In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van een Iraakse eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 10 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond, wat betekent dat de eiser geen gelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. De rechtbank legt uit dat de EU regelgeving, vastgelegd in de Dublinverordening, bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland op 6 augustus 2025 een verzoek om terugname aan Zweden gedaan, dat op 7 augustus 2025 is aanvaard. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van de eiser onvoldoende zijn om aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico op schending van mensenrechten bij overdracht aan Zweden. De rechtbank stelt vast dat de minister in zijn besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van de eiser en dat de zorgen over de opvang en behandeling in Zweden niet voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht van de eiser van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.