ECLI:NL:RBDHA:2026:2473
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken familie- of gezinsleven
Eiseres heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar vader, de referent. De minister wees deze aanvraag af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent, zoals vereist voor familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank weegt mee dat samenwoning in de Afghaanse cultuur gebruikelijk is en dat financiële, emotionele en praktische afhankelijkheid onvoldoende is aangetoond.
Ook is geoordeeld dat de minister terecht geen toepassing gaf aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken van familie- of gezinsleven.