zou weten wie er aan het reageren is. [7] Echter, dit komt niet overeen met de door eiser overgelegde screenshots, waaruit blijkt dat er berichten zijn geplaatst onder de video onder de naam ‘ [naam 1] .’ Nadat eiser hiermee is geconfronteerd, heeft hij verklaard dat hij met zijn eigen naam heeft gereageerd, omdat ze dan niet weten wat eisers locatie is. Dit zou echter ook gelden indien eiser met een camera – en dus zichtbaar in beeld – had deelgenomen aan de debatten en is bovendien geen verklaring voor het gestelde dat eiser ook onder de naam ‘Abdul Sesay’ heeft gereageerd.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat minister niet ten onrechte concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft deelgenomen aan online debatten. Het tweemaal reageren onder een livestream is wezenlijk anders dan het deelnemen aan online debatten en de minister heeft dan ook kunnen stellen dat aan de hand van de overgelegde screenshots, niet kan worden vastgesteld dat sprake is van deelname aan een debat. Ook overweegt de minister niet ten onrechte dat eisers verklaringen ten aanzien van de online debatten, niet samenhangend zijn. De rechtbank is met de minister van oordeel dat niet valt in te zien waarom eiser wel met naam en foto zou reageren maar niet wil deelnemen met camera omdat dat risico te groot is. Dat het deelnemen met camera nog risicovoller is, is relatief en daarom geen bevredigende verklaring. Reeds hierom heeft de minister - daargelaten eisers verklaringen over het reageren onder een andere naam - eiser kunnen tegenwerpen ongerijmd te verklaren. De minister heeft eiser daarom niet hoeven volgen in zijn stelling dat hij deelneemt aan online politieke debatten.
Deelname aan demonstraties
7. Wat betreft de deelname aan de demonstraties overweegt de minister dat van eiser verwacht mag worden dat hij kan aangeven waar en wanneer deze demonstraties precies plaatsgevonden hebben. Eiser heeft nimmer gesteld dat hij intensief deelneemt aan demonstraties en er vinden ook niet veel demonstraties plaats in Nederland met betrekking tot Sierra Leone. Eiser heeft bij benadering aangegeven waar en wanneer de demonstraties hebben plaatsgevonden, terwijl dit al enige tijd geleden is en eiser problemen ervaart met zijn geheugen. Eiser geeft aan dat hij door de stressklachten ook een alcoholprobleem heeft ontwikkeld, hetgeen eveneens van negatieve invloed is op zijn geheugen. Eiser is betrokken geweest bij de organisatie van twee demonstraties, waaraan hij bij een daarvan zelf daadwerkelijk heeft deelgenomen. De andere demonstratie heeft hij door omstandigheden gemist.
7.1.
De minister overweegt dat het niet aannemelijk is dat eiser als (gesteld) organisator niet weet te benoemen wanneer en waar deze demonstraties hebben plaatsgevonden, zeker nu eiser heeft verklaard dat hij zelf naar verschillende mensen heeft gebeld om te zeggen dat er een demonstratie plaatsvindt en op welke tijd. [8] De enkele verklaring dat eiser het zich niet kan herinneren, omdat hij te veel stress heeft sinds zijn komst naar Nederland, maakt dit niet anders. Immers, ondanks de stress mag van eiser in alle redelijkheid worden verwacht dat hij over voornoemde basale punten ten aanzien van de demonstraties meer kan vertellen, zeker gelet op de door hem gestelde betrokkenheid bij de organisatie hiervan.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte tegenwerpt dat het niet aannemelijk is dat eiser als (gesteld) organisator niet weet te benoemen wanneer en waar deze demonstraties hebben plaatsgevonden. Daargelaten of aangenomen moet worden dat eiser moeite heeft met het benoemen van exacte data, heeft hij zelf aangegeven wel een jaar, maand of seizoen te kunnen noemen waarin iets is gebeurd. [9] In dat licht bezien heeft de minister kunnen overwegen dat verwacht mag worden dat eiser specifieker kan noemen wanneer de demonstraties plaatsvonden, zeker nu eiser heeft verklaard dat hij zelf naar verschillende mensen heeft gebeld om te zeggen dat er een demonstratie plaatsvindt en op welke tijd. [10] Het moeite hebben met exacte data is bovendien geen verklaring voor het feit dat eiser, ook niet bij benadering, niet kan noemen waar in Den Haag de demonstratie plaatsvond. De minister overweegt terecht dat ondanks eventuele stress in alle redelijkheid mag worden verwacht dat eiser over deze basale punten ten aanzien van de demonstraties, meer kan vertellen.
Aanwezigheid en betrokkenheid vergadering/bijeenkomsten
8. Eiser stelt dat de minister ten aanzien van de aanwezigheid bij de bijeenkomsten en de rol van eiser als organisator, overweegt dat de handtekening van eiser op de presentielijst niet overeenkomt met zijn handtekening gebruikt in procedures in Nederland. Eiser geeft aan dat dit wel degelijk zijn handtekening is. Hij heeft een onvaste hand waardoor een vaste en duidelijke handtekening lastig voor hem is. Hij vermoedt dat dit te maken heeft met zijn alcoholgebruik waarvoor hij sinds kort behandeling heeft gezocht/krijgt. Ook heeft eiser middels zijn verklaringen zijn deelname aan de bijeenkomsten aannemelijk gemaakt.
8.1.
Met betrekking tot de brief afkomstig van de partij waarbij de betrokkenheid van eiser wordt onderstreept, overweegt de minister ten onrechte dat in de brief geen voorbeelden worden genoemd waaruit eisers betrokkenheid blijkt, in de brief wordt immers gesproken over leiderschapskwaliteiten en moed om andere leden te mobiliseren en organiseren. Nu de brief afkomstig is van de partij, is er geen reden om te twijfelen aan de inhoud noch aan de genoemde kwaliteiten van eiser. Concrete voorbeelden zijn hiertoe niet relevant. De minister stelt dat de inhoud van de brief niet overeenkomt met de verklaringen van eiser nu er wordt gesproken over scherpzinnig leiderschap terwijl eiser zou hebben aangegeven dat hij luistert naar de bazen. Dat hij luistert naar de bazen doet echter niet af aan zijn vermogen tot leiderschap en zijn rol als organisator.
8.2.
Voorts volgt de minister dat eiser aanhanger is van de NGC en actief is in één of meer appgroeps die hiermee verband houden. Daarnaast blijkt uit de foto’s met de baas van NGC in Nederland dat eiser in Nederland op zijn minst contact onderhoudt met de NGC, hetgeen zijn activiteiten eveneens onderbouwt. Al met al heeft eiser zijn activiteiten middels bewijsstukken alsmede middels zijn verklaringen aannemelijk gemaakt.
8.3.
De minister overweegt dat eiser handgeschreven overzichten op een notitieblok van het NGC heeft overgelegd, waarbij door eiser is aangegeven dat het hier om een presentatielijst gaat van een vergadering van de NGC. Hierop staan namen vermeld met de daarbij behorende functies, aangevuld met een handtekening van de desbetreffende persoon. De handtekening die achter de naam ‘ [naam 1] ’ is geplaatst toont geen gelijkenis met de handtekeningen die eiser in het kader van zijn asielprocedures heeft gebruikt en hiermee is daarom niet onderbouwd dat eiser daadwerkelijk aanwezig is geweest bij de vergadering(en) van het NGC.
8.4.
Ook met de door eiser overgelegde brieven van het NGC heeft hij niet zijn deelname aan de vergadering(en) en de organisatie van en deelname aan de demonstraties onderbouwd. Uit de brief blijkt niet waar de genoemde conclusies over de kwaliteiten van eiser op zijn gebaseerd nu er geen enkel concreet voorbeeld wordt genoemd. Tevens bevestigt de inhoud van de brief de verklaringen, zoals eiser deze heeft afgelegd tijdens het nader gehoor, niet. In de brief wordt geschreven over het scherpzinnige leiderschap, terwijl eiser zelf heeft verklaard dat hij naar de bazen moet luisteren en moet opvolgen wat zij zeggen. Van enig leiderschap blijkt dan ook niet.
8.5.
Tot slot stelt de minister dat wordt gevolgd dat eiser aanhanger is van de NGC, maar dat het delen van politiek gerelateerde berichten in een groep er niet op duidt dat eiser daadwerkelijk actief is voor de NGC. De overgelegde foto’s waarop eiser te zien zou zijn met [naam 3] , de baas van de NGC in Nederland, maakt vorenstaande conclusie niet anders. Hieruit valt eveneens niet op te maken dat eiser heeft geholpen met het organiseren van de demonstraties dan wel dat eiser daaraan heeft deelgenomen.
8.6.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte concludeert dat het notitieblok en de brieven eisers deelname aan de vergadering(en) en de organisatie van de demonstraties niet onderbouwd. De notitie met handtekeningen kan deze deelname niet onderbouwen aangezien de handtekening achter de naam van eiser geen gelijkenis heeft met de handtekeningen die hij in het kader van zijn asielprocedures heeft gebruikt. Ten aanzien van de brief van 28 januari 2023 overweegt de rechtbank dat Bureau Documenten betreffende de echtheid, opmaak en afgifte van het document geen uitspraak kan doen. In dat licht bezien en omdat de verklaringen van eiser niet overeenkomen met de inhoud van deze brief of de brief van 14 april 2025, heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser met deze brief zijn betrokkenheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat het luisteren naar bazen niet afdoet aan eisers vermogen tot leiderschap en zijn rol als organisator moge zo zijn, maar is onvoldoende voor de conclusie dat de brief daarom doorslaggevende waarde moet toekomen. Tot slot oordeelt de rechtbank dat zij met de minister van mening is dat het gegeven dat het delen van politiek gerelateerde berichten in een groep er niet op duidt dat eiser daadwerkelijk actief is voor de NGC. Ook uit de foto’s met [naam 3] valt niet af te leiden dat eiser heeft geholpen met het organiseren van de demonstraties.
Conclusie geloofwaardigheid politieke activiteiten
9. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte aan eiser tegenwerpt dat zijn politieke activiteiten niet geloofwaardig zijn. Eiser verklaart onsamenhangend over zowel zijn deelname aan online debatten als het organiseren van en deelnemen aan demonstraties. Omdat eiser zijn activiteiten ook niet met stukken heeft onderbouwd, heeft de minister kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw.
Heeft de minister de problemen vanwege eisers politieke overtuiging niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
Aanval in Groningen door [naam 2] in 2021/2022
10. Eiser stelt dat de minister overweegt dat niet is gebleken dat de persoon die eiser heeft aangevallen in Groningen zich bekend heeft gemaakt of uitingen heeft gedaan waaruit blijkt wie hij is en waarom hij eiser heeft aangevallen. Echter, dat heeft hij wel en eiser is bekend met wie [naam 2] is. Het is onduidelijk waarop deze aanname van de minister is gebaseerd. Ook wordt niet onderbouwd waarom het niet geloofwaardig is dat [naam 2] niet onder stoelen of banken schoof waarom hij eiser heeft aangevallen.
10.1.
De minister stelt dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat de aanvaller zich bekend heeft gemaakt of uitingen heeft gedaan waaruit blijkt wie hij is en waarom hij eiser heeft aangevallen. Dat aan de aanval is gedaan door [naam 2] en hieraan een politiek motief ten grondslag lag, is slechts gebaseerd op een vermoeden en heeft eiser dan ook niet onderbouwd.
10.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het gehoor van 11 oktober 2024, desgevraagd, niet toelicht waaruit blijkt dat de aanval plaatsvond vanwege de politieke overtuiging van eiser. Eiser stelt enkel ‘voor 100%’ te weten dat dit de reden was. Dit is een niet onderbouwd vermoeden en de minister heeft dit als zodanig aan eiser kunnen tegenwerpen. Dat eiser bekend is met wie [naam 2] is en daar een en ander uit heeft kunnen afleiden, is onvoldoende. Ook de stelling in de zienswijze dat [naam 2] niet onder stoelen of banken schoof waarom hij eiser aanviel is ontoereikend, nu niet is toegelicht hoe [naam 2] deze uitingen heeft gedaan. De minister heeft eiser niet hoeven volgen in zijn stelling dat hij door de broer van de leider van de SLPP is aangevallen vanwege zijn politieke overtuiging.
Telefonische bedreiging in Nederland door [naam 2]
11. Eiser stelt dat de minister onzorgvuldig handelt door enerzijds te weigeren het voicebericht te betrekken en anderzijds te stellen dat hij de bedreiging niet heeft kunnen aantonen middels bewijzen. Eiser heeft dit meermaals aangeboden, maar de minister heeft geen kennis willen nemen van de inhoud ervan en concludeert reeds op voorhand dat de inhoud van het bericht niet relevant kan zijn voor de besluitvorming, nu niet zou zijn te achterhalen wie het voicebericht heeft ingesproken. Echter, zichtbaar en controleerbaar is waar vandaan het voicebericht is verzonden en bij twijfel kan de minister dit nagaan. Voorts is de stem herleidbaar en de inhoud van het bericht relevant.
11.1.
De minister is van mening dat ook indien het gesprek op het voicebericht afgeluisterd zou worden, daarmee niet kan worden vastgesteld dat eiser wordt bedreigd door de broer van de leider van de SLPP, [naam 2] . Niet is immers te achterhalen door wie het voicebericht is ingesproken.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser één screenshot – omvattende één tekstbericht en één spraakbericht - van één bedreiging in 2024 heeft overgelegd en dat de gestelde bedreigingen in 2022 op geen enkele wijze zijn onderbouwd. De minister stelt niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij de andere bedreigingen, die telefonisch zijn gedaan, onderbouwt met bijvoorbeeld screenshots van berichten dan wel inkomende telefoonberichten. Omdat het voicebericht ziet op de bedreiging van 2024, kan dit niet af doen aan het gegeven dat eiser van de overige bedreigingen geen enkel bewijs heeft overgelegd. De minister heeft dan ook kunnen concluderen dat eiser onvoldoende documenten heeft, daarvoor geen goede verklaring heeft en daarom niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
11.3.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat de inhoud van het voicebericht niet relevant kan zijn voor de besluitvorming. De rechtbank is met de minister van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat eiser wordt bedreigd door de broer van de leider van de SLPP omdat niet is te achterhalen door wie de het tekst- of voicebericht is verstuurd. Hoewel uit de tekst blijkt dat ‘ [naam 2] ’ een dreiging uit, kan hieruit niet worden opgemaakt dat eiser meerdere malen door de broer van de leider van de SLPP is bedreigd, noch dat dit is vanwege eisers politieke overtuiging. Omdat ook het afspraakbriefje van de politie de bedreigingen niet onderbouwt en omdat uit landeninformatie [11] een beeld volgt dat afdoet aan de aannemelijkheid van de bedreigingen, heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat eisers verklaringen op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser niet hoeven volgen in zijn stelling dat hij door de broer van de leider van de SLPP telefonisch is bedreigd vanwege zijn politieke overtuiging.
Conclusie geloofwaardigheid problemen vanwege politieke overtuiging
12. Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte aan eiser tegenwerpt dat hij voor wat betreft zijn gestelde problemen niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, en c, van de Vw. De minister heef ook dit deel van het relaas niet geloofwaardig kunnen achten.
Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling asielmotief
13. De rechtbank overweegt tot slot dat zij hierboven heeft geoordeeld dat de minister niet ten onrechte stelt dat de politieke activiteiten en de uit de politieke overtuiging voortvloeiende problemen, niet geloofwaardig zijn. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de minister alle feiten en omstandigheden integraal heeft betrokken, ondanks dat dit niet met zoveel woorden blijkt uit het bestreden besluit. Hoewel gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2 betekent dat het beroep gegrond is, heeft de minister ter zitting de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief toegelicht en heeft eiser niet concreet kunnen maken hoe een integrale beoordeling tot een andere uitkomst zou moeten leiden. Gelet hierop heeft de minister de afwijzing van de asielaanvraag voldoende deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgronden slagen op deze punten niet en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen in stand worden gelaten.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft?
14. Eiser stelt dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het uiten van de geloofwaardig bevonden politieke overtuiging bij terugkeer naar Sierra Leone niet tot problemen zal leiden. De minister heeft ten onrechte eiser niet bevraagd hoe eiser uiting wil geven aan zijn politieke overtuiging bij terugkeer. In Nederland kan hij slechts beperkt demonstreren, daar hier vrijwel geen demonstraties plaatsvinden. In Sierra Leone ligt dit anders. Zeker nu de NGC de samenwerking met de SLPP heeft beëindigd, vreest eiser bij terugkeer. Ook nu nog lopen demonstranten of oppositieleden of supporters een ernstig risico op politiegeweld en/of wordt het recht op demonstreren ernstig ingeperkt, zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek van Freedom House (2025).
14.1.
De minister overweegt dat het enkele feit dat eiser lid is van de NCG niet leidt tot de conclusie dat hij reeds hierdoor in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten van Sierra Leone. Conform IB 2024/10 is beoordeeld of eiser vanwege zijn politieke profiel in de negatieve aandacht staat of zal komen te staan van de autoriteiten van Sierra Leone. Omdat de politieke activiteiten niet geloofwaardig zijn, is het uitgangspunt dat eiser bij zijn vertrek uit Sierra Leone niet in de negatieve belangstelling stond van de autoriteiten. Voorts is niet gebleken dat eiser door zijn gestelde politieke activiteiten in Nederland thans in de negatieve belangstelling is komen te staan. Geconcludeerd is dat het niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser heeft geholpen bij het organiseren van demonstraties en daaraan heeft deelgenomen. De twee opmerkingen die eiser onder een video heeft geplaatst betreffen dusdanig algemene opmerkingen dat niet valt in te zien dat eiser zichzelf hierdoor in beeld heeft gebracht bij de autoriteiten van Sierra Leone.
14.2.
Ten slotte wordt nog overwogen dat het niet aannemelijk wordt geacht dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan van de autoriteiten van Sierra Leone als hij zijn politieke overtuiging wil blijven uiten. Als het gaat om eisers politieke opvattingen heeft hij enkel in algemeenheden verklaard, zoals dat hij graag wil dat politiek op de juiste manier wordt bedreven en dat de juiste dingen worden gedaan. Ook heeft eiser verklaard dat hij gerechtigheid wil in zijn land. Dit samen met de geloofwaardig geachte activiteiten in Nederland die zeer summier van aard zijn, maakt dat eisers politieke overtuiging niet sterk wordt geacht. Er wordt gelet hierop vanuit gegaan dat eiser bij terugkeer op eenzelfde wijze als in Nederland uiting kan geven aan zijn overtuiging zonder dat hij hierdoor problemen zal ondervinden. Er wordt van eiser dan ook geen terughoudendheid verwacht.
14.3.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte concludeert dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Het enkele feit dat eiser lid is van de NCG leidt niet tot de conclusie dat eiser reeds hierdoor in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten van Sierra Leone. De minister heeft als uitgangspunt kunnen nemen dat eiser bij zijn vertrek uit Sierra Leone niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond en dat niet is gebleken dat eiser door zijn beperkte politieke activiteiten in Nederland thans in de negatieve belangstelling is komen te staan. De opmerkingen onder de livestream zijn zodanig algemeen en summier dat niet valt in te zien dat eiser zichzelf hierdoor in beeld heeft gebracht bij de autoriteiten van Sierra Leone. Omdat eisers politieke activiteiten in Nederland zeer summier van aard zijn, mocht de minister er vanuit gaan dat eiser bij terugkeer op eenzelfde wijze als in Nederland uiting kan geven aan zijn overtuiging zonder dat hij hierdoor problemen zal ondervinden. Dat de samenwerking tussen de SLPP en de NCG is geëindigd, doet aan bovenstaande niet af.

Conclusie en gevolgen

15. Gelet op hetgeen is overwogen onder r.o. 13 is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb [12] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.
15.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 oktober 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Rechtbank Den Haag, 13 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2025:3928.
3.National Grand Coalition.
4.Uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
5.Sierra Leone People’s Party.
6.Nader gehoor 11-10-2024, blz 6.
7.Nader gehoor 11-10-2024, blz 6.
8.Nader gehoor 11-10-2024, blz 11.
9.Nader gehoor, 3-12-2019, blz. 4.
10.Nader gehoor 11-10-2024, blz 11.
11.Rapport EUAA inzake Sierra Leone: Treatment of members of the National Grand Coalition party and of their relatives by the government.
12.Algemene wet bestuursrecht.