ECLI:NL:RBDHA:2026:289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.34708 en NL25.34709
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 VwArt. 31 ProcedurerichtlijnArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen acht weken beslissen op asielaanvragen Syriërs na onrechtmatig besluit moratorium

Eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun asielaanvragen van 15 december 2023. De rechtbank oordeelt dat het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) voor Syriërs, ingesteld op 11 december 2024, onrechtmatig is in het licht van een arrest van het Hof van Justitie van de EU van 8 mei 2025.

De rechtbank interpreteert het BVM als een opschorting van de beslistermijn, die gedurende de geldigheid van het moratorium (14 december 2024 tot 13 juni 2025) geldt, ook als de beslistermijn al was verstreken. Hierdoor had de minister uiterlijk 14 juni 2025 moeten beslissen. Dit is niet gebeurd, waarna eisers de minister in gebreke stelden en vervolgens beroep instelden.

De rechtbank stelt dat de minister binnen acht weken na deze uitspraak een besluit moet nemen, omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden. Bij overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €467.

De uitspraak is gedaan zonder zitting, na instemming van partijen. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt de minister op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen. De uitspraak bevat tevens een verwijzing naar de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.

Uitkomst: De minister moet binnen acht weken een besluit nemen op de asielaanvragen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.34708 en NL25.34709

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],

[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer],
ook namens de minderjarige kinderen:

[naam], geboren op [geboorteplaats],

[naam], geboren op [geboorteplaats],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: T. der Bedrosian),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 15 december 2023.
1.1
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
2. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [2] het in deze zaken toepasselijke wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 [3] heeft geoordeeld, is zij thans van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [4] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvragen van eisers diende te nemen.
2.1. Met het besluit van 11 december 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië [5] , in werking getreden op 14 december 2024. Het BVM gold tot en met 13 juni 2025.
3. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan
verlengentot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen
uitstellenin individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
4. De rechtbank ziet aanleiding om de term
verlengenin het BVM op te vatten als opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over
postpone. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af.
5. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. [6] 5.1. In de zaken van eisers zijn de aanvragen ingediend op 15 december 2023. De beslistermijn was voordat het BVM van kracht werd al verstreken. De opschorting van de beslistermijn betekent in dit geval dat de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit had moeten nemen op de asielaanvragen. Eisers hebben de minister na het verstrijken van deze datum in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. De minister heeft dit niet gedaan en eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. [7] De beroepen zijn ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

6. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. [8] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [9]
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [10] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [11]
9. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [12]

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers gezamenlijk een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eisers gezamenlijk gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken. [13] De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Deze kosten stelt de rechtbank dan ook vast op € 467,-. [14]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
4.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
5.Besluit van 11 december 2024 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (
7.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
8.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
10.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
12.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
13.Als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
14.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.