Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag van 26 augustus 2024 voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank oordeelt dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit moet nemen, tenzij de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dit schriftelijk aan eiseres meedeelt; in dat geval geldt een termijn van twintig weken. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,-, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het geschil. De rechtbank wijst een zitting af omdat partijen geen zitting wensten en verleent vrijstelling van griffierecht aan eiseres.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en de toepasselijke wettelijke bepalingen, waaronder de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000. De uitspraak is openbaar en partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.