ECLI:NL:RBDHA:2026:2511

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4818
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 Schengengrenscode (Verordening (EU) nr. 2016/399)Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel tegen asielzoekster gegrond verklaard

Eiseres is de toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel is tegen haar opgelegd vanwege het ontbreken van een geldig reisdocument en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelt dat de toegangsweigering terecht is, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor visumvrij verblijf en geen vaste woon- of verblijfplaats kan aantonen.

De rechtbank bevestigt dat het verblijf in het detentiecentrum niet als vaste woon- of verblijfplaats geldt en dat de zware grond 3a (niet op voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen) van toepassing is. Ook het risico op onderduiken is voldoende gemotiveerd met meerdere gronden, waaronder het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen.

Verder is vastgesteld dat het detentiecentrum in Zeist voldoet aan de voorwaarden van de Opvangrichtlijn, ook indien eiseres niet gescheiden wordt van andere vreemdelingen zonder asielprocedure. De rechtbank ziet geen onrechtmatigheid in de vrijheidsontnemende maatregel en verklaart het beroep ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toegang en de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4818

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

1. Bij besluit van 27 januari 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiseres op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Pro Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiseres op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 tezamen met het beroep van haar echtgenoot met kenmerk NL26.4828 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
2. Verweerder heeft eiseres de toegang geweigerd omdat eiseres:
- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;
- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
3. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de toegangsweigering. De rechtbank is, ambtshalve toetsend, van oordeel dat aan eiseres terecht de toegang is geweigerd.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
4. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiseres het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw Pro te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiseres voert aan dat zware grond 3a niet van toepassing is. Zij is in haar vrije termijn naar Nederland gereisd. De vrije termijn is verlopen tijdens haar asielprocedure en terwijl zij in bewaring is gesteld. Daarnaast is lichte grond 4c niet van toepassing. Hoewel eiseres niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) heeft zij een vaste woon- of verblijfplaats aangezien zij in het detentiecentrum verblijft. Daarbij zijn deze gronden op vrijwel alle asielzoekers in de grensprocedure van toepassing. Van een objectief criterium toegespitst op de individuele situatie is dan geen sprake meer. Verder is detentiecentrum Zeist geen speciale bewaringsaccommodatie in de zin van de Opvangrichtlijn [1] , omdat daar vreemdelingen met verschillende procedures niet van elkaar zijn gescheiden, bijvoorbeeld Dublinclaimanten en vreemdelingen met een visum kort verblijf in een andere lidstaat.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht zware grond 3a tegengeworpen. Door asiel aan te vragen heeft eiseres langdurig verblijf beoogt. Daarmee voldoet eiseres niet aan de in artikel 6 van Pro de Schengengrenscode [2] neergelegde voorwaarden. De visumvrije periode is immers bedoeld voor een kort verblijf van in beginsel 90 dagen. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiseres geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Volgens vaste rechtspraak is voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Vw slechts sprake van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP [3] , of wanneer de vreemdeling op een andere wijze aantoont dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft. [4] Verblijf in het detentiecentrum valt hier niet onder. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2017 [5] waarbij de Afdeling – kort gezegd – heeft geoordeeld dat met de enkele stelling van de vreemdeling dat hij verblijf had in het aanmeldcentrum Ter Apel hij niet heeft aangetoond dat hij een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.
7.1.
Eiseres heeft de overige gronden niet bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onderduiken aanwezig te achten. Dat één of meer van deze gronden van toepassing zijn op meerdere, zo niet alle, asielzoekers in de grensprocedure betekent niet dat er geen individuele beoordeling is gemaakt.
8. Verder volgt uit artikel 10 van Pro de Opvangrichtlijn, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat verzoekers in bewaring in de regel worden afgescheiden van andere onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Indien verzoekers niet van andere onderdanen van derde landen kunnen worden afgescheiden, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de voorwaarden met betrekking tot bewaring van deze richtlijn worden toegepast.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het detentiecentrum in Zeist geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn. Eiseres heeft onvoldoende geconcretiseerd dat zij niet wordt afgescheiden van andere onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Immers, Dublinclaimanten hebben per definitie een verzoek om internationale bescherming ingediend. Weliswaar niet altijd in Nederland, maar dat vereiste stelt de Opvangrichtlijn ook niet. Daarnaast is niet uitgesloten dat derdelanders die een visum kort verblijf hebben van een andere lidstaat niet ook in een asielprocedure zitten.
8.2.
Bovendien, ook als eiseres niet afgescheiden kan worden van onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, dan nog is niet gebleken dat detentiecentrum Zeist niet de voorwaarden met betrekking tot bewaring van de Opvangrichtlijn toepast.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [6] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Richtlijn 2013/33/EU.
2.Verordening (EU) 2016/399.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4131.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5036, onder 2.1.4.
5.ECLI:NL:RVS:2017:1467, onder 4.2.
6.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.