Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2025 in de zaken tussen
[eiser], [nummer 1], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
. [9]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 5 februari 2025 de beroepen van een Jezidi-gezin tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen behandeld. De minister had de aanvragen afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening, wat door de rechtbank werd bevestigd. Eisers voerden aan dat zij risico lopen op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland, maar de rechtbank oordeelde dat binnen de Dublinprocedure geen plaats is voor toetsing van indirect refoulement en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.
Daarnaast stelde eiseres dat haar gezondheid door de overdracht zou verslechteren, maar de rechtbank vond de medische gegevens onvoldoende om een reëel en bewezen risico op aanzienlijke achteruitgang aan te tonen. Ook werd geoordeeld dat de minister de belangen van de minderjarige kinderen voldoende had meegewogen, waarbij werd aangenomen dat Duitsland adequaat voor hen zal zorgen.
Tot slot oordeelde de rechtbank dat de minister niet verplicht was de asielaanvragen aan zich te trekken op grond van bijzondere omstandigheden, omdat de aangevoerde feiten en angsten niet als onevenredige hardheid konden worden aangemerkt. De beroepen werden ongegrond verklaard en de besluiten van de minister bleven in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de besluiten van de minister blijven in stand.