ECLI:NL:RBDHA:2026:2168
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening afgewezen
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 november 2025 waarbij de minister de overdrachtstermijn naar Polen verlengde tot 22 januari 2027 op grond van artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening. Verweerder wijzigde dit besluit op 6 januari 2026 en verlengde de termijn tot 24 december 2026. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is omdat het gewijzigde besluit de overdrachtsdatum aanpast en het beroep zich enkel op die datum richt.
De rechtbank beoordeelt vervolgens het tweede verlengingsbesluit inhoudelijk. De overdrachtstermijn begint te lopen vanaf de aanvaarding van het verzoek door Polen op 25 november 2024. Door een toegewezen voorlopige voorziening en een definitieve beslissing op het beroep is de termijn opnieuw gestart op 24 juni 2025. De verlenging tot 24 december 2026 overschrijdt de maximale termijn van achttien maanden niet, omdat eiseres is vertrokken zonder bekend verblijfplaats.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard. Wel wordt een proceskostenvergoeding van € 934,- toegekend aan eiseres, omdat de minister in het eerste besluit de termijn ten onrechte had verlengd tot 22 januari 2027. De uitspraak is gedaan door rechter T. Boesman en griffier J. Dommerholt op 4 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste verlengingsbesluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede verlengingsbesluit ongegrond, met toekenning van proceskostenvergoeding.