ECLI:NL:RBDHA:2026:256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.10972
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlengingsbesluit asielaanvraag en proceskostenveroordeling

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin een eiser beroep had ingesteld tegen een verlengingsbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Het bestreden besluit, genomen op 3 maart 2025, verlengde de termijn voor overdracht aan Bulgarije tot achttien maanden op basis van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser, die de Turkse nationaliteit heeft en in Nederland asiel had aangevraagd, was inmiddels in de nationale asielprocedure in Zwitserland opgenomen. De rechtbank oordeelde dat eiser geen actueel en reëel belang meer had bij de beoordeling van het bestreden besluit, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Ondanks de niet-ontvankelijkheid werd de minister wel veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934. De rechtbank benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag op 14 februari 2025 van rechtswege op Zwitserland was overgegaan, waardoor Bulgarije niet langer als verantwoordelijke lidstaat kon worden aangemerkt. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10972

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de termijn voor overdracht aan Bulgarije overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening [1] tot achttien maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld te Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vrijstelling griffierecht
1. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Het betreft hier echter een beroep tegen een besluit dat is genomen in het kader van een door eiser ingediende asielaanvraag. Om die reden hoeft eiser geen griffierecht te betalen. Eiser hoeft dus ook niet te worden vrijgesteld van de – niet bestaande – verplichting om te worden vrijgesteld van griffierecht.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 25 november 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 26 april 2024 heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem het beroep gegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. [2]
3. Op 11 juni 2024 heeft verweerder een nieuw besluit genomen en eisers asielaanvraag opnieuw niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij tussenuitspraak van 15 juli 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, [3] verweerder in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te verrichten naar de situatie voor Turken die asiel aanvragen in Bulgarije en meer in het bijzonder naar de vraag of hun aanvragen wel daadwerkelijk op een eerlijke wijze inhoudelijk beoordeeld worden. Op 15 juli 2024 heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
4. Bij brief van 26 juli 2024 heeft verweerder aan de rechtbank meegedeeld geen aanleiding te zien om invulling te geven aan de opdracht van de rechtbank om nader onderzoek te verrichten bij de Bulgaarse autoriteiten. Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep gegrond verklaard, [4] omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 25 november 2024 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling [5] het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. [6]
5. Verweerder heeft de Bulgaarse autoriteiten op 3 maart 2025 bericht dat de overdracht niet binnen de gestelde termijn kan plaatsvinden als gevolg van de verdwijning van eiser en dat volgens artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn wordt verlengd tot achttien maanden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Procesbelang
6. De bestuursrechter hoeft een bij hem ingesteld (hoger) beroep alleen inhoudelijk te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het aangewende rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en dat dit voor hem van feitelijke betekenis is. De indiener moet dus een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. [7]
7. Uit de stukken blijkt dat eiser zich in Zwitserland bevindt en dat Zwitserland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van zijn asielaanvraag alsnog aan zich heeft getrokken omdat er geen tijdige overdracht aan Bulgarije heeft plaatsgevonden. Eiser is inmiddels in de nationale asielprocedure in Zwitserland opgenomen. Gelet op deze ontwikkelingen heeft eiser geen actueel en reëel belang meer bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Proceskosten
8. Uit de stukken blijkt dat partijen het erover eens zijn dat de overdrachtstermijn tussen Zwitserland en Bulgarije als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is verstreken en dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag daarmee op zijn laatst op 14 februari 2025 van rechtswege op Zwitserland is overgegaan. Vanaf dat moment kon Bulgarije niet langer als verantwoordelijke lidstaat worden aangemerkt. Ten tijde van het bestreden besluit van 3 maart 2025, waarbij de overdrachtstermijn aan Bulgarije werd verlengd, was Bulgarije dus niet langer verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De rechtbank ziet daarin aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser.
Conclusie
9. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk omdat hij geen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.
10. Ondanks de niet-ontvankelijkheid van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934 (bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934
(negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 8 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens
bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.NL24.24213 (niet gepubliceerd).
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Zie hiervoor ook de rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 1 juli 2024,ECLI:NL:RVS:2024:2662.