ECLI:NL:RBDHA:2026:2482

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL25.10175 en NL25.18620
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 4:84 AwbArt. 8 EVRMArt. 9 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning wegens hoofdverblijf buiten Nederland en afwijzing aanvraag vernieuwing

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, kreeg in 2012 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Deze vergunning werd ingetrokken per 12 april 2023 omdat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland, namelijk in België, had gevestigd. Tevens werd zijn aanvraag tot vernieuwing van het verblijfsdocument afgewezen. Eiser diende daarna een aanvraag in voor verblijf bij zijn echtgenote, welke werd afgewezen wegens ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

Eiser voerde aan dat zijn verblijf in België tijdelijk was vanwege woningnood in Nederland en dat hij de intentie had terug te keren. Hij stelde dat zijn verblijf in België niet als duurzame vestiging moest worden gezien en verwees naar zijn inschrijving in de Nederlandse basisregistratie personen (BRP) en zijn sociale en economische banden met Nederland. Verweerder stelde dat eiser meerdere verblijfsaanvragen in België had ingediend en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf niet had verplaatst.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had vastgesteld dat eiser meer dan zes maanden buiten Nederland verbleef en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de overschrijding te wijten was aan omstandigheden buiten zijn schuld. De intentie van eiser om in Nederland te blijven werd onvoldoende onderbouwd. Daarnaast werd vastgesteld dat eiser inmiddels rechtmatig verblijf geniet als EU/EER-gemeenschapsonderdaan, waardoor het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk werd verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van de aanvraag niet in strijd zijn met artikel 8 EVRM Pro en dat verweerder geen aanleiding had om af te wijken van het beleid. Het beroep tegen het intrekkingsbesluit werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.10175 en NL25.18620

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en de afwijzing van zijn aanvraag om vernieuwing van zijn verblijfsdocument ongegrond verklaard.
Bij besluit van 24 maart 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familie en gezin bij [echtgenote] ’ ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.
De beroepen zouden aanvankelijk worden behandeld op de zitting van 23 oktober 2025. De behandeling van de beroepen is aangehouden zodat eiser door verweerder gehoord kon worden. Dit heeft ertoe geleid dat verweerder het aanvullend besluit van 2 december 2025 heeft genomen in aanvulling op bestreden besluit 1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb [1] heeft het beroep, gericht tegen bestreden besluit 1, mede betrekking op het aanvullend besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [echtgenote] , de echtgenote van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1987 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 12 juni 2012 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning op 11 juni 2024 ingetrokken met ingang van 12 april 2023, omdat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst buiten Nederland. Ook zijn aanvraag om vernieuwing van zijn verblijfsdocument is daarom afgewezen. Het besluit van 11 juni 2024 bevat tevens een terugkeerbesluit. Eiser heeft vervolgens een aanvraag voor verblijf bij zijn echtgenote, [echtgenote] , ingediend op 19 juli 2024.
2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken omdat hij niet meer voldoet aan de voorwaarden van deze vergunning. Hij heeft zijn hoofdverblijf verplaatst naar België. Eiser wordt tegengeworpen dat hij, nadat verweerder hem op 18 september 2023 telefonisch heeft ingelicht over de consequenties van zijn verhuizing, geen actie heeft ondernomen om terug te verhuizen naar Nederland. Hij heeft verschillende aanvragen ingediend in België om zijn verblijf daar te legaliseren, laatstelijk nog op 21 maart 2024. Weliswaar staat eiser sinds 30 juli 2024 weer ingeschreven op het adres van zijn ouders in Nederland, maar niet is aangetoond dat eiser daar ook feitelijk is gaan wonen. Volgens verweerder is niet gebleken dat het centrum van de activiteiten van eiser in Nederland ligt. Bij het aanvullend besluit van 2 december 2025 heeft verweerder geconcludeerd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de afwijzing van zijn aanvraag om vernieuwing niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. [2] De aanvraag voor verblijf bij zijn echtgenote is bij besluit van 11 november 2024 afgewezen. Bij bestreden besluit 2 is verweerder bij deze afwijzing gebleven. Redengevend daarvoor is dat eiser, nu hij niet in het bezit is van een verblijfsvergunning, dient te beschikken over een geldige mvv [3] , hetgeen niet het geval is. Er is geen reden om hem hiervan vrij te stellen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 maart 2025 ongegrond verklaard.
3. In zijn beroepsgronden tegen bestreden besluit 1 stelt eiser dat sprake is van een overmachtssituatie, waardoor hij bij gebrek aan alternatieven in Nederland tijdelijk een woning in België is gaan huren. Dit dient niet te worden gezien als een duurzame vestiging, maar een noodmaatregel met de duidelijke intentie om terug te keren naar Nederland. Eiser verwijst hierbij naar het opnieuw inschrijven in de BRP [4] van de gemeente Tilburg en de blijvende aanwezigheid van zijn economische, sociale en medische banden met Nederland die dit zouden bevestigen. Eiser stelt dat de verblijfsaanvragen in België slechts een administratief vereiste was, wat ook gangbaar is in België. Dit was geen bewuste poging om verblijfsrecht in België te verkrijgen of het hoofdverblijf daar te vestigen. Verweerder had gelet op de bijzondere omstandigheid van de woningnood in Nederland moeten afwijken van de standaard beleidslijn en heeft nagelaten onderzoek te doen naar de intentie van eiser. Eiser stelt dat de intentie van het verblijf een rol speelt bij het beoordelen van hoofdverblijf. Eiser verwijst naar het arrest ZK tegen Landeshauptmann von Wien [5] waarin het Hof heeft geoordeeld dat een langdurig ingezetene zijn verblijfsstatus slechts verliest indien sprake is van daadwerkelijke afwezigheid van het grondgebied van de Unie en het loslaten van de integratiebanden. Ook is verweerder te formeel en miskent de feitelijke context. Wat betreft bestreden besluit 2 betwist eiser niet dat hij niet beschikt over een geldige mvv. Hij voert in beroep veelal dezelfde beroepsgronden aan als gericht tegen bestreden besluit 1 en geeft aan dat hij om die redenen in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Het beroep tegen bestreden besluit 2 (NL25.18620)
4. Eiser heeft op 28 februari 2025 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend. In eerste instantie heeft verweerder deze aanvraag bij besluit van 6 augustus 2025 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 12 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Dit betekent dat aan eiser een afgeleid verblijfsrecht als familielid van een Nederlander is verleend. Hij is in het bezit gesteld van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw. [6]
5. Uit het voorgaande blijkt dat eiser inmiddels rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan geniet. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep tegen bestreden besluit 2, de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met verblijfsdoel ‘familie en gezin bij [echtgenote] ’. De rechtbank stelt vast dat eiser bij inwilliging van deze verblijfsvergunning niet in een sterkere positie kan komen dan hij al is gesteld door de inwilliging van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Het procesbelang is daarmee komen te vervallen. Het beroep tegen bestreden besluit 2 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het beroep tegen bestreden besluit 1 (NL25.10175)
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep het noodzakelijk heeft geacht om eiser te horen en een aanvullend besluit te nemen waarin verweerder heeft beoordeeld of sprake is van een schending van artikel 8 van Pro het EVRM. Hierin ligt besloten dat verweerder erkent dat bestreden besluit 1 een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kende. Dit gebrek in de besluitvorming is echter met het aanvullende besluit hersteld. Eiser heeft hier in beroep op kunnen reageren. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van Pro Awb dit gebrek te passeren, nu niet aannemelijk is dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.
7. Op grond van artikel 20, eerste lid, onder b, Vw en artikel 22, tweede lid, onder a, van de Vw is verweerder bevoegd een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken als de houder daarvan diens hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Uit paragraaf B1/6.2.1 en B12/2.8 van de Vc [7] volgt dat verweerder aanneemt dat een vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd als hij meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijding te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. Verweerder beoordeelt dit aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. De bewijslast ligt in dit geval bij verweerder. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [8] volgt dat, als verweerder aan die bewijslast heeft voldaan, het vervolgens aan de betrokken vreemdeling is om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen.
8. Niet in geschil is dat eiser vanaf 12 oktober 2022 als ‘Registratie Niet Ingezetene’ vermeld stond in de BRP en dat hij op 31 maart 2023 is uitgeschreven vanwege emigratie. Per 30 juli 2024 staat eiser weer ingeschreven in de BRP, op het adres van zijn ouders in [plaats] . Hij heeft daarmee meer dan zes maanden buiten Nederland verbleven. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst. Eiser beroept zich op een overmachtssituatie en stelt dat hij vanwege de woningnood in Nederland een tijdelijke woning heeft gehuurd in België. Verweerder mag daarbij van eiser verlangen dat hij dit met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd. De screenshots waaruit blijkt dat eiser op een woning heeft gereageerd of zich heeft ingeschreven bij een woningbouwcoöperatie zijn daartoe onvoldoende. Met de enkele stelling dat sprake is van een woningnood in Nederland, maakt eiser niet aannemelijk dat de overschrijding van de zes maanden termijn te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen.
9. Uit paragraaf B1/6.2.1 van de Vc volgt verder dat verweerder rekening moet houden met de intentie van eiser, voor zover die intentie blijkt uit gedragingen. Die gedragingen zijn objectiveerbaar en aan eiser om te onderbouwen. In het bestreden besluit is verweerder voldoende gemotiveerd ingegaan op eisers intenties. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn waaruit zou kunnen volgen dat eiser niet de intentie had zijn hoofdverblijf te verplaatsen. Terecht heeft verweerder daarbij meegenomen dat eiser meerdere verblijfsaanvragen voor onbepaalde tijd heeft ingediend in België. Op 18 september 2023 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen verweerder en eiser, waarbij eiser is gewezen op de consequenties van zijn verhuizing naar België. Desondanks heeft eiser hierna geen actie ondernomen of zich weer in Nederland gevestigd, maar juist een derde verblijfsaanvraag ingediend in België op 21 maart 2024. Dat het indienen van een verblijfsaanvraag in België een administratief vereiste was heeft eiser niet onderbouwd. Daarnaast heeft hij zijn eerste aanvraag pas een half jaar na het afsluiten van de huurovereenkomst ingediend. De stelling van eiser dat zijn hoofdverblijf slechts formeel is verplaatst, maar dat dit materieel niet het geval is, wordt niet gevolgd. Eiser werkte dan wel in Nederland en heeft daar familie wonen, maar hij heeft onvoldoende onderbouwd dat hij alleen maar in België was om te slapen en zijn verdere leven zich altijd in Nederland heeft afgespeeld. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen waaruit zijn intentie om in Nederland te blijven blijkt.
10. Wat betreft de stelling van eiser dat hij materieel gezien als langdurig ingezetene kan worden beschouwd, geldt dat dit een andere aanvraag en verblijfsstatus betreft waar andere voorwaarden aan zijn verbonden. Eiser heeft weliswaar voor een langere periode in Nederland verbleven, maar dat betekent niet dat hij in materiële zin gelijkgesteld kan worden aan een EU-langdurig ingezetene. Eiser stelt aan alle voorwaarden te voldoen, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Zijn beroep op het arrest ZK tegen Landeshauptmann von Wien slaagt dan ook niet, nu dit geen situatie van een langdurig ingezetene betreft waarbij elke fysieke aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaten zou volstaan. Er is dan ook geen aanleiding eisers verblijfsrecht gelijk te stellen aan de status van een langdurig ingezetene.
11. In het aanvullend besluit heeft verweerder een belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM gemaakt. Daarbij heeft verweerder aangenomen dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote, maar dat de gemaakte belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank stelt vast dat eiser daartegen geen beroepsgronden heeft gericht en dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels om eisers verblijfsvergunning niet in te trekken en de vernieuwingsaanvraag in te willigen. Eiser heeft geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd dat vasthouden aan het beleid voor eiser tot onevenredige gevolgen zou leiden in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.
13. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Vanwege het toepassen van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.18620 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.10175 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868.
Deze uitspraak is gedaan op 9 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
3.Machtiging tot voorlopig verblijf.
4.Basisregistratie Personen.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 januari 2021, zaaknummer C-432/20.
6.Vreemdelingenwet 2000.
7.Vreemdelingencirculaire 2000.
8.Zie onder meer de uitspraken van 24 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1539 en 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:607.