ECLI:NL:RBDHA:2026:2474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
23/2949
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8 AOWArt. 11 AOWArt. 17a AOWArt. 24 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens partnerinkomen

Eiser ontvangt sinds 2014 een AOW-pensioen met toeslag voor zijn partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag in 2022 de toeslag en vorderde een bedrag van €12.183,14 terug wegens vermeende onjuiste opgave van het partnerinkomen. Na bezwaar en een nieuw besluit in 2025 werd het terug te vorderen bedrag verlaagd tot €8.006,39.

Eiser betoogt dat hij gerechtvaardigd op zijn accountant mocht vertrouwen en geen navraagplicht heeft geschonden. De Svb stelt dat eiser de mededelingsplicht heeft overtreden door het inkomen van zijn partner niet te melden, wat leidde tot een te hoge toeslag. De rechtbank oordeelt dat eiser de mededelingsplicht heeft geschonden, maar dat de Svb geen verwijt treft en voldoende heeft gehandeld.

Tijdens de zitting erkende de Svb een fout in de berekening van de terugvordering, die niet aan eiser te wijten is. De rechtbank verklaart daarom het beroep tegen het tweede besluit gegrond en draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen. Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk omdat het tweede besluit het eerste vervangt.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit gegrond verklaard vanwege een fout in de terugvordering, met opdracht tot nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2949

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: W. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn AOW-toeslag. [1] Eiser is het daar niet mee eens omdat hij vindt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij mogelijk teveel toeslag heeft ontvangen. Hij mocht gerechtvaardigd vertrouwen op zijn accountant en hij heeft niet de navraagplicht geschonden. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van de Svb juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb de AOW-toeslag van eiser voor een te groot bedrag heeft herzien en teruggevorderd. Eisers beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser ontvangt sinds 13 augustus 2014 een AOW-pensioen met daarbovenop een toeslag voor zijn partner. Met het besluit van 1 september 2022 (primair besluit) heeft de Svb de toeslag die eiser ontvangt herzien vanaf augustus 2014 en lager vastgesteld. Ook moet eiser een bedrag van € 12.183,14 aan te veel ontvangen toeslag terugbetalen.
2.1.
In het besluit van 14 december 2022 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Hangende het beroep heeft de Svb een nieuw besluit genomen op 14 april 2025 (bestreden besluit 2). De Svb blijft bij de herziening van de toeslag over de periode september 2017 tot en met augustus 2022. Over de periode augustus 2014 tot en met augustus 2017 wordt de toeslag niet herzien als gevolg van een beleidswijziging. Eiser moet uiteindelijk € 8.006,39 terugbetalen.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Het beroep van eiser tegen bestreden besluit 1 heeft van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit 2. [2]
2.4.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met de heer [naam] en verweerder.

Gronden eiser

Eiser voert aan dat hij geen twijfel heeft gehad over de juistheid van de door zijn accountant gedane mededeling dat de meewerkaftrek geen gevolgen had voor zijn AOW-toeslag. Voor hem bestond er geen navraagplicht. De Svb heeft in haar communicatie over relevante inkomsten voor de AOW-toeslag nergens melding gemaakt van de fiscale meewerkaftrek als zijnde relevant voor de (hoogte van) AOW-toeslag. Volgens eiser heeft de Svb ten onrechte geconcludeerd dat er geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien en is het niet duidelijk hoe zij tot die conclusie is gekomen. Tenslotte heeft in het kader van het evenredigheidsbeginsel geen (zichtbare) toetsing door de Svb plaatsgevonden voor zover het gaat om haar eigen rol bij de informatievoorziening.

Standpunt verweerder

3. De Svb stelt zich op het standpunt dat eiser bij de aanvraag om een AOW-pensioen heeft aangegeven dat zijn partner geen inkomsten ontving. Bij de vaststelling van de hoogte van de AOW-toeslag is de Svb daarvan uitgegaan. Naar aanleiding van een melding over inkomen van eisers partner, ontvangen van de Belastingdienst op 27 december 2021, heeft de Svb de hoogte van de toeslag op het AOW-pensioen vanaf augustus 2014 opnieuw vastgesteld. Gebleken is dat eiser een te hoog bedrag aan AOW-pensioen heeft ontvangen. Eiser heeft daar zelf geen melding van gemaakt en heeft aldus de mededelingsplicht overtreden. De toeslag op het AOW-pensioen dient dan herzien te worden. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om relevante gegevens door te geven, ook indien hij daarbij gebruikmaakt van hulp van derden. De Svb verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ 5485. Daarnaast blijkt uit de overgelegde fiscale rapporten van de jaren 2017 tot en met 2019 dat er geen sprake was van een meewerkaftrek maar van een arbeidsbeloning. Deze beloning is ook bij de belastingdienst als inkomsten uit overige werkzaamheden (arbeid) van de partner opgegeven. Nu de Svb niet eerder dan na de melding van de Belastingdienst op 27 december 2021 op de hoogte was van het feit dat de partner van eiser een inkomen ontving, kon zij hier ook niet eerder onderzoek naar doen. De Svb heeft bij de toekenning van de toeslag op het AOW-pensioen aangegeven dat als het inkomen van de partner wijzigt, dit binnen 4 weken doorgegeven dient te worden. Ook op latere momenten heeft de Svb aan eiser aangegeven dat het van belang is om inkomenswijzigingen te melden. De Svb merkt tenslotte op dat de Centrale Raad van Beroep in onder andere zijn uitspraak van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140, het nieuwe beleid aangaande herziening en terugvordering heeft getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid bestreden besluit 1
4. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk.
4.1.
De rechtbank beschouwt het besluit van 14 april 2025 als vervangend besluit, nu dit besluit is genomen naar aanleiding van een beleidswijziging. Het besluit van 14 april 2025 is daarmee in de plaats gekomen van het besluit van 14 december 2022. Gelet hierop heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 14 december 2022. Daarom verklaart de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen dit besluit niet-ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling bestreden besluit 2
5. Bij de aanvraag om een AOW-pensioen van 2 februari 2014 heeft eiser aangegeven dat zijn partner geen inkomsten heeft. De Svb heeft op basis daarvan aan eiser een AOW-toeslag toegekend.
5.1.
Als gevolg van een melding van de Belastingdienst op 27 december 2021, is de Svb ervan op de hoogte geraakt dat de partner van eiser inkomsten heeft. Hierna heeft de Svb eiser verzocht om gegevens over de inkomsten van zijn partner over de jaren 2014 tot en met 2020 door te geven. Uit die verstrekte gegevens bleek dat de partner van eiser een jaarlijks inkomen had.
6. Op grond van artikel 8, eerste lid, AOW, heeft de pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, overeenkomstig de bepalingen van die wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag.
6.1.
Op grond van artikel 8, tweede lid onder a, AOW, ontstaat in afwijking van het eerste lid op of na 1 januari 2015, geen recht meer op toeslag als gevolg van wijziging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid.
6.2.
Op grond van artikel 8, derde lid, AOW, kan, in afwijking van het tweede lid, het recht op toeslag herleven, indien het recht op toeslag is geëindigd uitsluitend als gevolg van een incidentele stijging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid.
6.3.
Ingevolge artikel 17a, eerste lid, onder b, AOW, herziet de Svb een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen indien het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Svb, op grond van het tweede lid, besluiten om geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
6.4.
Op grond van artikel 24, eerste lid, AOW is de Svb gehouden tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde AOW-pensioen.
6.5.
Artikel 17a van de AOW is van dwingendrechtelijke aard, zodat de Svb verplicht is om de toeslag aan te passen wanneer deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ook artikel 24 eerste Pro lid, van de AOW bevat een dwingendrechtelijke bepaling die de Svb tot terugvordering verplicht van hetgeen onverschuldigd aan de pensioengerechtigde is betaald.
6.6.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Hieruit blijkt dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, AOW de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol spelen. De rechtbank verwijst hierbij ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140, waarin de Raad oordeelde dat beleidsregel SB1407 erin voorziet dat tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald de relevante feiten en omstandigheden zodanig worden gewogen dat die afweging een toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het algemeen zal kunnen doorstaan. De Svb hanteert in dit geval de volgende beleidsregels.
6.7.
Indien de uitkeringsgerechtigde de mededelingsplicht heeft geschonden, wordt de uitkering verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als de uitkeringsgerechtigde grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
6.8.
In de beleidsregel wordt ook de evenredigheidstoets toegepast waarbij de Svb geheel of gedeeltelijk afziet van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de Svb belang aan de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de Svb een verwijt kan worden gemaakt.
7. Ten aanzien van de in beroep nog ter discussie staande periode september 2017 tot en met augustus 2022 overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de partner van eiser in deze periode inkomsten heeft genoten, zoals ook vermeld in de fiscale rapporten op naam van de partner en in de gegevens van de Belastingdienst. Zoals de Raad oordeelde in de uitspraak van 12 augustus 2009, ligt het primair op de weg van de uitkeringsgerechtigde zelf om een correcte opgave te doen van alle voor het recht op en de hoogte van zijn uitkering relevante gegevens. [3] Ook indien hij ervoor kiest bij het verstrekken van die gegevens gebruik te maken van derden, zoals eiser gebruik heeft gemaakt van een accountant, blijft de uitkeringsgerechtigde in beginsel verantwoordelijk, in die zin dat het risico van het niet of niet volledig doorgeven van gegevens voor zijn rekening komt. Voorts staat in de bijlage bij de toekenningsbeslissing van 4 februari 2014 van de Svb vermeld dat wijzigingen in de situatie van eiser gevolgen kunnen hebben voor zijn AOW-pensioen en is tevens vermeld welke wijzigingen van belang zijn om door te geven, waaronder inkomsten van een partner. Derhalve heeft de Svb aan eiser medegedeeld dat dergelijke wijzigingen spontaan aan de Svb moeten worden gemeld. De Svb mocht er derhalve van uit gaan dat het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de hoogte van het inkomen van zijn partner van invloed kon zijn op de uitkering. Eiser heeft de mededelingsplicht geschonden. Van een verwijt aan de kant van de Svb dat tot matiging van de herziening zou moeten leiden, is geen sprake. Er is na de melding voldoende voortvarend gehandeld en eiser is voldoende geïnformeerd over de verplichting inkomen te melden. Dat hij op zijn accountant heeft vertrouwd komt in deze procedure voor zijn rekening. Onaanvaardbare financiële gevolgen van de terugvordering zijn niet gesteld. Dat betekent dat er geen sprake is van een onevenredige besluitvorming en er in beginsel geen reden is tot matiging van de herziening of terugvordering van de toeslag voorzover het gaat om de inkomsten van de partner.
7.1.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de Svb aangegeven dat er een fout is gemaakt bij de berekening van de herziening en terugvordering en dat deze fout niet aan eiser te wijten is maar aan de systemen van de Svb. Door deze fout is er een te hoog bedrag teruggevorderd van eiser. De Svb heeft ter zitting aangegeven de fout te herstellen en dat eiser om die reden nog geld terugkrijgt.
7.2.
Op grond van het onder 7.1 vermelde ziet de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond. Omdat het beroep deels gegrond is, moet de Svb het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de hoogte van het bedrag van de herziening en terugvordering;
  • bepaalt dat verweerder met inachtneming van het hiervoor overwogene inzoverre een nieuw besluit dient te nemen;
  • draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie de uitspraak van de Raad van 12 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5485.