ECLI:NL:RBDHA:2026:2459
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet
De minister van Asiel en Migratie heeft op 21 november 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan eiser op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser, van Armeense nationaliteit, heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
De minister heeft de maatregel opgelegd omdat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om Nederland uit eigen beweging te verlaten, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en onvoldoende middelen van bestaan. De maatregel dient om toezicht te houden op de naleving van de vertrekplicht en om opvang en medische zorg te garanderen.
Eiser voerde aan dat hij een lopend hoger beroep heeft en dat hij via een stichting een vaste verblijfplaats en middelen van bestaan heeft. Ook stelde hij dat de besluitvorming niet correct was verlopen en dat de medische zorg in de vrijheidsbeperkende locatie onvoldoende is. De rechtbank oordeelt dat het hoger beroep geen schorsende werking heeft, eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft en dat de maatregel passend is gezien het belang van de openbare orde.
De rechtbank concludeert dat de vrijheidsbeperkende maatregel terecht is opgelegd, dat geen lichter middel mogelijk is en dat eiser niet tijdig is geïnformeerd niet aannemelijk is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.