ECLI:NL:RBDHA:2026:222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63680
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en voortduren van de maatregel in het bestuursrechtelijke beroep van een Nigeriaanse eiser

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de maatregel van bewaring van een Nigeriaanse eiser. De eiser had op 14 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd gekregen op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen het voortduren van deze maatregel heeft de eiser beroep ingesteld, waarbij hij ook om schadevergoeding vroeg. De rechtbank heeft het onderzoek op 5 januari 2026 gesloten zonder zitting. De eiser stelde dat de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd was, onder andere vanwege zijn medische situatie en het risico op refoulement naar Nigeria. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de gronden voor de maatregel nog steeds van toepassing zijn, omdat de eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting en geen nieuwe feiten heeft aangedragen die een ander oordeel rechtvaardigen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het belang van de voortduring van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van de eiser bij invrijheidsstelling. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Er is geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63680

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 14 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 januari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 oktober 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. [1] Eiser heeft daarna een vervolgberoep ingediend. Uit de uitspraak [2] op dit beroep volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 27 november 2025.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in de te toetsen periode geen zorgvuldige en actuele verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft de individuele en medische omstandigheden van eiser onvoldoende betrokken. Ten onrechte stelt verweerder dat er geen medische stukken zijn overgelegd. Eiser heeft namelijk in het eerdere vervolgberoep een medisch journaal van het detentiecentrum Rotterdam overgelegd van 17 oktober 2025. Hieruit volgt dat sprake is van complexe PTSS klachten en dat hij zorgmijder is. Ook staat hierin vermeld dat eiser op een lijst heeft gestaan voor vrijwillige opname in het [ggz-instelling]. Eiser krijgt op dit moment niet de passende zorg die hij nodig heeft. Gelet op de duur is de bewaring bezwarend voor eiser. Eisers medische problematiek maakt eveneens dat aan hem niet kan worden toegerekend dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria omdat hij vreest voor zijn leven in dat land. Het risico op refoulement heeft verweerder niet betrokken bij de belangenafweging,
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Niet is gebleken dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, in het bijzonder het risico op onttrekking aan het toezicht, niet langer van toepassing zijn op eiser. In dat verband is ook relevant dat eiser herhaaldelijk heeft verklaard dat hij niet zal meewerken aan terugkeer naar Nigeria. Eiser heeft gedurende zijn inbewaringstelling daarnaast geweigerd mee te werken aan zijn terugkeer door niet te verschijnen op vertrekgesprekken en niet deel te nemen aan zijn presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser heeft zijn stelling dat terugkeer naar Nigeria in strijd is met het refoulementbeginsel niet onderbouwd. Door te weigeren mee te werken aan zijn terugkeer heeft eiser zelf bijgedragen aan de voortduring van zijn bewaring. Eisers stelling dat niet aan hem kan worden tegengeworpen dat hij niet meewerkt vanwege zijn medische toestand volgt de rechtbank evenmin. Uit het medisch journaal volgt anders dan eiser stelt niet dat bij eiser de diagnose is gesteld dat sprake is van complexe PTSS. Daaruit volgt dat de DT&V [3] in een mail het vermoeden heeft uitgesproken dat eiser daaraan lijdt. Uit het medische journaal blijkt ook anderzijds niet dat sprake is van de gestelde ernstige medische problematiek. Dat eiser zorgmijder zou zijn en in het detentiecentrum geen passende medische zorg zou krijgen is volgt evenmin uit het medisch journaal. Hieruit blijkt immers dat eiser de medische dienst heeft bezocht, onder meer in verband met huidklachten en maagpijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de noodzaak van voortduring van de maatregel voldoende rekening heeft gehouden met deze omstandigheden en aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit frustreert. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij een verzwaarde belangenafweging het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert verder aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Nigeria. Op 11 juni 2025 is er een aanvraag voor een laissez-passer (LP) ingediend voor eiser bij de Nigeriaanse autoriteiten en zij hebben hier tot op heden nog niet op gereageerd. Omdat aan eiser niet kan worden toegerekend dat hij niet meewerkt, mag van verweerder verwacht wordt dat hij actiever werkt aan eisers uitzetting en andere uitzettingshandelingen verricht dan verweerder tot op heden heeft gedaan. Daarnaast is eiser van mening dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
7. Deze beroepsgronden van eiser slagen niet. In zijn algemeenheid bestaat er zicht op uitzetting naar Nigeria. In het geval van eiser is er geen reden om hiervan af te wijken. Op eiser rust de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en aan het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser in de te beoordelen periode daaraan voldoende heeft voldaan, zoals ook hiervoor overwogen. Verweerder heeft in de te beoordelen periode geprobeerd op 4 december 2025 een vertrekgesprek met eiser te voeren. Eiser heeft (wederom) laten weten niet met de DT&V in gesprek te willen. Daarnaast heeft verweerder op 27 november en 17 december 2025 nog gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Niet gebleken is dat de Nigeriaanse autoriteiten aan eiser geen lp zullen verstrekken.
8. De beroepsgronden van eiser dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, de detentie bezwarend is voor hem en dat in het detentiecentrum sprake is van een strikt bewaringsregime, betreffen een herhaling van wat eiser eerder heeft aangevoerd. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 10 van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 oktober 2025. Eiser heeft in de huidige procedure, anders dan hij stelt, geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht, zodat geen aanleiding wordt gezien voor een ander oordeel
9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing verder ook niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 januari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
EindDe uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

3.Dienst Terugkeer & Vertrek.