ECLI:NL:RBDHA:2026:2965
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag ongegrond verklaard
De zaak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 5 november 2025, waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat opposant niet aan de wettelijke vereiste had voldaan om het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke te stellen, omdat de schriftelijke ingebrekestelling van 16 juli 2024 prematuur was ingediend.
Opposant stelde zich op het standpunt dat het nationale recht moest wijken voor het Unierecht en verwees naar arresten van het HvJEU, waaronder het [naam 1]-arrest en het FMS-arrest. De rechtbank oordeelde echter dat deze arresten geen invloed hebben op de in rechte vaststaande uitspraak van 27 februari 2025, waarin de prematuriteit van de ingebrekestelling werd vastgesteld.
De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere uitspraak terecht zonder zitting is gedaan op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.