ECLI:NL:RBDHA:2026:268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvraag en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van een Iraakse eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 10 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond, wat betekent dat de eiser geen gelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. De rechtbank legt uit dat de EU regelgeving, vastgelegd in de Dublinverordening, bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland op 6 augustus 2025 een verzoek om terugname aan Zweden gedaan, dat op 7 augustus 2025 is aanvaard. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van de eiser onvoldoende zijn om aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico op schending van mensenrechten bij overdracht aan Zweden. De rechtbank stelt vast dat de minister in zijn besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van de eiser en dat de zorgen over de opvang en behandeling in Zweden niet voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht van de eiser van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.55350. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU [2] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [3] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland op
6 augustus 2025 bij Zweden een verzoek om terugname gedaan. Zweden heeft dit verzoek op 7 augustus 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

Zienswijze

5. Eiser voert allereerst aan dat hij persisteert bij hetgeen door hem in de voorfase is gesteld en vermeld. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Zweden niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Onder verwijzing naar het meest recente AIDA-rapport [5] stelt eiser dat hij bij overdracht aan Zweden vreest te worden verstoken van acceptabele opvang en geen of beperkte toegang te krijgen tot medische voorzieningen. Ook loopt hij bij overdracht aan Zweden het risico in detentie te worden geplaatst, omdat zijn asielaanvraag is afgewezen. Zweden neemt het niet zo nauw met de fundamentele mensenrechten en er is sprake van ernstige tekortkomingen. Zo krijgen asielzoekers in de versnelde procedure met moeite toegang tot gratis juridische bijstand en ook wordt onvoldoende informatie verstrekt aan asielzoekers over de procedure en hun rechten en plichten. In het AIDA-rapport staat vermeld dat families die Zweden hebben verlaten voor een ander EU-land en vervolgens terugkeren, geen recht hebben op toegang tot opvangvoorzieningen. Ook eiser zal daarom in Zweden geen opvang krijgen. Verder zal eiser in Zweden worden blootgesteld aan (latente) discriminatie die vooral voorkomt in sectoren zoals huisvesting onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid. Ook loopt hij in Zweden gevaar vanwege discriminatie en xenofobie.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling [6] heeft dit voor Zweden bevestigd in de uitspraken van 14 oktober 2024 [7] en 23 juni 2025 [8] . Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Zweden zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Zweden niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM [9] en artikel 4 van het Handvest [10] . Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zweden, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zweeds autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zweden overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen over het asiel- en opvangsysteem in Zweden. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport niet worden afgeleid dat er in Zweden zodanige problemen zijn met betrekking tot de toegang tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen, dat sprake is van structurele tekortkomingen die de hoge drempel van zwaarwegendheid van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest bereiken. Het is in het algemeen zo dat een asielzoeker na een afwijzing van de asielaanvraag (eventueel door het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel) het desbetreffende land moet verlaten. Dat is in Nederland niet anders. Als eiser meent dat hij toch recht heeft op een asielvergunning, kan hij in Zweden opnieuw een asielaanvraag indienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is. Mocht eiser hiermee en/of met het opvangsysteem toch problemen ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover de Zweedse autoriteiten te benaderen. Voor zover eiser meent dat hij in Zweden problemen zal ondervinden door discriminatie en/of xenofobie, oordeelt de rechtbank dat hij daarvoor bescherming kan zoeken bij de Zweedse autoriteiten. Eiser heeft niet aangetoond dat de Zweedse autoriteiten hem hiertegen onvoldoende kunnen beschermen. De rechtbank betrekt hierbij dat ook uit hetgeen door eiser tijdens het aanmeldgehoor is verklaard evenmin blijkt dat hij gedurende de tien jaren dat hij in Zweden heeft gewoond en (op basis van een arbeidsvergunning) heeft gewerkt, problemen heeft ervaren zoals hier bedoeld. De beroepsgronden slagen niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening ondanks zijn medische problematiek. Daarnaast heeft de minister geen garanties aan Zweden gevraagd met betrekking tot opvang en medische hulp.
7.1.
De minister heeft zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser van onevenredige hardheid getuigt. Dat eiser medische problemen ervaart heeft hij niet nader onderbouwd. Ook een in Nederland wonende broer van eiser maakt niet dat sprake is van een bijzondere, individuele omstandigheid, nu niet is gebleken dat zij afhankelijk zijn van elkaar. De beroepsgrond dat aan de Zweedse autoriteiten ten onrechte geen garanties zijn gevraagd, slaagt evenmin. De Zweedse autoriteiten hebben met het claimakkoord de garantie gegeven dat de (opvolgende) asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese regelgeving, in behandeling wordt genomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het arrest Tarakhel [11] die maakt dat garanties nodig zijn voordat overdracht aan Zweden plaatsvindt.
Indirect refoulement
8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Zweden vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [12] van
30 november 2023 [13] en de Afdeling van 12 juni 2024 [14] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.2. is overwogen kan ten aanzien van Zweden nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Zweden een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europese Unie.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.AIDA Country Report: Sweden 2024, update mei 2025.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
12.Europese Hof van Justitie.
13.ECLI:EU:C:2023:934.