ECLI:NL:RBDHA:2026:2468

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7403
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 61 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vrijheidsbeperkende maatregel vreemdeling

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die bij besluit van 2 oktober 2025 is afgewezen. Deze afwijzing is door de rechtbank op 28 januari 2026 bevestigd, waarbij het terugkeerbesluit deels is vernietigd. Hierdoor heeft eiser geen rechtmatig verblijf meer in Nederland volgens artikel 8 Vreemdelingenwet Pro 2000.

De minister heeft op 9 februari 2026 een maatregel opgelegd waarbij eiser zich vanaf 11 februari 2026 moet verblijven in een vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, maar dit verzoek is door de voorzieningenrechter zonder zitting afgewezen omdat het kennelijk ongegrond is.

De voorzieningenrechter overweegt dat het ontbreken van rechtmatig verblijf ook betekent dat eiser geen recht meer heeft op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers. De vrijheidsbeperkende maatregel dient niet alleen om toezien op vertrek, maar ook om opvang en medische zorg te garanderen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.7403

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2026 verplicht de minister eiser met ingang van 11 februari 2026 te verblijven in de gemeente Westerwolde alwaar eiser zich in het kader van deze maatregel in de vrijheidsbeperkende locatie (hierna: vbl) in Ter Apel dient op te houden. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Eiser heeft op 10 februari 2026 verzocht om een voorlopige voorziening.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter overweegt dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 2 oktober 2025 is afgewezen. Deze afwijzing is bij uitspraak van 28 januari 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats in stand gelaten. [1] De rechtbank heeft het besluit voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd, vernietigd.
2. Het voorgaande betekent dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, sub f, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). De voorzieningenrechter is ook anderszins niet gebleken van rechtmatig verblijf van eiser in de zin van artikel 8 Vw Pro.
3. Op eiser rust dan ook de rechtsplicht uit eigen beweging Nederland te verlaten. [2] Het ingediende hoger beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening heeft geen schorsende werking en staat daardoor niet in de weg aan het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel. [3] Ook heeft eiser met het wegvallen van zijn rechtmatig verblijf niet langer recht op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (hierna: rva). Reeds hieruit volgt dat eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen recht meer heeft op verblijf op het azc in Delfszijl en daar ook niet naar terug kan.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af en overweegt daarbij ook dat plaatsing in de vbl niet alleen dient om erop te kunnen toezien dat eiser daadwerkelijk werkt aan zijn vertrek, maar ook dat hiermee aan hem in ieder geval opvang wordt geboden met daarbij de garantie van medische zorg.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, 28 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2026:1353.
2.Artikel 61, Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de Afdelingsuitspraken van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:869 en 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457.