De minister legde op 28 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde dat deze tot 22 januari 2026 rechtmatig was.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de voortzetting van de bewaring tussen 22 januari 2026 en 26 januari 2026 rechtmatig was. De rechtbank concludeert dat de bewaring vanaf 25 januari 2026 onrechtmatig was omdat de minister de maatregel niet binnen de vereiste 48 uur na indiening van een verblijfsvergunning asiel heeft omgezet.
Andere beroepsgronden van eiser, zoals het ontbreken van redelijk vooruitzicht op uitzetting, onvoldoende voortvarendheid van de minister en de geschiktheid van de toegepaste maatregel, worden verworpen. De rechtbank wijst een schadevergoeding toe van €120,- voor één dag onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van €934,-. De maatregel van bewaring is inmiddels opgeheven en een nieuwe maatregel is niet ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd.