ECLI:NL:RVS:2023:4199
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep staatssecretaris inzake opschorting Dublin overdrachtstermijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van een vreemdeling niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De vreemdeling stelde beroep in en de rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening die opschorting van de overdrachtstermijn zou bewerkstelligen.
Het Hof van Justitie verduidelijkte dat opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep alleen mogelijk is als in eerste aanleg de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het enkele indienen van een verzoek om voorlopige voorziening in eerste aanleg niet leidt tot opschorting; daarvoor is een rechterlijke toewijzing nodig.
Omdat de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening in eerste aanleg had afgewezen, was de overdrachtstermijn verlopen en was Nederland verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Het hoger beroep van de staatssecretaris was daarom niet-ontvankelijk. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk omdat de overdrachtstermijn is verstreken en Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.